Afscheidsinterview Jos De Meyer: ‘Oplossingen waren voor mij belangrijker dan polariseren’

Jos De Meyer neemt aan het einde van deze legislatuur afscheid als Vlaams Parlementslid en voorzitter van de landbouwcommissie in het Vlaams Parlement.

De landbouw was in zijn leven een rode draad. In een afscheidsinterview roept De Meyer op tot nuance in het debat. Hij benadrukt tevens dat een overheid de landbouw zich in zijn volle diversiteit moet laten ontplooien – en dus niet moet sturen naar één ‘gewenst’ model. De Meyer groeide op in een landbouwersgezin. werd leider van de KLJ, was directeur van de landbouwschool in Sint-Niklaas en mocht sinds 2004 de voorzittershamer van de landbouwcommissie in het Vlaams Parlement hanteren. In die functie raakte De Meyer bekend als een uiterst minzaam mens, iemand die op constructieve wijze overeenkomsten zocht tussen de partijen. Iemand dus ook die moeite heeft met de harde toon van het debat van vandaag en het woekerende populisme.

U heeft zich altijd voor landbouw geïnteresseerd. Waar komt die interesse vandaan?

Als boerenzoon was ik de jongste in een gezin van acht kinderen. Na mijn studies in de rechten ben ik nationaal leider gewonden van de KLJ. Daarna ben ik 12,5 jaar directeur geweest van de land-en tuinbouwschool in Sint-Niklaas. Na de verkiezingen van 24 november 1991 werd ik dan de jongste CVP-senator. In die tijd was 40 jaar nog de minimumleeftijd voor de senaat.

In het begin van de jaren ’70 organiseerde ik als student al informatievergaderingen voor de Wase land-en tuinbouwers, met telkens 400 à 500 aanwezigen, ook met de syndicale leiders van toen en de toenmalige minister van landbouw. In maart ’71 was ik ook aanwezig op de grote boerenbetoging in Brussel. Met 100.000 aanwezigen stapte er toen minstens één gezinslid uit elk familiaal land-en tuinbouwbedrijf mee.

In het begin van de jaren ’80 “ontvoerde” ik de zanger Yvan Heylen die toen een grote hit had met “De wilde boerendochter”. Onze KLJ-actie was bedoeld om aandacht te vragen voor de land-en tuinbouwproblematiek van toen. Verbondenheid met het platteland en met de land-en tuinbouw in het bijzonder is altijd de leidraad geweest voor mij: in mijn jeugdjaren, in mijn studententijd, in mijn beroepsloopbaan.

Waarom bent u de politiek ingegaan?

Toen ik de vraag kreeg om mij politiek te engageren was dat voor mij een logische keuze als verderzetting van mijn engagement. En nu denk ik al eens: “Er is voor alles een tijd”.

Ik ben op 15 maart 69 jaar geworden en op het eind van de legislatuur zal ik dan een politieke loopbaan van 27,5 jaar gehad hebben. Mijn vrouw vecht al 4,5 jaar tegen een slepende ziekte; vandaar de keuze om nu afscheid te nemen van het Vlaams parlement. Ik blijf wel – en met volle overtuiging- gemeenteraadslid in mijn stad Sint-Niklaas.

Het zal wel een grote aanpassing worden voor mij, daar ben ik me van bewust. Ik voel mij zeker niet uitgeblust – integendeel, ik heb zeker nog de energie om er een legislatuur bij te doen… maar je mag niet overdrijven in het leven. Liever afscheid nemen in schoonheid dan verdwijnen in de mist.

Wat is voor u persoonlijk het dieptepunt geweest in uw parlementaire werk?

De moeilijkste periode was voor mij de verkiezingscampagne van ’99, ten tijde van de dioxinecrisis. Je kon bijna niet buitenkomen of je werd zowat persoonlijk verantwoordelijk gesteld voor de crisis… hoewel je het tij voelde keren, de laatste tien dagen voor de verkiezingen. De mensen begonnen de media-hetze en het politieke misbruik van de situatie te doorzien, en men begon de dingen in een juistere verhouding te plaatsen.

