Mannelijke monteurs, vrouwelijke verzorgenden? Gender in het onderwijs

“Het Vlaams onderwijs blijft een vrouwelijk bastion”, leidt Vlaams parlementslid Jos De Meyer af uit de cijfers die hij opvroeg bij Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits.In het gewoon en buitengewoon basisonderwijs, waar verhoudingsgewijs hoofdzakelijk vrouwelijke personeelsleden aan de slag zijn, groeit hun aandeel nog verder van 86,7% in 2015 naar 87,3% in de laatste telling. Zoals al bleek uit vroegere cijfergegevens zijn mannelijke personeelsleden nog steeds oververtegenwoordigd in de jobs met status. In het gewoon secundair onderwijs bestaat bijvoorbeeld 63,5% van de personeelsleden uit vrouwen maar bij de directeurs is er een meerderheid van mannen, al is het overwicht wel een tikje verminderd van 62% in 2015 naar 59% in 2018. In dezelfde lijn ligt de vaststelling dat aan de universiteiten de mannelijke professoren (ZAP of zelfstandig academisch personeel) in de meerderheid zijn (72%), maar bij de assistenten zijn de verhoudingen omgekeerd met een meerderheid van bijna 54% vrouwen.

Opmerkelijk is dat enkel in de opleiding verpleegkunde het aandeel van de mannelijke personeelsleden toeneemt van 14,5% in 2015 naar 15,5% nu. Dat loopt parallel met een groeiend aandeel mannelijke verplegenden op de werkvloer.

Behalve een bescheiden toename van mannelijke studenten voor de opleiding tot kleuterleider en een toename bij de verpleegkundigen blijven bepaalde studierichtingen zeer sterk genderstereotiep. In studierichtingen waarbij minstens 90% van de leerlingen hetzelfde geslacht heeft, blijkt dat een status quo sinds 2008-2009.

Zo blijkt het aandeel vrouwelijke studentes in het studiegebied Auto beperkt tot 1,5%, in Koeling en Warmte moeten we zelfs tot drie cijfers na de komma gaan. In Lichaamsverzorging hebben de vrouwelijke studenten dan weer een overwicht van 95,6% en Personenzorg halen ze 80,1% (gegevens: statistisch jaarboek van het onderwijs, voorpublicatie 2017-2018).

Het aandeel meisjes in typische STEM-richtingen blijft laag, stelt ook de minister: “Het aandeel meisjes in STEM binnen tso (11,06% in tweede graad en 15,16% in derde graad) en bso (5,81% in tweede graad en 3,77% in derde graad) is laag tot zeer laag. Er is binnen tso in het eerste leerjaar van de derde graad een stijging met goed 1,35 procentpunt ten opzicht van de nulmeting, maar het aandeel meisjes blijft een ernstige zorg.”

“Dat er geen volledige 50-50 verdeling is in alle onderwijsvormen of beroepen is op zich niet het probleem,” stelt De Meyer, “maar genderstereotypen mogen de studie- of beroepskeuze niet bepalen, en daarin spelen de leerkrachten en studiekeuzebegeleiders een belangrijke rol.” (Belga)