“De grenzen van het huidig systeem om de capaciteitsproblemen aan te pakken, zijn bereikt!”

Tussenkomst van Vlaams Volksvertegenwoordiger Jos De Meyer in het actualiteitsdebat over de capaciteitsproblemen in de plenaire zitting van 30 januari 2013.

Collega’s,

Reeds jaren vraag ik meer aandacht voor het probleem van de schoolinfrastructuur.

Uit de prognose van het Federaal Planbureau van de demografische evolutie in Vlaanderen blijkt dat het aantal kinderen op de leeftijd van kleuters en leerlingen lager onderwijs met gemiddeld 16% stijgt over de periode van 2005 tot 2020.
Daarbij stellen we in een aantal stadskernen bovenop die gemiddelde demografische evolutie een herbevolking vast van de stedelijke kernen.

De capaciteitsproblematiek was in 2010 al (min of meer) acuut in vijf steden:
Antwerpen, Gent, Halle, Vilvoorde en Brussel.

In 2011 werden 29 gemeenten bevraagd, dit wil zeggen de vijf steden die eerder al aan bod kwamen en 24 “nieuwe” kandidaten.

In 2011 werden capaciteitsmiddelen toegewezen aan Brussel, Gent en Antwerpen.
In 2012 werden door de Vlaamse Gemeenschap middelen vrijgemaakt voor capaciteitsinvesteringen in Brussel, Antwerpen, Gent, Mechelen, Leuven, Roeselare en Sint-Niklaas.

Sinds 2012 wordt onderkend dat de problematiek zich niet beperkt tot die 29 gemeenten. Uit de beschikbare prognoses blijkt dat we over heel Vlaanderen
geconfronteerd zullen worden met een te kleine onderwijscapaciteit in verhouding tot het aantal kandidaat-leerlingen voor het basisonderwijs, maar de problematiek stelt zich wel scherper in de stedelijke centra.

Op het lokale niveau werden de betrokken gemeenten aangespoord om een Lokale
Tasforce (LTF) op te richten.

Naast de lokale werd ook een Centrale Taskforce (CTF) opgestart in opvolging van de maatregelen met betrekking tot de capaciteitsproblematiek.

De CTF zal vanaf 2013 ook effectief moeten beslissen over de goed te keuren
investeringsdossiers. De voorgaande jaren was dit probleem niet aan de orde omdat er geen sprake was van een overbevraging van het systeem. Nu wel.
De periode van 2010 tot 2012 werd gekenmerkt door een opeenvolging van ad hocoplossingen per jaar. Lokale Taskforces dienden lijsten met investeringsdossiers in om tegemoet te komen aan de capaciteitsproblematiek in hun gemeenten. De minister van Onderwijs zocht en vond via de begrotingscontrole elk jaar extra geld ten belope van de gevraagde te subsidiëren/te financieren bedragen.

De evolutie van de capaciteitsmiddelen over de laatste jaren vertoont duidelijk een
stijgende trend:
2010 12.000.000 EUR
2011 26.200.000 EUR
2012 31.100.000 EUR

Het is duidelijk dat het gebrek aan zekerheid over de te besteden middelen een ernstige rem was op een duurzame en breed gedragen oplossing voor de
capaciteitsproblematiek. Tot 2012 was de aanpak fragmentarisch.
Het algemene aanvoelen is dat de grenzen van dit systeem bereikt zijn.

Het is bijzonder nuttig om te monitoren wat er met de capaciteitsmiddelen van de voorgaande jaren specifiek gebeurd is, alsook om de evolutie van de capaciteit per instelling en per vestigingsplaats in de capaciteitsregio’s in kaart te brengen.

Momenteel wordt getracht, in moeilijke budgettaire omstandigheden, om binnen de
Vlaamse Regering meer geld vrij te maken.

Het hele capaciteitsverhaal moet bekeken worden tegen de achtergrond van de enorme achterstand die de Vlaamse Regering opgelopen heeft in de goedkeuring van subsidieaanvragen voor investeringen in schoolinfrastructuur.

Om duurzame oplossingen te vinden in het verhaal van de scholenbouw is het essentieel dat men vermijdt oplossingen te kiezen met een substantieel kortere levensduur of met een te grote overheadkost.

In een schaarsteperiode moeten middelen zo efficiënt mogelijk ingezet worden in het
licht van een duurzame langetermijnvisie.