Moeilijk vond ik ook mijn eenzame parlementaire strijd voor het behoud van de Wase polders op de Linkerscheldeoever. Het was geen gevecht tegen de economische ontwikkeling van de Antwerpse haven, maar wel een strijd voor respect en een eerlijke behandeling van onze land-en tuinbouwers. Ook de invoering van het eerste MAP, het Mestactieplan, zorgde voor de nodige spanningen. Voor onze land-en tuinbouwers was dat een mentale omwenteling.

En over welke zaken bent u fier?

Ik ben wel tevreden dat ik, met enige fierheid, kan stellen dat ik steeds op mijn manier de problemen in de land-en tuinbouw heb aangekaart bij onze ministers van landbouw. Ik heb honderden vragen gesteld in de commissie landbouw en tientallen in de plenaire zittingen om onze ministers te confronteren met de zorgen die leefden bij onze land-en tuinbouwers. Ik heb altijd gekozen voor een hoffelijke stijl, maar ik heb nooit een blad voor de mond genomen. Oplossingen zoeken was voor mij steeds belangrijker dan polariseren.

Als commissievoorzitter liet ik de collega’s van de verschillende fracties hun ding doen, ook al was hun opinie niet de mijne. Als voorzitter moet je immers objectief zijn. Eigenlijk ben ik er wel trots op dat ik voorzitter geweest ben van bij de start van de onafhankelijke commissie voor landbouw. … eerst als subcommissie, en later als volwaardige commissie van het Vlaams Parlement. Ik vond het een voorrecht om voorzitter te mogen zijn.

Naast dat voorzitterschap ben ik ook fier op de resolutie over de diversificatie. In de politieke aandacht voor de aanhoudende schaalvergroting heb ik persoonlijk gewerkt aan de ombuiging naar een resolutie betreffende “Schaalverandering en differentiatie in de land-en tuinbouw. Een leefbaar bedrijf uitbouwen moet niet per se via schaalvergroting. Nichemarkten, korte keten, hoeveverkoop, inschakeling in een ruimer sociaal kader zoals zorgboerderijen… volgens mij moet de bedrijfsleider zelf kunnen kiezen voor een bepaald bedrijfstype of –model en businessplan.

Ik ben ook tevreden over het werk dat we gedaan hebben naar de brede weersverzekering. Ik vond het mijn plicht om mijn nek daarvoor uit te steken. Bij de bespreking van het programmadecreet baarde de afschaffing van het Landbouwrampenfonds mij en meerdere collega’s grote zorgen. Net daarom hebben we aangedrongen op een alternatief onder de vorm van een brede weersverzekering. Reeds twee legislaturen was daarop aangedrongen door collega’s over alle fracties heen.

Wie is in “uw” periode in de landelijke politiek de beste landbouwminister geweest?

Ik heb gewerkt met federaal minister André Bourgeois, Vlaams minister van landbouw Luc Van den Branden, Eric Van Rompuy, Vera Dua, Jef Tavernier en Ludo Sannen, daarna Yves Leterme, dan Kris Peeters, en nu Joke Schauvliege en Koen Van den Heuvel.

Het zal niet verbazen dat ik het meest problemen had met ministers waarmee ik meest van mening verschilde. Dat waren minister Vera Dua en haar opvolgers in de zelfde legislatuur Jef Tavernier en Ludo Sannen. Met de ministers had ik meestal een goede tot zeer goede verstandhouding. De minister die zichzelf minister “voor landbouw” noemde was Yves Leterme. Hij was mogelijks de meest gepassioneerde. Als je de functie van minister-president combineert met de portefeuille landbouw kan je natuurlijk altijd iets meer doen dan iemand die enkel vakminister is; dat merkte je ook bij Kris Peeters.

Hebt u zelf ooit een ministerspost geambieerd?

Daar heb ik eerlijk gezegd nooit aan gedacht. Ik vond het een voorrecht om volksvertegenwoordiger te zijn, en ik heb geprobeerd dat zo goed mogelijk te doen.

Wat heeft u het meest droevig gestemd, binnen uw parlementaire werk?

Het meest pakkende droevige voorval was het plotse overlijden van collega Paul Van Malderen. We stapten samen op, op de betoging van 11 mei 2003 in Gent voor een leefbaar platteland en tegen het beleid van toenmalig minister Vera Dua; hij viel neer met een hartstilstand, en hij overleed ter plekke.

Wat was het grappigste voorval dat u bent tegengekomen in uw parlementaire werk?

