Bedrijfsstages voor leerkrachten komen moeizaam van de grond

Tijdens het voorbije schooljaar zijn in het Vlaamse onderwijs geen proefprojecten georganiseerd waarin een leraar op bedrijfsstage ging terwijl de leerlingen ondertussen vervangende didactische activiteiten aangeboden kregen door een externe organisatie. Dat meldde minister Smet van Onderwijs aan Vlaams parlementslid Jos De Meyer.
Met zulke stages en didactische activiteiten wil de Vlaamse regering ondernemerschap en ondernemingszin via het onderwijs stimuleren.
Het Actieplan Ondernemerschapsonderwijs werd al in oktober 2011 aangekondigd, en de bedrijfsstages met vervangende activiteiten voor de leerlingen zijn wel degelijk bedoeld voor het huidige schooljaar: ze moeten plaatsvinden tussen 15 november en 15 juni.
Op dit ogenblik is echter nog niet bekend welke organisaties de didactische activiteiten over ondernemerschap zullen aanbieden, want de opdracht is nog niet gegund. De scholen hebben dus ook nog geen informatie ontvangen over de manier waarop een en ander kan worden georganiseerd.
Voor de scholen is dit een heel onduidelijke situatie, vindt De Meyer. Moeten ze een leerkracht voorzien om die didactische activiteiten door externen te begeleiden? Moeten ze die leerkracht betalen met de werkingsmiddelen? Sinds september 2012 zijn de vervangingseenheden voor leraars op bedrijfsstage immers afgeschaft. Zullen de didactische activiteiten een volwaardige vervanging zijn voor de lessen van de leerkracht die afwezig is?
De planning van de minister houdt bovendien weinig rekening met de schoolkalender. Als de scholen nu nog niet geïnformeerd zijn, betekent dat concreet dat de organisatie van zo’n project pas na de kerstvakantie kan starten, in het tweede semester. De leerlingen van de derde graad beroeps- en technisch onderwijs, waarschijnlijk de belangrijkste doelgroep, zijn in die periode vooral bezig met het werken aan hun geïntegreerde proef. Een project over ondernemerschap zou daarin kunnen passen, maar het pas in die periode van het jaar aankondigen getuigt minder van planmatig werken.

Geen meester met de juiste master?

Ons onderwijs heeft duidelijk te weinig leraren met een masterdiploma die opgeleid zijn in het vak dat ze moeten onderwijzen. Dat blijkt uit de cijfers die minister Smet van Onderwijs bezorgde aan Vlaams parlementslid Jos De Meyer in antwoord op zijn vraag daarover.

Vooral in de derde graad van het secundair onderwijs, waar de vakinhouden het meest diepgaand en gespecialiseerd zijn, is het aantal leerkrachten met het meest passende diploma (het “vereiste” of VE bekwaamheidsbewijs) verhoudingsgewijs het laagst. Vooral als het gaat om vervangingsopdrachten doen de scholen vaak een beroep op leerkrachten met een andere specialiteit dan de vacature. Vaak gaat het om mensen met een “voldoend geacht” (VO) diploma voor de opdracht, maar geregeld worden ook mensen met een “ander” (AND) bevoegdheidsbewijs aangesteld. Een aanstelling met een “andere” bevoegdheid is hoe dan ook beperkt in de tijd, en de betrokken leraars kunnen nooit een vaste benoeming verwerven in hun opdracht.Toch zijn op dit ogenblik meer dan 12% van de leraars in de derde graad van het beroepsonderwijs aangesteld met zo’n “ander” diploma.

Een mogelijke verklaring zou zijn dat de school ervoor kiest om kortere vervangingen te laten invullen door mensen die al op school werken, door overuren of door deeltijdse leraars een bijkomende opdracht toe te vertrouwen, maar die verklaring klopt volgens De Meyer niet: uit het arbeidsmarktrapport 2011 over het onderwijs blijkt immers dat slechts voor 19% van de interims uit het secundair onderwijs ingevuld wordt door het aanvullen van deeltijdse opdrachten.