De werkingstoelagen in het vrij gesubsidieerd onderwijs zijn amper toereikend om een investering betaald te krijgen die aan 60% of 70% door de Vlaamse Gemeenschap gesubsidieerd wordt.
De zwakke financiële basis van het vrij gesubsidieerd onderwijs is een algemeen gegeven en een handicap in de capaciteitsuitdaging.

Capaciteit zal geen louter (groot)stedelijk probleem blijven. Er worden ook
capaciteitsproblemen in andere gemeenten gesignaleerd: Sint-Katelijne-Waver, Wervik, Herent, Oudegem, Tielrode en andere.

Als we de toestand niet onder controle houden, dan dreigt een scholenbouw op twee snelheden te ontstaan met goed bediende scholen in capaciteitsregio’s en verpauperde scholen met verouderde gebouwen op het platteland. Dat kan niet de bedoeling zijn.
Een verhoging van het budget voor onderwijsinfrastructuur is dan ook onafwendbaar.

Waar – in het kader van de brede school of met andere sectoren van de samenleving – synergiën mogelijk zijn, moeten deze zeker onderzocht worden om kosten te besparen of om de middelen efficiënter in zetten. Huur of andere creatieve formules die mede afhankelijk zijn van de specificiteit van de scholen mogen zeker niet uitgesloten worden.

De leerlingen die nu in het basisonderwijs vragen om bijkomende plaatsen en daar ook correct versneld bediend worden, zullen binnen enkele jaren het basisonderwijs verlaten en doorstromen naar het secundair onderwijs. Hoe organiseren we ons om te vermijden dat zich daar eenzelfde probleem stelt als nu in het basisonderwijs?

Voor complexe problemen bestaan er geen eenvoudige oplossingen.
De Vlaamse Regering moet dringend een visie hebben hoe ze de problematiek van de schoolinfrastructuur en capaciteitsproblemen op korte en lange termijn wil aanpakken en met welke financiële middelen.

“Dorpen in verandering”

Dorpen in Nederland en Vlaanderen zijn voortdurend in verandering. Onderzoek en beleid doen vaak weinig recht aan de veranderende realiteit in dorpen. Machtige beelden uit het verleden verhinderen zowel bij onderzoekers als beleidsmakers het zicht op het heden. Hierdoor biedt beleid veelal onvoldoende perspectief om in te spelen op nieuwe ontwikkelingen en kansen die zich voordoen.

Professor Frans Thissen, gastdocent aan de afdeling Geografie, Planologie en Internationale Ontwikkelingsstudies van de Universiteit van Amsterdam gaf in de commissie Landbouw, Visserij en Plattelandsbeleid van woensdag 23 januari een toelichting over het plattelandsbeleid.

