“Geen voedselzekerheid ondanks hogere productiviteit”

VN-rapporteur Olivier De Schutter verdedigde in de landbouwcommissie van het Vlaams Parlement zijn visie op het voedselsysteem. “Herstel lokale voedselsystemen, pak machtsonevenwichten in de voedselketen aan en bekeer de landbouw tot agro-ecologie”, luidde het. Daarop gingen de parlementsleden op zoek naar de betekenis van deze visie voor het Europese en Vlaamse landbouwmodel.

Wereldwijd lijden 950 miljoen mensen honger, hebben dubbel zoveel mensen een tekort aan vitaminen en mineralen en zijn 186 miljoen kinderen te klein voor hun leeftijd, wat een indicatie is voor ondervoeding. Tegelijk kampen meer mensen dan ooit tevoren met overgewicht. “Het beleid dat gericht was op productiviteitsverhoging in de landbouw heeft dus gefaald”, concludeert Olivier De Schutter, VN-rapporteur voor het recht op voedsel. Samen met de mank lopende voedselvoorziening is er namelijk meer armoede in de steden én op het platteland.

De Schutter schuift drie prioriteiten naar voor om uit de huidige patstelling in ontwikkelingslanden te geraken. Vooreerst acht hij het nodig om lokale voedselsystemen te herwaarderen die de brug kunnen slaan tussen stedelingen en plattelandsbewoners. Tegen 2050 zal twee derde van de bevolking in ontwikkelingslanden in steden wonen. “Door (peri-)urbane landbouw te promoten, moet vermeden worden dat de afstand tussen arme huishoudens en de bron van hun voeding letterlijk te groot wordt”, zegt de VN-rapporteur.

Lokale voedselsystemen verkleinen ook de afhankelijkheid van voedselimport. “Import wordt door de stijgende voedselprijzen een steeds grotere handicap voor arme landen”, aldus De Schutter. In sommige landen werd import noodzakelijk nadat lokale boeren de slag om grond en natuurlijke hulpbronnen verloren tegen de grootschalige productie van handelsgewassen voor export. “Andere ontwikkelingslanden exporteren hoogwaardige voedingswaren zoals fruit naar de rijke landen en kopen granen in op de wereldmarkt. Op zijn beurt resulteert dat in een eenzijdig dieet voor de arme bevolking”, hekelt De Schutter.

Machtsonevenwichten in de voedselketen wegwerken, moet volgens de VN-rapporteur het tweede streven zijn. “Door enkele transnationale ondernemingen die dominant zijn, hebben kleine boeren weinig kopers voor hun producten. Dat verklaart voor een stuk waarom het vooral de plattelandsbevolking is die honger lijdt”, meent De Schutter. Nodig zijn: steun aan landbouwcoöperaties, optreden tegen machtsconcentraties en misbruik van machtspositie en regels die toelaten dat kleine boeren hun krachten bundelen. Hij stelt namelijk vast dat mededingingsregels enkel de consument en niet de kleine producent in bescherming nemen.

De derde prioriteit, en meteen het stokpaardje van Olivier De Schutter, is de evolutie naar een agro-ecologische landbouw. “Door agro-ecologie worden natuurlijke rijkdommen het meest efficiënt benut voor voedselproductie, vermindert de afhankelijkheid van fossiele brandstoffen en worden opbrengstverliezen op een milieuvriendelijke manier tegengegaan.” Het toepassen van agroforestry, stikstofbindende gewassen en andere agro-ecologische technieken zorgde voor een gemiddelde opbrengststijging van 80 procent in projecten in 57 ontwikkelingslanden. In Afrikaanse landen acht hij zelfs een verdubbeling van de productie mogelijk.

“Gangbare landbouw is duur, put de natuurlijke rijkdommen uit, vreet brandstof en is niet bestand tegen klimaatschokken. Het is gewoon niet langer de beste keuze”, denkt De Schutter. De omschakeling naar agro-ecologie is kennisintensief – het vergt onderzoek en nog meer de verspreiding van kennis – en mag niet los gezien worden van zijn sociale dimensie. Vlaams volksvertegenwoordiger Tine Rombouts (CD&V) drukt na afloop van de uiteenzetting haar waardering uit voor deze visie op het voeden van de vele monden in ontwikkelingslanden, maar oppert net zoals commissievoorzitter Jos De Meyer dat in de oplossing van het voedselvraagstuk wellicht meerdere landbouwmodellen naast elkaar kunnen bestaan.

Maar De Schutter ziet een aantal troeven van kleinschalige, agro-ecologische landbouw waarvan grootschalige landbouw verstoken blijft zoals de hogere productie (niet per arbeidseenheid maar per hectare), de arbeidsintensiteit voor landen waar de werkloosheid hoog is, de onafhankelijkheid van op fossiele brandstoffen gebaseerde inputs zoals kunstmest en gewasbeschermingsmiddelen, het respect voor ecosystemen, enz. Bovendien kan via lokale, kleinschalige landbouw voedselzekerheid losgekoppeld worden van het uitblijven van noodweer in grote productiegebieden. “Meer voedsel produceren in de meest competitieve regio’s en dat verhandelen, volstaat niet”, benadrukt hij.