Een andere anekdote dan bij het begin van deze legislatuur… Met de leden van de commissie waren we op werkbezoek in Groningen en Friesland, en ik stelde voor om even langs het geboortehuis van Sicco Mansholt te rijden. Voor mij was het een complete verrassing dat de meeste collega’s totaal niet wisten wie Mansholt was, toch de grondlegger van het Europese gemeenschappelijk landbouwbeleid. De geschiedenis leert ons dat politiek nooit uit zijn geschiedenis leert!

U moet zwemmen in de anekdotes…

Bij het bezoek van de voormalige Nederlandse minister van landbouw Cees Veerman aan onze commissie had ik een dubbel gevoel. Als voorzitter van de Europese taskforce landbouwmarkten stond hij de commissie te woord op 6 december 2016. Het ging over de zwakke positie van de landbouwer in de voedselketen. Ik was er eigenlijk fier op dat we Cees Veerman mochten ontvangen. De Strategische Adviesraad voor Landbouw en Visserij (SALV) had die dag ook een vergadering, die men onderbrak om te komen luisteren naar de toelichting van Cees Veerman.

Toen de voorzitter van het Algemeen Boerensyndicaat en een vertegenwoordiger van Boerenbond vragen wilden stellen, vroeg ik aan de commissieleden of ze het daarmee eens waren. Iedereen stemde in, maar tegelijk liepen enkele N-VA-collega’s naar parlementsvoorzitter Peumans om te zeggen dat ik de spelregels voor commissievergaderingen niet respecteerde: bezoekers mogen immers geen vragen stellen. Voor mij was dit merkwaardig, maar de tijden veranderen, wist Bredero al.

Persoonlijk was ik tevreden met het belang dat de SALV hechtte aan onze gedachtewisseling. De leden van de SALV vonden het een ultieme kans om rechtstreeks vragen te stellen aan voorzitter Veerman. Gezien de bijzondere omstandigheden had ik het daarom moeilijk met het formalisme van sommige collega’s.

Sinds u politiek actief bent geworden, is België gefederaliseerd. Is de staatshervorming wat u betreft goed geweest voor de land- en tuinbouw en denkt u dat verdere stappen noodzakelijk zijn?

Het is een goede zaak: de land-en tuinbouw in Vlaanderen verschilt sterk van die in Wallonië. We mogen ook niet vergeten dat zeer veel beslissingen voor de sector niet door het Belgische of het Vlaamse parlement genomen worden, maar door Europa. Vooral voor land-en tuinbouw is de Europese regelgeving enorm belangrijk. De toekomst zal uitwijzen of er nog meer bevoegdheden naar Vlaanderen moeten komen, maar op dit ogenblik is dat zeker niet de eerste zorg …alhoewel… De Afrikaanse varkenspest in Wallonië treft Vlaanderen het zwaarste in de economische gevolgen voor de varkenshouderij. Toch is de sector nu wel meer begaan met een slagkrachtig Europees beleid dat de land-en tuinbouw blijft respecteren. Onze land-en tuinbouw heeft Europa nodig, maar Europa mag niet vergeten dat het ook onze land-en tuinbouw nodig heeft.

Men kan spreken van een heilige of onheilige drie-eenheid: CD&V, Boerenbond en de KLJ. Is het verbond tussen deze drie nog altijd zo sterk als enkele decennia geleden en is dat een goede of een slechte zaak voor de landbouwsector? Enerzijds kan men door een machtsblok te vormen invloed uitoefenen, anderzijds: macht corrumpeert.

Dat beeld van die drie-eenheid is de realiteit van 50 jaar geleden, zeker niet die van vandaag. Ik merk dat de Boerenbond contacten onderhoudt met alle politieke fracties van de meerderheid, en dat CD&V eveneens praat met verscheidene partners in het landbouw – werkveld.

Wel is het zo dat mijn partij steeds – dus vandaag, gisteren én morgen- een grote zorg heeft voor het platteland in het algemeen en voor de land-en tuinbouw in het bijzonder. Dat impliceert echter niet dat de land-en tuinbouwer als vanzelfsprekend CD&V stemt… Als mensen de debatten in het Vlaams parlement volgden, zouden ze veel gemotiveerder hun stem kunnen uitbrengen.