Het arbeidsmarktrapport geeft voor de volgende vier jaar een arbeidsmarktreserve aan van 2456 leerkrachten secundair onderwijs. Het lijkt er dus op dat het lerarentekort voorlopig enkel in de basisscholen bestaat, maar dat klopt niet. Het aandeel leraren met een “vereist” diploma daalt immers al tien jaar. Het is moeilijk masters met het juiste diploma te vinden voor de taken waar we ze meest nodig hebben, besluit De Meyer, en zorgen dat ze de school niet verlaten na een zwerftocht van korte interimbetrekkingen wordt ook een probleem. Het is dus dringend nodig om hier iets aan te doen, en binnen het loopbaandebat dat nu van start gaat moet het een belangrijk thema worden.

Strategisch plan bevers

Een beverdam kan een overstroming veroorzaken. Wie daardoor schade lijdt, kan financiële compensatie krijgen via het Soortenschadebesluit van 3 juli 2009, antwoordde minister Schauvliege op een vraag daarover door Vlaams parlementslid Jos De Meyer.

Verder stelde de minister: “Het strategisch plan om voor de bever een visie en maatregelen uit te werken met het oog op het milderen en /of vermijden van hun maatschappelijke impact is momenteel volop in ontwikkeling en dit gebeurt in nauw overleg met de beheerders van de onbevaarbare waterlopen en andere belanghebbenden van het buitengebied.”

Jos De Meyer zal binnen enkele maanden de minister vragen hoe dit plan er effectief uitziet.

TIVOLI op school

Onze scholen maken steeds meer gebruik van de mogelijkheid om personeelsleden aan te stellen met geld uit de werkingsmiddelen, antwoordde minister Smet van onderwijs op een vraag daarover door Vlaams parlementslid Jos De Meyer. Ze kunnen dat doen om iemand met een deeltijdse opdracht extra taken te geven, of om een personeelslid met een tijdelijk project aan de slag te houden tussen twee vervangingsopdrachten.

Dat zogenaamde “Tivoli-“ systeem wordt meestal gebruikt voor kleinere opdrachten. Omgerekend naar fulltime-equivalenten wordt duidelijk dat het systeem steeds populairder wordt. In 2001 rekende men met 274,72 fulltime-equivalenten, dat aantal is ondertussen opgelopen tot 453,23 in 2012. Oorspronkelijk kon het Tivoli-systeem enkel gebruikt worden in de basisscholen, maar onderwijsdecreet XXII maakt het ook mogelijk in andere onderwijsniveaus en –vormen.

OMVORMING van AGIOn

In het gemeenschapsonderwijs is de overheid zelf direct verantwoordelijk voor de schoolgebouwen, in het gesubsidieerde onderwijs is dat een bekommernis van de schoolbesturen. Die schoolbesturen kunnen voor subsidies van hun bouwleningen aankloppen bij AGIOn, het Agentschap voor Infrastructuur van het Onderwijs (AGIOn). Om de schoolbesturen zelf ook te kunnen betrekken bij het beleid over infrastructuur, was het belangrijk dat ze ook in AGIOn vertegenwoordigd konden worden. Dat kon door AGIOn van een intern verzelfstandigd agentschap (IVA) om te vormen tot een extern verzelfstandigd agentschap. Op 31 maart 2011 keurde het Vlaams Parlement een motie van Jos De Meyer hierover goed, en op 7 november 2012 werd het decreet hierover goedgekeurd.

In de bespreking noemde de voorzitter van de commissie Onderwijs Jos De Meyer terecht de geestelijke vader van het ontwerp van decreet dat de koepels van inrichtende machten een plaats geeft in de raad van bestuur.

Meer informatie daarover is te lezen in de handelingen van het Vlaams Parlement http://www.vlaamsparlement.be/Proteus5/showJournaalLijn.action?id=731581