Toch verdwijnen kleine landbouwbedrijven in snel tempo omdat ze niet competitief zijn waardoor het lijkt alsof enkel grootschalige landbouw in voldoende voedsel kan voorzien. Dat komt volgens De Schutter omdat positieve effecten van die eerste niet vergoed worden terwijl de negatieve effecten van het grootschalige landbouwmodel niet veruitwendigd worden in de kostprijs van een voedingsmiddel. Als antwoord op de vraag van Els Robeyns (sp.a) verwijst hij ook naar de familiale landbouw in Brazilië. Dankzij ondersteuning van de overheid produceert die nu 80 procent van de voedselvraag op de binnenlandse markt.

De VN-rapporteur beseft dat in zijn visie ontwikkelingslanden hun landbouw zullen moeten ondersteunen op een manier (importtarieven, nvdr.) die moeilijk verenigbaar is met de regels van de Wereldhandelsorganisatie. “Een andere optie om voedselzekerheid te garanderen en de boeren in het Zuiden uit de armoede te halen, is er echter niet.”

De Schutter deelt de bezorgheid van Dirk Peeters (Groen) omtrent intensieve veehouderij en het Europees eiwittekort voor veevoeder. Duurzame consumptie mag volgens hem geen taboe zijn als we willen vermijden dat de helft van de graanproductie dient om het vee te voeden. Ook de grote broeikasgasuitstoot en milieu-impact pleiten tegen industriële veehouderij, zo verklaarde De Schutter, maar anderzijds mag de bevolking in ontwikkelingslanden net meer vlees gaan eten om tekorten door een eenzijdig dieet op te lossen.

Van biobrandstoffen gaat volgens De Schutter eenzelfde bedreiging uit. “Biobrandstofgewassen worden meestal geteeld voor export en gaan ten koste van voedselgewassen die de lokale boeren telen”, aldus De Schutter. Ook China is tot die vaststelling gekomen en heeft recent zijn steun voor bio-ethanol afgebouwd. “Gelukkig bezint ook de Europese Commissie zich”, zegt de VN-rapporteur. Over ggo’s neemt hij geen uitgesproken standpunt in, maar wil hij wel kwijt dat ze niet in alle omstandigheden de beste oplossing zijn. “Een bezoek aan Mexico, de bakermat van maïs, leerde dat traditionele variëteiten in de lokale teeltomstandigheden in 80 procent van de gevallen een hogere opbrengst haalden dan ggo’s.” (Vilt)

Nieuwe schoolinfrastructuur voor het basisonderwijs: voor alle gemeenten?

In de basisscholen van verscheidene Vlaamse steden en gemeenten is het al enkele jaren moeilijk om het groeiend aantal leerlingen op te vangen. Om te zorgen dat elke leerling ook effectief naar school kan, subsidieert het ministerie van Onderwijs nu vanaf 2010 sommige projecten die specifiek bedoeld zijn om die capaciteitsproblematiek op te lossen.
Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer vroeg de minister naar een stand van zaken hierover. Gerealiseerde projecten zijn er voorlopig enkel in Vilvoorde, Gent, Brussel en Antwerpen, met een duidelijk overwicht voor Brussel en Antwerpen.
In 2010 werden alleen aan scholen in Vilvoorde, Brussel en Antwerpen subsidies toegekend. Vilvoorde kreeg 2,8% van het budget, Brussel 31,3% en Antwerpen 65,7%.
In 2011 werd het budget verdeeld onder Gent (4%), Brussel (81,2%) en Antwerpen (14,7%).

In september 2011 werden ook door de kleinere centrumsteden dossiers met uitbreidingsvoorstellen ingediend. Naast Gent en Antwerpen heeft ook de lokale taskforce van Asse, Mechelen, Roeselare, Sint-Niklaas en Leuven een subsidie aangevraagd voor uitbreiding van de capaciteit in de plaatselijke basischolen.
De gemeenten zijn ondertussen op de hoogte van het budget dat voor hun dossier voorzien is. In Sint-Niklaas gaat het b.v. over 1,4 miljoen euro. “Laten we hopen dat er dus ook in de centrumsteden nu echt iets gaat gebeuren,” stelt De Meyer, “want de problemen daar verdienen ook een oplossing, en dan spreken we nog niet over de vele landelijke gemeenten waar de capaciteitsproblemen toenemen. We mogen ons niet enkel op Antwerpen en Brussel concentreren. ”

Doortrekking tracé N41 Lebbeke-Aalst

In het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en het Provinciaal Ruimtelijk Structuurplan staat aangegeven dat een nieuwe secundaire wegverbinding tussen Aalst en Lebbeke dient te worden aangelegd. De definitieve vastlegging van het Provinciaal Ruimtelijk Uitvoeringsplan (PRUP) wordt in het najaar van 2012 voorzien.

Het voorgestelde tracé komt op het grondgebied van Aalst en Dendermonde overeen met de reeds onteigende percelen. In Lebbeke maakt de weg een “S-bocht” ter hoogte van Denderbelle. Die bocht werd nooit voorzien op eerdere plannen. Vandaar ook de bezorgdheid van de mensen die op of dichtbij dit nieuwe tracé wonen. Ook in de landbouwsector heerst hierover heel wat onrust. Vandaar de vragen van Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer aan Vlaams minister van Mobiliteit en Openbare Werken Hilde Crevits.