Pb – Secundair onderwijs moet dringend aansluiten op maatschappelijke noden

Hoewel de tewerkstellingsmogelijkheden van sommige studierichtingen zeer goed zijn, trekken ze toch weinig leerlingen aan. Dat blijkt uit de cijfers die Vlaams parlementslid Jos De Meyer opgevraagd had bij minister Smet van Onderwijs. “De bezettingsgraad voor nijverheidstechnische richtingen ligt voor alle netten laag,“ stipt de minister zelf aan, terwijl studierichtingen met component ‘dierenzorg’ of ‘lichamelijke opvoeding en sport’ wel zeer veel leerlingen hebben.
Uit een vergelijking van de cijfers van schooljaren 2010-2011 en 2011-2012 blijkt een zeer kleine daling van de gemiddelde aantallen leerlingen per studierichting. In het gemeenschapsonderwijs hadden de vier afstudeerrichtingen van het secundair onderwijs met component Grieks vorig schooljaar slechts een gemiddelde van 1 tot 2,2 leerlingen per leerjaar per school. Uiteraard betekent dat niet dat die kleine groepjes apart les krijgen, in de schoolse organisatie werkt men voor veel schoolvakken al langer met samenzettingen van verschillende groepen.
In Vlaanderen bestaan veel verschillende studierichtingen. In het kunstonderwijs (KSO) bestaan 20 richtingen in de derde graad, niet allemaal even druk bezet. De derde graad ‘dans’ heeft gemiddeld 19 leerlingen per school, allemaal in het gemeenschapsonderwijs, de derde graad ‘modern ballet’ gemiddeld slechts 1, in het officieel gesubsidieerd onderwijs. Het algemeen vormend onderwijs (ASO) heeft 23 afstudeermogelijkheden, het beroepsonderwijs (BSO) 121 en het technisch onderwijs (TSO) 109. Zijn die allemaal nodig? Is het zinvol om in het technisch onderwijs een onderscheid te maken tussen “textiel- en chemische technieken (gemiddeld 1 leerling per school per graad), “textiel-en designtechnieken” en “textielproductietechnieken”? Over heel Vlaanderen hadden die drie studierichtingen samen slechts 18 leerlingen in het vijfde jaar in schooljaar 2010-2011.
Het is natuurlijk belangrijk om in de opleiding accenten te kunnen leggen, maar De Meyer vraagt zich af of de huidige veelheid aan afstudeerrichtingen en opsplitsingen wel helder en zinvol is, en of het nodig is om het aanbod in elke school zo ruim mogelijk te maken. Het gemeenschapsonderwijs had vorig schooljaar gemiddeld 1 leerling per school in het 7e specialisatiejaar “decor en standenbouw”.
Om kijk te krijgen op de tewerkstellingskansen had De Meyer bij minister Muyters opgevraagd welke opleidingen vaakst voorkomen bij langdurig werklozen. Die gegevens bevestigen zoals verwacht dat laaggeschooldheid een grote risicofactor is voor werkloosheid, maar ook dat wie niet wil verder studeren na het secundair onderwijs best een diploma technisch of beroepsonderwijs in handen heeft. Een humanioradiploma zonder vervolgstudies levert geen goede startpositie op voor de arbeidsmarkt, en ook sollicitanten die na de tweede graad afgehaakt hebben, maken geen goede beurt, zelfs al komen ze uit het technisch of beroepsonderwijs. Het diploma secundair is dus echt wel nodig.
Binnen de groep afgestudeerden uit technisch en beroepsonderwijs zijn er nog grote verschillen qua tewerkstellingskansen. Die hangen voor een groot deel samen met de knelpuntberoepen, maar toch niet helemaal. Over het algemeen is er weinig kans op werkloosheid na een opleiding die voorbereidt op beroepen in de zorgsector, maar toch is er een groot aantal langdurige werklozen met een diploma beroepsonderwijs “verzorging”. Opleidingen in het beroepsonderwijs die voorbereiden op verkoop of administratie zijn zeker geen garantie op werk, en dat geldt ook voor de derde graad technisch onderwijs handel of secretariaat-talen. Misschien verwacht men voor administratieve functies op de meeste bedrijven een bachelorniveau.
Nijverheidsgerichte studies in het secundair onderwijs zijn over het algemeen ook een garantie op werk, maar ook niet allemaal: bso schilderwerk en decoratie of houtbewerking is een minder goede toegang tot de arbeidsmarkt dan bso kunststofverwerking.
Tewerkstelling hangt dus zeker niet enkel samen met de vooropleiding, maar het is toch duidelijk dat bepaalde opleidingen beter dan andere voorbereiden op de arbeidsmarkt, en we weten ook dat de maatschappij aan sommige afgestudeerden meer nood heeft dan aan andere. De grote herstructurering van het secundair onderwijs zal tijdens deze legislatuur allicht niet afgewerkt worden, maar dat betekent niet dat noodzakelijke aanpassingen mogen worden uitgesteld. Het aanbod aan studierichtingen in het secundair onderwijs moet voldoende groot zijn, maar ook helder en overzichtelijk. Bovendien moeten we nagaan hoe de aansluiting op de maatschappelijke noden verzekerd kan worden. Dat impliceert een herwaardering van technisch en beroepsonderwijs op hoog nivieau. Het is noodzakelijk om hiervoor nog deze legislatuur de nodige stappen te zetten, maar dan moet minister Smet er nu dringend en prioritair werk van maken, aldus Vlaams parlementslid Jos De Meyer. Zoals het nu is, lijken de benaming en het image van de studierichtingen in de keuze van de leerling belangrijker dan tewerkstellingsmogelijkheden of maatschappelijk nut, en dat is niet de bedoeling.
__________

Secundair volstaat niet voor kantoorjob

Met alleen een diploma secundair vind je niet gauw een baan. Zeker niet als je een richting tso of beroeps volgde die afstemde op een kantoorjob.