De CD&V is een klassieke middenpartij met Christelijke signatuur. Ondertussen neigen kiezers naar de uiterste politieke polen – zie bijvoorbeeld de gelijktijdige opkomst van Baudet en GroenLinks in Nederland – en zet de ontkerkelijking voort. Moet CD&V bijsturen of denkt u dat de golven van populisme zullen worden gebroken door de complexiteit van vraagstukken, waarop nu eenmaal geen eenvoudige antwoorden bestaan?

De wijze van formulering en de manier waarop uw vraag al een oplossing suggereert zijn volledig juist. Complexe problemen los je niet op met eenvoudige antwoorden; ze vergen nuance.

Als we kijken naar de landbouw in Vlaanderen, kun je enerzijds zeggen dat het gebaseerd is op schaalvergroting en specialisatie. Deze focus is ook gepromoot door het Gemeenschappelijk Landbouwbeleid, de ideologie van CD&V en Boerenbond. Ze heeft geleid tot één van de meest productieve landbouwmodellen wereldwijd en tegelijk moeten we vaststellen dat boeren en tuinders structureel weinig verdienen. Zijn in het verleden verkeerde keuzes gemaakt of is het nu tijd om bij te sturen?

Het is eigenlijk omgekeerd. Te lage inkomens hebben ertoe geleid dat de sector op zoek moest naar meer opbrengst en grotere rentabiliteit, en men vond die in schaalvergroting en in specialisatie. In onze resolutie rond “Schaalverandering en differentiatie in de land-en tuinbouw” geven we expliciet aan dat er meer opties zijn: nichemarkten, korte keten, hoeveverkoop, zorgboerderijen… Het is niet aan de politiek om eenzijdig een bepaald model op te leggen, de bedrijfsleider moet zelf zijn businessplan kunnen kiezen.

Wanneer we inzoomen op landbouwbeleid, zien we met de N-VA een opvallende uitdaging. De partij is de grootste van Vlaanderen en heeft ook onder boeren veel aanhang. Tegelijk is de partij groener dan Groen als het aankomt op dierenwelzijn en bescherming van de sector. In de wandelgangen wordt gezegd dat N-VA na de verkiezingen landbouw wil opeisen, met mogelijk Ben Weyts als minister. Wat zou dit voor de sector betekenen?

Op dit ogenblik is NVA inderdaad de grootste partij, maar ik heb geen glazen bol waarin ik zou kunnen zien welke aanhang ze heeft bij de boeren. Het klopt dat NVA “groener is dan groen” als het over landbouw gaat, en ik vind dat ze ook wel vooral inspeelt op emotie. Ik verwijs nog eens naar de debatten over land-en tuinbouw in de commissie: daar zie je welke standpunten aan de orde komen of verdedigd worden, en je merkt ook dat de voorzitter of de minister-president niet altijd het zelfde zeggen als hun commissieleden.

Dat Ben Weyts minister van landbouw zou willen worden is voor mij totaal vreemd en – met een knipoog- dus geef ik liever geen commentaar op wat daarvan de gevolgen zouden zijn.

De liberale partijen willen van de provincies af. Hoe ziet u als politicus de rol en het belang van de provincies, bijvoorbeeld voor de verbinding van stad en platteland?

Op het vlak van grondgebonden beleid hebben de provincies nog steeds belangrijke bevoegdheden, met name voor landbouw en platteland, en dat kan effectief verbindend zijn naar stedelijke gebieden toe. Kijk maar naar de vele plattelandsprojecten die de provinciebesturen stimuleren en coördineren. Ook wil ik het belang aanstippen van de vele proefcentra die mede ondersteund worden door de provinciebesturen.

Wat gaat u na uw parlementaire loopbaan doen?

Dat zal even een aanpassing zijn. Ik blijf wel gemeenteraadslid – en met overtuiging – in mijn stad. Ik behaalde zelfs op de lijstduwersplaats het meeste stemmen van mijn fractie. Ik laat mijn kiezers dus zeker niet in de steek. Op 2 mei werd mijn achtste kleinkind geboren. Mijn oudste kleinkind doet eerstdaags haar Eerste Communie. Voor hen komt er dus ook wat meer tijd. Ik zal ook wat meer tijd kunnen besteden aan mijn hobby tuinieren. En wie weet wachten mij nog nieuwe uitdagingen… (Landbouwleven, Jan-Cees Bron)

 

(Landbouwleven, Jan-Cees Bron)