De minister antwoordde dat in het planmer-proces de tracés op hun impact op mens en milieu werden afgewogen. Het Agentschap Wegen en Verkeer (AWV) was vragende partij om het al onteigende tracé zoveel als mogelijk voor deze nieuwe weg aan te houden. De voornaamste reden waarom wordt afgeweken van het onteigende tracé – aldus minister Crevits – is het vrijwaren van de waterbergende capaciteit van dit gebied. Voor de rondweg omheen Gijzegem kunnen de al onteigende gronden worden aangewend.
In de beoordeling van de planmer werd als milderende maatregel opgenomen om de impact van het weerhouden tracé via een landbouweffectenrapport (LER) duidelijk in kaart te brengen. Dit rapport zal dan ook bij de verdere studie van het vastgelegde tracé in samenwerking met de VLM worden opgemaakt.

Naar flankerende maatregelen toe is er over gewaakt dat er geen voor landbouwgebruik onnuttige restruimtes ontstaan en zal ook het landbouweffectenrapport ingezet worden.

De betrokken gemeentes konden hun opmerkingen kenbaar maken bij het planmer en het PRUP. Tevens konden zij via een openbaar onderzoek hun advies aan de Provinciale Commissie voor Ruimtelijke Ordening kenbaar maken, aldus de minister.

Basisschool en topsport?

Sportbeoefening is goed voor het welbevinden, ook bij kinderen in de basisschool. Daarom probeert de Stichting Vlaamse Schoolsport vanuit het idee “sport voor allen” samen met de leerkrachten zoveel mogelijk jongeren “in beweging” te krijgen. De Vlaamse overheid maant hen daarbij aan om het competitie-element niet te veel te benadrukken. Vlaams parlementslid Jos De Meyer merkte in een vraag aan minister Smet van Onderwijs op dat er daarnaast ook effectief jonge topsportbeloftes geselecteerd worden van op de lagere school. Omdat de minister geen weet had van studies over de impact van zware topsportprogramma’s op het welzijn van kinderen, concludeert De Meyer na gesprekken met onderwijzers en voormalige topsporters dat men toch nog niet in het lager onderwijs moet starten met zware en gespecialiseerde trainingsschema’s. In de basisschool is “sport voor allen” een beter idee dan “alles voor de sport”.
__________

‘Tien jaar en dan al topsporter, dat is gewoon te zwaar’

Het topsportstatuut voor jonge kinderen moet grondig geëvalueerd worden. Dat eist Vlaams Parlementslid Jos De Meyer (CD&V). Op jonge leeftijd al uren per dag moeten trainen, zou te veel vergen van de kinderen. Is dat wel zo? De ouders van drie piepjonge topsporters getuigen.

Vlaams Parlementslid Jos De Meyer (CD&V) eist wetenschappelijk onderzoek en een grondige evaluatie van het topsportstatuut. ‘Dat is te zwaar en te veeleisend.’ Sinds 2005 kunnen niet alleen jongeren in het secundair, maar ook kinderen in het lager onderwijs een topsportstatuut aanvragen. Ze krijgen dan vrijstellingen van lessen om te gaan trainen. Zeven jaar geleden hadden 59 Vlaamse kinderen onder de 12 jaar zo’n statuut. Dit jaar zijn dat er al 120. Het gaat dan om beloftevolle talenten in turnen en tennis. “Een sportleraar maakte mij attent op de zaak”, zegt De Meyer. “Hij is erg pro competitiesport voor jonge kinderen, maar het topsportstatuut vond hij overdreven. Het is te zwaar en te veeleisend.” Toen na een parlementaire vraag bleek dat ook minister van Onderwijs Pascal Smet (sp.a) het antwoord schuldig moest blijven over de impact van topsport op kinderen, was voor De Meyer de maat vol. Hij eist wetenschappelijk onderzoek en een grondige evaluatie van het statuut. Sportpsycholoog Yves Vanden Auweele treedt De Meyer bij. “Mentaal zal de impact misschien nog meevallen, maar er zijn wel studies die aantonen dat de fysieke ontwikkelingen van kinderen in het gedrang komen door zo vroeg, zo veel te sporten.” Bovendien, zegt Vanden Auweele, is het nooit aangetoond dat de combinatie topsport en school haalbaar is. “Er is op geen enkele overtuigende manier bewijs geleverd dat die kinderen hetzelfde leren als andere kinderen”, zegt hij. “Je mag niet vergeten dat sportieve topprestaties en intellectuele capaciteiten niet altijd hand in hand gaan.” Volgens Vanden Auweele zijn het vooral de sportfederaties die al jong sporters willen selecteren. “Voor sommige sporten, zoals turnen, is dat te begrijpen”, zegt Vanden Auweele. “De meisjes in competitie zijn daar vaak maar een jaar of twaalf. Of het een goede zaak is, is iets anders. Maar voor sommige sporten heeft het zelfs geen enkel nut.” JENS LEJEUNE (11)