BRUSSEL Hooguit een diploma lager onderwijs. Secundair onderwijs niet afgemaakt. Een diploma van een richting uit tso en bso die op een kantoorjob mikt. Een diploma van de aso-richtingen economie/talen of humane wetenschappen.

Wie daaraan beantwoordt, maakt veel kans om hoog te eindigen in de lijst Vlamingen die langer dan een jaar werkloos zijn(zie grafiek) . Dat blijkt uit VDAB-cijfers die Vlaams parlementslid Jos De Meyer (CD&V) kreeg van de minister van Werk, Philippe Muyters (N-VA).

Enige reserve is op zijn plaats. Het gaat om absolute aantallen. Dat betekent dat we niet weten hoe groot het percentage werkzoekenden is van alle mensen met het betreffende (gebrek aan) diploma. Die gegevens kan de VDAB (nog) niet bezorgen.

Het enige waar we mee kunnen vergelijken, is het aantal mensen dat zich in 2012 aanbood bij de VDAB. Dat waren er 204.437 in totaal. Van hen hadden er 48.958 een diploma lager onderwijs of eerste graad secundair (zowat 24 procent), 42.434 (20 procent) hadden hun secundair niet afgemaakt en 69.619 (34 procent) bezaten hoogstens een secundair diploma.

De lijst met studierichtingen vindt u in de grafiek. Niet-afgemaakte secundaire richtingen staan daar niet in. In die categorie vinden we de grootste aantallen bij de mensen die afhaakten na de tweede graad (derde en vierde jaar) mechanica-elektriciteit en mode.

Het is geen nieuws dat wie laaggeschoold is, meer kans maakt om in de werkloosheid te belanden. Maar de uitsplitsing per studierichting verrast De Meyer toch. ‘Opvallend is dat je zoveel langdurig werkzoekenden terugvindt bij de afgestudeerden uit de administratieve richtingen uit het technisch en het beroepsonderwijs. Kantoor, handel. Die zijn toch afgestemd op de arbeidsmarkt? Voor dat soort banen verkiezen de werkgevers kennelijk een bachelordiploma hoger onderwijs. Tegelijk zie je dat wie een aso-diploma heeft ook beter voortstudeert dan naar werk gaat zoeken.’

Nijverheidstechnische richtingen doen het beter, met de uitzondering van bso schilderwerk en decoratie en houtbewerking.

Als De Meyer hier één les uit leert is het wel dat de technische en beroepsrichtingen dringend opgewaardeerd moeten worden. Snoeien in de wildgroei aan dunbevolkte richtingen is daar één stap in(zie hiernaast) .

‘Als er dan geen grote hervorming van het secundair komt tijdens deze bestuursperiode, laten we dan toch op zijn minst hier iets aan doen’, besluit het parlementslid. (De Standaard, Tom Ysebaert)
__________

Wildgroei richtingen kan snoeibeurt gebruiken

Een klas met één leerling? Het kan. Er zijn veel studierichtingen in het secundair, 273 om precies te zijn. En bijgevolg zitten daar soms weinig leerlingen in. Dat is al jaren zo. In het schooljaar 2011-2012 is de gemiddelde bezetting per richting zelfs nog ietsje gezakt. Dat vernam Jos De Meyer (CD&V) van de minister van Onderwijs, Pascal Smet (SP.A).

Enkele voorbeelden. In het GO! telden de richtingen met Grieks gemiddeld 1 tot 2,2 leerlingen per leerjaar per school. In het kunstsecundair (kso) zijn de twintig richtingen dunbevolkt. De derde graad modern ballet telt gemiddeld één leerling in het gesubsidieerd officieel onderwijs. Of neem textieltechnieken: gemiddeld één leerling in het vrij onderwijs.

Richtingen die goede perspectieven bieden op de arbeidsmarkt (zoals de nijverheidstechnische) trekken toch weinig leerlingen aan. Terwijl andere zoals dierenzorg en lichamelijke opvoeding/sport, die minder goede vooruitzichten bieden, toch veel volk lokken.

De wildgroei is een gevolg van de grote keuzevrijheid die in ons onderwijs bestaat. De concurrentie tussen scholen speelt ook.

