2567 “vrijstellingen” in de keuzes voor levensbeschouwelijk onderwijs

Dat kleine aandeel is volgens De Meyer niet verwonderlijk, gezien het belang van levensbeschouwelijke vorming. Een vrijstelling mag volgens hem geen gemakkelijkheidsoplossing zijn. Daarom vindt hij het een goede zaak dat ouders die voor een vrijstelling opteren op hun keuzeformulier moeten aangeven dat de vrijgekomen lestijd gebruikt wordt voor ethische vorming en niet voor andere vakken of voor minder tijd op school. In het antwoord op een actuele vraag op 23 januari wees minister Crevits nog op het verschil tussen levensbeschouwing en burgerschap, waarbij ze naast het belang van burgerschap ook expliciet de relevantie van levensbeschouwing op school aanhaalde. Ze overwoog daarbij of de vrijstelling niet zou kunnen worden vervangen door een “interlevensbeschouwelijke” invulling:“…de groep groeit. Dus moeten we wel bekijken hoe we dat op een moderne manier zullen invullen. Bij mij rijst de vraag of het niet mogelijk is om daar veel meer aandacht te besteden aan het interlevensbeschouwelijke. Dat is wat professor Loobuyck soms aanhaalt. Hij gaat meer in de richting van burgerschap, maar ik kijk meer naar het interlevensbeschouwelijke,” aldus minister Crevits.

Met 77,53% van de leerlingen blijft “katholieke godsdienst” de meest gekozen optie bij de levensbeschouwelijke vakken in het Vlaamse leerplichtonderwijs. 12,94% kiest voor niet-confessionele zedenleer en 7,34% voor Islamitische godsdienst. Dat blijkt uit de cijfers die Vlaams parlemenstlid Jos De Meyer daarover opvroeg bij minister Crevits van Onderwijs. In het vrije, meestal katholieke onderwijs, blijft rooms-katholieke godsdienst zo goed als stabiel met 97,99% van het aantal leerlingen. In het gemeenschapsonderwijs is het aandeel katholieke godsdienst van 40,89% in schooljaar 2002-2003 verminderd tot 28,86% in 2017-2018. Het aandeel niet-confessionele zedenleer verminderde daar licht van 46,29% tot 44% In het officieel gesubsidieerd onderwijs (provinciaal en gemeentelijk) vergrootte het aandeel niet-confessionele zedenleer in die zelfde periode van 26,59% tot 32,45%. Het aandeel islamitische godsdienst nam in het gemeenschapsonderwijs toe van 9,71% tot 22,65% en in het officieel gesubsidieerd onderwijs van 7,26% tot 19,87%. Het aandeel “vrijstellingen” blijft zeer beperkt tot 0,28% van het totale aantal leerlingen. In absolute getallen gaat het om 2567 leerlingen nu, tegenover 2423 in 2002-2003 en 1705 in 2012-2013.

_______________________

Aantal leerlingen die kiezen voor islam sterk gestegen

Het aantal leerlingen in het gemeenschapsonderwijs (GO!) en het stedelijk of gemeentelijk onderwijs die kiezen voor islamitische godsdienst is de laatste jaren fel gestegen. Tegelijk daalde het aantal leerlingen die rooms-katholieke godsdienst volgen.Met 77,53 procent van de leerlingen blijft katholieke godsdienst de meest gekozen optie bij de levensbeschouwelijke vakken in het Vlaamse leerplichtonderwijs. 12,94 procent kiest voor niet-confessionele zedenleer en 7,34 procent voor islamitische godsdienst. Dat blijkt uit de cijfers die Vlaams Parlementslid Jos De Meyer (CD&V) daarover opvroeg bij partijgenoot en minister van Onderwijs Hilde Crevits.

Uit de cijfers blijkt vooral dat het aantal jongeren die kozen voor islamitische godsdienst in het gemeenschapsonderwijs (GO!) en het stedelijk en gemeentelijk onderwijs de laatste vijftien jaar sterk is gestegen. In het schooljaar 2002-2003 kozen respectievelijk 9,7 procent en 7,26 procent van de leerlingen voor het vak. Vorig schooljaar steeg dat aandeel tot 22,65 procent en 19,87 procent. De stijging gaat vooral ten koste van het aantal leerlingen die kiezen voor rooms-katholiek onderwijs. In het GO! daalde dat van 40,89 procent naar 28,86 procent in dezelfde periode.

Opvallend: het aantal leerlingen die vroegen om een ‘vrijstelling’ voor levensbeschouwelijke vakken, steeg de afgelopen jaren opnieuw licht van 1.705 leerlingen (2012-2013) tot 2.567 leerlingen vorig schooljaar. De vrijstellingen worden vooral gebruikt door leerlingen die aangeven een andere godsdienst te volgen dan de zes erkende godsdiensten, zoals hindoeïsme. “Een vrijstelling mag geen gemakkelijkheidsoplossing zijn”, zegt De Meyer, die het een goede zaak vindt dat de vrijgekomen tijd niet gebruikt wordt voor andere vakken of voor minder tijd op school.

Crevits vraagt zich af of “we moeten bekijken hoe we die vrijstelling op een moderne manier kunnen invullen”. “Voor mij is het belangrijk dat leerlingen die kiezen voor vrijstelling niet aan hun lot of zelfstudie worden overgelaten. Het lijkt me zinvol om te onderzoeken of leerlingen die kiezen voor een vrijstelling ook geen nood hebben aan een interlevensbeschouwelijk aanbod.” (De Morgen, Pieter Gordts)