‘Zéér vroege beroepskeuze’

Hij werd moe van de intensieve ochtendtrainingen, West-Vlaming Jens Lejeune. Te moe. “Wat ziekjes eigenlijk. Beetje flauw op de benen”, zegt vader John. “Twee keer per week moest hij ’s ochtends trainen van 7.30 tot 9.30 uur ongeveer. Daarna pas naar school. Na een tijd werden de trainingen een last.” Gymnast Jens Lejeune heeft het topsportproject de wacht aangezegd. Zijn speciale statuut gaf hem recht op zes uur vrijstelling op school. Tijd om aan de brug met ongelijke leggers te bengelen, of te springen over de bok, niet om te blijven haperen aan de tafels van vermenigvuldiging. “Jens zag de ochtendtrainingen niet meer zitten, maar maakte wel flink vooruitgang”, vervolgt vader John. “Toch moest hij de zes uur opnemen van de federatie. Dat was er te veel aan. Het project is te veeleisend. Turnen blijft een hobby voor Jens, maar wie aan dit project deelneemt maakt eigenlijk een zéér vroeger beroepskeuze.” Dat zag mijn zoon niet zitten, een leven lang intensief turnen. “Hij zei me letterlijk: ‘Pa, ik wil ook gewoon een diploma. Dat was de druppel natuurlijk. De lat ligt wel héél hoog voor wat een hobby is en blijft.” Vroeger trainde Jens tot 16 uur per week. Nu is dat nog de helft. Hij is nog altijd gymnast, maar op zijn eigen ritme. Niet meer als topsporter. “Zaterdag neemt hij deel aan het Belgisch kampioenschap, op B-niveau. Een podiumplek zit erin. Als topsporter zou hij op A-niveau deelnemen, maar die tijd is dus voorbij.” ELLY DELAPLACE (9)

’19 uur per week trainen’

Volbloed turntalent: Elly Delaplace uit Poperinge. Amper negen jaar oud en al gymnaste sinds de derde kleuterklas. Moeder Eveline: “Elly heeft sinds twee jaar een topsportstatuut. Ze traint negentien uur per week, zes dagen op zeven. Soms ’s morgens én ’s avonds. Bij de ochtendtraining mist ze een paar uur les en gaat ze na de eerste speeltijd terug naar school.” Piepjong en een strak schema, nu al. Elly veranderde van school, noodgedwongen. Van Poperinge naar Brielen. Turnclub Valmertinge koos de school, omdat Brielen dicht bij de turnclub is gelegen. Moeder Eveline: “Na de les wacht de turncoach haar op om meteen naar de sporthal te trekken.” Het is dolle pret voor het kind, dat zegt ze zelf. “Ik wil turnster worden!” Maar moeder Evelien waakt ook over haar dochter. “Ze geniet er nu gewoon van. Zolang ze het niet zelf als enorm belastend of zwaar ervaart, is er geen probleem. Het aantal uren training werd overigens stelselmatig opgedreven. Van zes uur in het eerste leerjaar, tot twaalf uur in het tweede, tot negentien uur in het derde leerjaar.” De familie Delaplace gaat niet per definitie uit van een glanscarrière à la Aagje Vanwalleghem. Eveline: “Afwachten. Ze is nu alleszins nog blessurevrij. De weg is nog lang. Hoe dan ook hangt alles af van Elly. Heeft ze geen zin meer in het intensief sporten? Geen zin meer in gymnastiek? Dan eindigt het verhaal. Het is haar keuze.” VIKTOR SEMPELS (8)

‘Niet verplichten, wel stimuleren’

Het weekschema van tennisser Viktor Sempels uit Linden, bij Leuven. Maandag: drie uur training in de namiddag. Dinsdag: ochtendtraining. Woensdag: namiddagtraining. Zelfde verhaal op donderdag. Vrijdag voetbal en zaterdag nog extra tennis. Eivol. Dik tien uur tennis, inclusief conditietraining. Tien uur, voor een uk van acht. “Viktor tennist al sinds zijn vierde”, zegt moeder Cindy. “Hij viel meteen op, al beseft een kind dat natuurlijk niet.” Twee jaar al maakt Viktor gebruik van het topsportstatuut. Op vraag van VTV, de Vlaamse Tennisvereniging. “De jongen weet niet wat er allemaal gebeurt”, vervolgt Cindy. “Hij tennist gewoon zo graag. Zorgeloos. Wedstrijden, zich meten met de anderen. We verplichten hem niet tot het vele trainen, dat niet. Stimuleren, dat wel. Hij moet zijn talent zo goed mogelijk benutten. Het topsportproject helpt daar natuurlijk bij.” Hij heeft het wel eens zwaar, Viktor. Van al die fore- en backhands. “Soms”, zegt de mama. “In de winter, na de drukke toernooiweken. Maar de vermoeidheid duurt niet lang.” De jonge sporter wordt in de gaten gehouden door zijn ouders, maar ook door een conditietrainer. Cindy: “Soms gelasten we een trainingsweek af. Gewoon, omdat hij moet rusten. Je mag zo’n jongen niet opbranden. En vergeet niet: de school is nog altijd belangrijker. Viktor tennist nu goed, maar de kans dat het later écht iets wordt, is natuurlijk redelijk klein. Daar houden we rekening mee.” (De Morgen, Kim Herbots en Matthias Declercq)