Voor De Meyer moet er gewied worden. ‘De middelen kunnen beter besteed worden. Om de kwaliteit te verhogen, niet om te besparen’, benadrukt hij. Hij wil dat doen in samenspraak met het bedrijfsleven. ‘Niet dat zij mogen dicteren wat er op school gegeven wordt, maar we moeten wel rekening houden met welke profielen de bedrijven willen.’

Minister Smet heeft al te kennen gegeven dat er na de hervorming van het secundair onderwijs nog maar een honderdtal richtingen zal overblijven. Scholen hoeven voor hem niet te wachten en kunnen al rationaliseren en onderling afspraken maken. (De Standaard, Tom Ysebaert)

Pb – Te weinig interesse voor politiek bij schoolgaande jeugd

In Vlaanderen is de interesse voor politiek veel kleiner dan het Europese gemiddelde. Dat geldt ook voor de schoolgaande jeugd, antwoordde minister Smet van Onderwijs op een vraag van Vlaams parlementslid Jos De Meyer.
Slechts 30% van de jongeren in Vlaanderen is “(zeer) geïnteresseerd in politieke kwesties in eigen land”, tegenover 53% in West-Europa. Bij de volwassenen is de interesse voor politiek de laatste jaren bovendien nog sterk verminderd: volgens de Vlaamse Regionale Indicatoren is dat het aandeel van wie zich “helemaal niet” voor politiek interesseert nu 55,4%. In 2006 was dat 47,3%.
Uit internationaal vergelijkend onderzoek bleek dat de Vlaamse jongeren nog een behoorlijke score haalden voor de kennis van de politieke instellingen, maar hun betrokkenheid en interesse is dus bijzonder klein. Dat is verontrustend, vindt de minister, maar hij merkt ook op dat de inspanningen van scholen wel degelijk effect hebben. Hoe meer jongeren weten over mensenrechten en politiek, hoe verdraagzamer en democratischer ze worden.
Ook het algemene schoolklimaat heeft veel belang voor de burgerzin en politieke interesse van de leerlingen. Scholen die democratisch georganiseerd zijn, bevorderen de burgerzin door participatie en een open klasklimaat waarin leerlingen de vrijheid hebben hun mening te vormen en te uiten. Voor het werken aan doelstellingen rond burgerzin, politieke en democratische interesse kunnen de scholen ondersteuning krijgen via de Koning Boudewijnstichting.

Land- en tuinbouw vanzelfsprekend in het buitengebied!

“Ook in Vlaanderen moet er grondig nagedacht worden over de plaats die we in de 21ste eeuw aan de landbouwsector willen geven in het buitengebied,” aldus Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer in de commissie Landbouw van het Vlaams parlement.
“Belangrijke productiefactoren voor de sector zijn de ruimte en de beschikbare gronden. Het debat daarover dient nu gevoerd te worden gezien het Groenboek van minister Muyters “Vlaanderen in 2050, mensenmaat in een metropool” op tafel ligt. Dit Groenboek vormt een aanzet voor een nieuw ruimtelijk structuurplan. We vernamen reeds dat dit Groenboek weinig vertrouwen van het middenveld geniet. Het Groenboek vertrekt volgens de Salv sterk vanuit een stedelijke dynamiek en mist daardoor de ruimtelijke dynamiek in het buitengebied. Daarnaast merken we dat zelfs binnen het kader van het huidige RSV de herbevestiging van de agrarische gebieden zeer langzaam vordert,” stelt De Meyer.
Minister-President Kris Peeters gaf volgende antwoorden aan Jos De Meyer. Als één van de krachtlijnen van de ontwikkeling van de Vlaamse land- en tuinbouwsector in de 21ste eeuw stelde minister Peeters dat de land- en tuinbouwproductie nog efficiënter zal moeten omgaan met de beschikbare grondstoffen.
Wat de stijging van de wereldbevolking en de stijging van de voedselvraag betreft, zal de maatschappelijke vraag moeten worden gesteld welke verantwoordelijkheid Vlaanderen heeft te dragen in het verhogen van de globale voedselproductie. Vermits als gevolg van de klimaatverandering, landbouw niet meer overal mogelijk zal zijn, zal dit wereldwijd de maatschappelijke druk verhogen om sterker in te zetten op de land- en tuinbouwproductie in die zones die de beste troeven hebben qua klimaat, daglengte, bodem, reliëf, … Vlaanderen is – aldus Peeters – één van de best geschikte regio’s om aan land- en tuinbouw te doen.
Naast ruimte voor het verweven van functies heeft de land- en tuinbouw (vooral de landbouw die de richting van specialisatie inslaat) ook nood aan ruimte waar de landbouwproductie maximaal alle kansen krijgt. Er moet ook een ruimtelijk beleid gevoerd worden om meer in te zetten op het optimaliseren van de productiviteit van de land- en tuinbouw.
De voor Vlaanderen gereserveerde 750.000 ha voor landbouw dient minstens behouden te blijven. Het AGNAS-proces versterkt de ruimtelijke kwaliteit in het Vlaamse buitengebied en bestendigt verder de ruimte voor landbouw. Gezien de mogelijke interacties via verbreding en korte keten dienen ook mogelijkheden behouden te blijven voor landbouw buiten de voor landbouw gereserveerde gebieden. In het kader van het beleidsplan Ruimte heeft de Vlaamse regering parallel aan de uitwerking van een witboek ook een aantal korte termijnacties bepaald. Eén daarvan is het “vrijwaren van strategisch aaneengesloten landbouwgebieden voor de professionele landbouw.” Deze korte termijnactie moet garanderen dat ruimtelijke ontwikkelingen in agrarische gebieden weloverwogen plaats vinden. In nauwe samenwerking met de landbouwadministratie wordt door de administratie ruimtelijke ordening nagegaan voor welke strategisch belangrijke landbouwgebieden mogelijk nieuwe instrumenten kunnen worden ingevoerd en/of een nieuwe aanpak kan worden gerealiseerd, zodat het professioneel agrarisch gebruik in deze gebieden maximaal voorrang krijgt.
__________
Peeters: behoud Vlaams landbouwareaal is prioritair