Uitnodiging voordracht Yves Leterme – vrijdag 4 mei 2012

Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer en Confederatie Bouw Waasland nodigen u uit op vrijdag 4 mei om 20 uur in de Parketzaal van de gebouwen van Confederatie Bouw Waasland, Kleine Laan 29 te Sint-Niklaas (gratis parking)
voor een voordracht van de adjunct-secretaris-generaal van de Oeso de heer Yves Leterme, gewezen eerste minister, gewezen Vlaams minister-president over “de uitdagingen waar wij en onze economie voor staan”.
Daarna is er mogelijkheid tot korte vraagstelling.

Als afsluiter bieden wij u graag een receptie aan.

Inschrijven:

waasland@confederatiebouw.be of jos.demeyer@vlaamsparlement.be

vóór 27 april met vermelding van de
namen van de deelnemers.

– “De uitdagingen waar wij en onze economie voor staan” door Yves Leterme, gewezen eerste minister, gewezen Vlaams minister-president, adjunct-secretaris-generaal van de Oeso.

– Wat zijn de belangrijkste uitdagingen waarmede onze bedrijven de volgende jaren zullen geconfronteerd worden? Hoe kunnen onze bedrijven zich daar op voorbereiden? Wat zijn daarbij de kansen voor de bouwsector?

– Wereldwijd zullen in 2050 twee miljard mensen meer moeten gevoed worden, dit terwijl de bruikbare oppervlakte landbouwgrond nauwelijks kan toenemen.
Voor welke uitdagingen staan onze land- en tuinbouwers?

– Is Europa hierbij een bondgenoot?

Yves Leterme wordt ingeleid door Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer,
ondervoorzitter Vlaams Parlement.

Pasen…

… en meer nog dan
het tere groen,
belooft de geur van lente
nog ver en ijl,
een hoopvol, nieuw seizoen.
Er is een winter geweest,
en een herfst,
die sprakeloos waren van wanhoop
en angst –
en toch:
een hoopvol, nieuw seizoen.
Ik wacht op de kleuren,
de geuren, het groen.
Er wacht op mij een nieuw seizoen,
van warmte en liefde,
van nieuwe hoop.
Meer nog dan het tere groen,
belooft de geur van lente
een nieuw leven,
nieuwe moed.

Carine Noël

Reservatiestroken Grote Ring (R2) en N41 behouden?

Regering behoudt reservatiestroken.
De Vlaamse regering gaat de reservatiestroken voor de Grote Ring (R2) en de N41 voorlopig niet schrappen op het gewestplan.

Dat zeggen minister van Ruimtelijke Ordening Philippe Muyters (N-VA) en minister van Openbare Werken Hilde Crevits (CD&V) na een vraag van volksvertegenwoordiger Jos De Meyer (CD&V).

Die wilde weten of het zin had om deze reservatiestrook volledig te behouden en of het niet beter is om het tracé te versmallen. Zeker nu er een masterplan op tafel ligt voor de mobiliteit in Antwerpen en ook het voorstel van de Wase burgemeesters is aanvaard. Die stellen een kamstructuur met twee tangenten voor. Het gaat meer specifiek over een parallelweg langs de E34 en de E17 en de aansluiting ervan op de geplande parallelweg rond Zwijndrecht en een tangent E17 – N70 aan de oostkant van Sint-Niklaas in combinatie met een tangent N70 – E34 ter hoogte van Vrasene. Volgens de Vlaamse regering vormt het voorstel van de Wase burgemeesters geen alternatief voor de derde Schelde-oeververbinding. “Bovendien er nog geen duidelijkheid over het tracé van de tangent tussen de N70 en E34. Tot die tijd is het zinvol om de reservatiestrook te behouden.” Als er concrete plannen komen, wil de regering wél bekijken of het tracé geheel of gedeeltelijk geschrapt kan worden. Een soortgelijke vraag stelde Jos De Meyer over de reservatiestrook voor de N41 in Sint-Gillis-Waas en Stekene. Hier stelt de afdeling Wegen en Verkeer voor de situatie langs de N403 te bekijken na de sluiting van de Westelijke Tangent (eind dit jaar). “Indien de leefbaarheid langs de N403 niet in het gedrang komt, kan de procedure voor de schrapping of versmalling worden gestart”, laten beide ministers weten. In afwachting daarvan kan bij concrete knelpunten of problemen naar aanleiding van bouwaanvragen in deze reservatiestrook altijd overlegd worden met de afdeling Wegen en Verkeer. (Het Laatste Nieuws, Kristof Pieters)

Economische knooppunten en Herbevestigde Agrarische Gebieden

Jos De Meyer ondervroeg minister voor Ruimtelijke Ordening Philippe Muyters in de bevoegde commissie over de economische knooppunten en meer in het bijzonder over de mate waarin rechtszekerheid kan gegarandeerd worden voor Herbevestigde Agrarische Gebieden.

De minister antwoordde:
“Uw vraag raakt aan de essentie van wat ruimtelijk beleid is: het is het trachten te verenigen van vaak tegenstrijdige ruimteclaims. In uw vraag gaat het om het afwegen van vragen naar meer ruimte voor bedrijvigheid tegenover het beschermen van de legitieme vraag van de landbouwsector naar voldoende rechtszekerheid.
De omzendbrief van 2010, waarnaar u verwijst, is van toepassing voor alle gemeentelijke en provinciale planningsprocessen voor onder meer de uitbreiding van bedrijventerreinen in functie van de economische knooppunten. In essentie stuurt de omzendbrief aan op meer terughoudendheid bij gemeenten en provincies in verband met het aansnijden van herbevestigd agrarisch gebied.”

De Meyer onderstreepte zijn bezorgdheid voor de HAG’s. Hij stelt namelijk vast dat men vandaag bij de voorbereiding van de concrete uitwerking van bepaalde zones de natuurgebieden als harde grens beschouwt maar jammer genoeg niet altijd de HAG’s.


Vraag om uitleg van de heer Jos De Meyer tot de heer Philippe Muyters, Vlaams
minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport, over de
aanduiding van de economische knooppunten en de omzendbrief betreffende het
ruimtelijk beleid binnen de herbevestigde agrarische gebieden