“De voor Vlaanderen gereserveerde 750.000 hectare voor landbouw dient minstens behouden te blijven. Naast ruimte voor het verweven van functies heeft de land- en tuinbouw ook nood aan ruimte waar de landbouwproductie maximaal alle kansen krijgt”, aldus minister-president Kris Peeters in zijn repliek op een vraag van CD&V’er Jos De Meyer naar de plaats van land- en tuinbouw in het Vlaanderen van morgen.

De vraag van Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer in de commissie Landbouw van het Vlaams Parlement kadert in het debat over het Groenboek van Vlaams minister van Ruimtelijke Ordening Philippe Muyters. “Er moet grondig nagedacht worden over de plaats die we in de 21ste eeuw aan de landbouwsector willen geven”, vindt De Meyer. “Ruimte en de beschikbare gronden zijn belangrijke productiefactoren voor de sector. Het debat daarover dient nu gevoerd te worden gezien het Groenboek van minister Muyters ‘Vlaanderen in 2050: mensenmaat in een metropool?’ nu op tafel ligt.”

Muyters’ Groenboek vormt een aanzet voor een nieuw ruimtelijk structuurplan, het zogenaamde Beleidsplan Ruimte Vlaanderen. Het document kreeg al kritiek uit verschillende hoeken. Zo vertrekt het Groenboek volgens de Strategische Adviesraad voor Landbouw en Visserij (SALV) te nadrukkelijk vanuit een stedelijke dynamiek en mist het de nodige aandacht voor het buitengebied. “Bovendien verloopt de herbevestiging van de agrarische gebieden binnen het huidige Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen nu reeds problematisch”, waarschuwt De Meyer.

In zijn antwoord laat minister-president Kris Peeters zijn licht schijnen op de toekomst van de landbouwsector in het Vlaanderen van de 21ste eeuw. Daarbij onderstreept hij de noodzaak van een efficiënt gebruik van de beschikbare grondstoffen. De klimaatverandering zal er voor zorgen dat de landbouwproductie automatisch verschuift naar de meest geschikte gebieden. Vlaanderen is volgens Peeters zo’n uitgelezen landbouwzone. “We zullen ons dan ook de vraag moeten stellen welke verantwoordelijkheid Vlaanderen zal dragen in het verhogen van de globale voedselproductie.”

Als de Vlaamse landbouw een voedselexporterende rol wil blijven vervullen, moet ze binnen de ruimtelijke ordening de nodige aandacht krijgen, benadrukt Peeters: “Naast ruimte voor gemengd gebruik heeft de land- en tuinbouwsector ook nood aan ruimte waar de landbouwproductie alle kansen krijgt.” Zo moet de 750.000 hectare voor landbouw zoals beschreven in het AGNAS-proces minstens behouden blijven.