De voorzitter: De heer De Meyer heeft het woord.
De heer Jos De Meyer: Voorzitter, minister, collega’s, op 16 februari 2011 bekrachtigde het
Vlaams Parlement de bindende bepalingen van de tweede herziening van het Ruimtelijk
Structuurplan Vlaanderen (RSV). Deze herziening hield een belangrijke en nodige
actualisatie in van een aantal kerncijfers uit het RSV, onder meer inzake demografie.
Daarnaast kwam ze ook tegemoet aan een aantal verzuchtingen op het terrein, bijvoorbeeld
de vraag van enkele gemeenten, onder meer in Oost-Vlaanderen, om als economisch
knooppunt erkend te worden.
Minister, we blijven dus nog altijd achter die vraag staan. Ik herinner me ook nog het debat
dat we gehad hebben over het economisch knooppunt Sint-Gillis-Stekene. Uw administratie
kwam tot de conclusie dat die gemeenten intussen dermate geëvolueerd waren dat ze
voldeden aan de criteria om erkend te worden als economisch knooppunt. Een erkenning als
economisch knooppunt opent onder meer perspectieven voor de ontwikkeling van meer
bedrijventerreinen. Nieuwe bedrijventerreinen moeten uiteraard gezocht worden in gebieden
die vandaag een andere bestemming hebben. Veelal komt men dan terecht bij de agrarische
gebieden. Ook rond agrarische gebieden, en dan meer specifiek de herbevestigde agrarische gebieden, hebt u reeds inspanningen gedaan. U versterkte en verduidelijkte de voorwaarden
waaronder reeds eerder herbevestigde agrarische gebieden toch voorwerp kunnen worden van
een herbestemming in uw omzendbrief. Ik citeer: “(…) betreffende ruimtelijk beleid binnen
de agrarische gebieden waarvoor de bestaande plannen van aanleg en ruimtelijke
uitvoeringsplannen herbevestigd zijn”. Tevens geeft deze omzendbrief ook een duidelijk
maatschappelijk signaal dat herbevestigd agrarisch gebied steeds afdoende gecompenseerd
moet worden.
Minister, komen alle mogelijke gebiedsbestemmingen in aanmerking voor een
bestemmingswijziging naar bedrijventerrein in het kader van de economische knooppunten?
Zal de omzendbrief volledig van toepassing zijn op de planningsprocessen met betrekking tot
de economische knooppunten? Biedt de omzendbrief voldoende waarborgen voor het behoud
van de herbevestigde agrarische gebieden, of zou dit beter decretaal gebeuren zoals
sommigen zeggen? Op welke manier garandeert dit dan een evenwichtige benadering van de
noodzakelijke herbestemmingen? In welke tijdsspanne denkt u dat die bestemmingswijzigingen
in functie van de economische knooppunten kunnen worden verwacht?
De voorzitter: Minister Muyters heeft het woord.
Minister Philippe Muyters: Voorzitter, het is een heel goede vraag, die naar de essentie van
de zaak gaat. U vraagt: hoe ga je trachten om vaak tegenstrijdige ruimteclaims met elkaar te
verzoenen? Je kunt natuurlijk altijd proberen om de zee te dempen of op kruistocht te gaan en
grond te veroveren, maar dat is niet meer van deze tijd. Het is geen evidente oefening maar
een evenwichtsoefening, want de ruimtelijke ordening volgt en stuurt tegelijk
maatschappelijke en economische evoluties. Eenvoudig is dat zeker niet. Laat me nu het
filosofische gedeelte niet voortzetten maar naar de concrete vragen gaan.
Het is zeker niet bepaald welke bestemmingen al dan niet in aanmerking komen voor een
bestemmingswijziging naar bedrijventerrein bij economische knooppunten. In principe
kunnen alle bestemmingen in aanmerking komen om omgezet te worden in
bedrijventerreinen. Ik wil het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV) ernaast leggen
waar de oppervlakte agrarisch gebied verminderd wordt tot 750.000 hectare. Dat maakt dat in
de praktijk heel vaak voor bestemmingswijzigingen wordt gezocht naar agrarisch gebied. Dat
is de realiteit.
U verwijst in uw vraag naar de omzendbrief uit 2010. Die omzendbrief steunt op een
beslissing van de Vlaamse Regering van 3 juni 2005, waarin het kader is vastgelegd voor het
gewestelijk beleid dat de Vlaamse Regering toentertijd ten aanzien van mogelijke
gewestelijke planningsinitiatieven in de herbevestigde agrarische gebieden wilde voeren.
Deze beslissing van de Vlaamse Regering is nog altijd de basis en blijft onverkort van kracht.
De omzendbrief van 2010 is van toepassing voor alle gemeentelijke en provinciale
planningsprocessen. De bedoeling was vooral onder meer te kijken waar uitbreiding nodig
was van bedrijventerreinen in functie van de economische knooppunten. In essentie stuurt de
omzendbrief aan op iets meer terughoudendheid bij gemeenten en provincies als men eraan
denkt om herbevestigd agrarisch gebied te gaan aansnijden. Mijn vraag is uitdrukkelijk om
goed uit te kijken wat men doet. De omzendbrief heeft de bedoeling er echt over te laten
nadenken voor men dat doet en om de gemeenten en provincies te stimuleren om ook te
kijken naar de mogelijkheden van bijvoorbeeld de planologische ruil en een reflectie over een
passend flankerend beleid voor de landbouwbedrijven. Dit alles leidt volgens mij tot een
betere bewustwording bij de plannende overheden van de problematiek en van de
mogelijkheden om de tegenstellingen tussen enerzijds meer bedrijventerreinen en anderzijds
het behoud van een leefbare landbouw, te overbruggen.
Via de advisering en de goedkeuringsprocedures kunnen wij over de toepassing van de
omzendbrief waken. De ruimtelijke planprocessen zijn trouwens per definitie integrale
processen: de vragen van alle sectoren worden er gelijktijdig aan elkaar afwogen. Dat gebeurt
op maat van het betrokken gebied en in nauw overleg tussen alle betrokken actoren.
Commissievergadering 12 nr. C181 – LEE27 (2011-2012) – 27 maart 2012
De omzendbrief draagt daarmee bij tot een meer evenwichtige afweging van de verschillende
ruimteclaims. Het blijft natuurlijk een omzendbrief, zoals u hebt gezegd. U had dat
oorspronkelijk niet in de vraag naar voren gebracht maar u zei nu heel uitdrukkelijk: is dat
wel genoeg, moeten we dat niet decretaal verankeren? Ik wil de commissie er toch op wijzen
dat mijns inziens en met de geschiedenis voor ogen, het van weinig behoorlijk bestuur zou
getuigen om de juridische draagwijdte van de herbevestigde agrarische gebieden drastisch te
wijzigen en decretaal te verankeren. Naar men mij heeft gezegd, heeft de Vlaamse Regering
op het moment dat over de kaarten werd gepraat, de garantie gegeven aan de lokale besturen
dat ze over de nodige beleidsruimte zouden beschikken voor de lokale planningstaken binnen
de herbevestigde agrarische gebieden. Men zegt me dat op het moment dat die beslissing is
genomen, het vrij grote lijnen waren waarbij we het initiatief dicht bij de bevolking willen
leggen, dicht bij het plaatselijk bestuur. Zij zijn het best geplaatst om te zien wat er kan of
wat er niet kan. Dat is de strategie die ikzelf, zeker in Ruimtelijke Ordening, naar voren
breng. Het zou me verbazen mocht u daartegen zijn
Tot slot wil ik nog iets zeggen over de voorziene timing van de bestemmingswijzigingen op
basis van de bijzondere economische knooppunten. U weet dat we die hebben aangeduid
vanwege de aanwezige concentratie van economische activiteiten. Het uitgangspunt was te
bekijken wat er al is en of we daar meer concentratie zouden kunnen verwezenlijken. We
hebben ze ook aangeduid vanwege de potenties die regionale bedrijventerreinen in het kader
van een aanbodbeleid zouden kunnen hebben.
De selectie is een startpunt van een gebiedsgericht en geïntegreerd onderzoeks- en
overlegproces om de concrete ontwikkelingsmogelijkheden te onderzoeken. De Vlaamse
Regering is bevoegd voor Meise-Westrode. De andere bijzondere economische knooppunten
zijn de bevoegdheid van de provincies. Als je de selectie bekijkt als een startpunt van het
proces, is het moeilijk om in te schatten hoe snel die bestemmingswijzigingen zullen worden
doorgevoerd. Waar we staan in het plan van aanpak voor de ontwikkeling van Meise-
Westrode en welke stappen we zetten, heb ik zojuist gezegd. Bij de andere plannen moeten de
vragen op provinciaal niveau worden gesteld.
De voorzitter: De heer De Meyer heeft het woord.
De heer Jos De Meyer: Minister, ik dank u voor het uitgebreide en genuanceerde antwoord.
Ik veronderstel dat we de schriftelijke neerslag van uw antwoord mogen ontvangen zodat we
dat rustig kunnen bestuderen.
Ik ben het volledig met u eens als u zegt dat dat planningsproces een moeilijk proces is en een
delicate evenwichtsoefening, waarbij we met vele factoren rekening moeten houden. Ik weet
ook dat als je bijkomende bedrijvenzones wilt creëren, je naar de open ruimte moet.
Anderzijds wil ik mijn bezorgdheid voor de herbevestigde agrarische gebieden onderstrepen
omdat ze in een heel specifieke situatie zitten, met – terecht – een bijzonder
verwachtingspatroon, zowel bij de eigenaars als bij de gebruikers. We hebben daar een hele
procedure aan laten voorafgaan, alvorens ze dit statuut hebben gekregen. Daarom krijg je
soms vragen zoals ik ze daarnet heb geformuleerd.
Wat een aantal mensen wat verontrustte en wat mede de aanleiding was van mijn vraag, is dat
bij de concrete uitwerking voor bepaalde van deze zones alles wat natuurgebieden betreft,
onmiddellijk als een zeer harde grens wordt aanzien. Wat betreft de herbevestigde agrarische
gebieden, als die een hoge waardering krijgen binnen de vijf onderscheiden
waarderingsklassen, op basis van bodemgeschiktheid, bemestingsnormen, perceelskenmerken
en bedrijfskenmerken, zou je mogen verwachten dat ze ook een harde grens vormen. Als dat
in de documenten die nu circuleren, niet het geval is, is er een reële bezorgdheid, minister, dat
weet u zelf ook. Ik wilde dit even meegeven omdat misschien in de gesprekken en discussies
die er zullen zijn, nog kan worden gewezen op de bedoeling van uw omzendbrief, zoals u nu
hebt uitgelegd.
U zegt terecht dat wat je dicht bij de burgers kunt beslissen, niet op een hoger niveau moet
worden getild. Anderzijds is het wel goed dat de filosofie van het beleid dat hier wordt
uitgestippeld, effectief wordt gerespecteerd. Dat was eigenlijk de bedoeling van mijn vraag.
De voorzitter: De vraag om uitleg is afgehandeld.

__________

Vooral landbouw verliest gronden aan nieuwe bedrijven

Jos De Meyer (CD&V) stelt vast dat bij de ontwikkeling van nieuwe bedrijventerreinen natuurgebied onaangeroerd blijft terwijl hetzelfde “jammer genoeg” niet geldt voor herbevestigd agrarisch gebied (HAG). “In de praktijk wordt bij bestemmingswijzigingen vaak gezocht naar agrarisch gebied”, geeft minister Muyters toe, “maar er is wel een omzendbrief die gemeenten en provincies aanmaant tot terughoudendheid bij het aansnijden van HAG.”

Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer ondervroeg minister van Ruimtelijke Ordening Philippe Muyters in de bevoegde commissie van het Vlaams Parlement over de economische knooppunten en meer in het bijzonder over de mate waarin rechtszekerheid kan gegarandeerd worden in herbevestigd agrarisch gebied. “Wanneer gemeenten erkend worden als economisch knooppunt opent dat perspectieven voor de ontwikkeling van bedrijventerreinen. Veelal zoekt men de ruimte daarvoor in agrarisch gebied”, aldus De Meyer.

Volgens Muyters raakt de vraag aan de essentie van wat ruimtelijk beleid is: vaak tegenstrijdige ruimteclaims met elkaar proberen te verzoenen. “Bij de zoektocht naar ruimte voor bedrijventerreinen voor gemeenten met de nieuw verworven status van economisch knooppunt is niet bepaald welke gebieden in aanmerking komen”, aldus de minister. “Gelet op het ruimtelijk structuurplan Vlaanderen dat de oppervlakte agrarisch gebied vermindert tot 750.000 hectare wordt in de praktijk heel vaak naar landbouwgrond gezocht voor bestemmingswijzigingen.”

“De lokale besturen moeten wel goed nadenken vooraleer ze dat doen”, verzekert Muyters. Hij verwijst daarvoor naar een omzendbrief van 2010 die aanstuurt op meer terughoudendheid bij gemeenten en provincies in verband met het aansnijden van herbevestigd agrarisch gebied. Tegelijk stimuleert de omzendbrief om ook te kijken naar de mogelijkheden van planologische ruil en na te denken over flankerende maatregelen voor de getroffen landbouwbedrijven.

Dit alles leidt volgens de minister tot een betere bewustwording van de problematiek bij de plannenmakers. “Het toont ook de mogelijkheden om de tegenstelling te overbruggen tussen enerzijds meer bedrijven en anderzijds het behoud van een leefbare landbouw.” Via adviezen en goedkeuringsprocedures waakt de hogere overheid naar eigen zeggen over de toepassing van de omzendbrief. De omzendbrief decretaal verankeren, vindt Muyters geen goed idee, omdat lokale besturen het best geplaatst zijn om te zien wat kan of niet kan. (Vilt)