“Daarnaast moeten ook de mogelijke interacties via verbreding en korte keten behouden blijven voor landbouw buiten het landbouwgebied”, verwijst de minister-president naar zonevreemde landbouwbedrijven. In een pas gepubliceerd rapport van het Departement Landbouw en Visserij staat namelijk te lezen dat drie op de tien landbouwbedrijven buiten het daarvoor bestemde landbouwgebied vallen.

“Door zowel in te zetten op ruimte specifiek voor landbouw als op ruimte voor verweving van landbouw met andere functies, moeten de verschillende vormen van land- en tuinbouw de nodige ontwikkelingskansen krijgen”, klinkt het.

Tenslotte haalde Peeters ook een aantal korte termijnacties aan die moeten garanderen dat de ruimtelijke ontwikkeling in agrarische gebieden “weloverwogen” plaatsvindt. Zo gaat de administratie ruimtelijke ordening na voor welke strategisch belangrijke landbouwgebieden een nieuwe aanpak kan worden gehanteerd zodat het professioneel agrarisch gebruik in deze gebieden maximaal voorrang krijgt.

Tine Eerlingen (N-VA) nam de verdediging op van haar partijgenoot en ontkende de beweringen van De Meyer en Peeters als zou er in het Groenboek van minister Muyters niet genoeg aandacht worden besteed aan landbouw. “Landbouw heeft wel degelijk een plaats in onze toekomstvisie”, repliceerde ze, “maar we moeten er ook over waken dat niet iedereen zo hard vasthoudt aan zijn eigen vierkante meter.”
(Vilt)

Impuls nodig voor scholenbouw!

Het Vlaamse onderwijs heeft een tekort aan goede en passende huisvesting. Scholen die voor bouwprojecten willen lenen bij de overheid hebben te maken met wachtlijsten van tientallen jaren. Daarom is het zinvol om voor de scholenbouw ook te zoeken naar kleinschalige samenwerkingsprojecten, suggereerde Vlaams parlementslid Jos De Meyer in een vraag op de commissie Onderwijs.
Het grote scholenbouwproject “Scholen voor morgen” is een voorbeeld van publiek-private samenwerking dat door de overheid wordt aangestuurd, maar waarom zou men geen ruimte laten voor lokale samenwerkingsinitiatieven? De plaatselijke schoolbesturen zijn immers best op de hoogte van de noden op school, maar ook van de mogelijkheden om hun gebouwen eventueel te benutten in een “brede school”, wat het misschien mogelijk maakt om een partner zoeken in de omgeving. Van de “gewone” scholenbouw wordt de eenmalige investeringskost gesubsidieerd, terwijl bij publiek-private samenwerking de investering gebeurt door de buitenschoolse partner, aan wie de school dan een aantal jaren een “terbeschikkingstellingsvergoeding” uitbetaalt. Het is al decretaal mogelijk om die weerkerende terbeschikkingstellingsvergoeding te subsidiëren, maar er zijn nog geen uitvoeringsbesluiten voor.
Hopelijk komen die uitvoeringsbesluiten er snel, liever gisteren dan vandaag, aldus De Meyer, want naast de tweede inhaaloperatie voor de scholenbouw die in het Vlaamse regeerakkoord afgesproken is, zijn ook kleinschalige initiatieven noodzakelijk.

Opletten voor financiële drempels hoger onderwijs

Hoewel de democratisering van het hoger onderwijs in Vlaanderen een realiteit is, is het toch belangrijk om de studiekosten ervan te monitoren, zodat ze een correct en actueel beeld geven van de reële situatie, antwoordde minister Smet van Onderwijs op een vraag van Vlaams parlementslid Jos De Meyer. Het gaat hem immers niet enkel om inschrijvingsgelden en onkosten voor studiemateriaal, maar ook om kosten voor vervoer en huisvesting.
Via dat onderzoek moet ook blijken in welke mate de studiebeurzen volstaan voor wie ze werkelijk nodig heeft. In samenwerking met de minister van Werk moet ook bekeken worden hoe de mogelijkheden van educatief verlof, opleidingsverlof en tijdskrediet kunnen samengebracht worden tot een systeem van levenslang leren.
Uiteraard levert een diploma hoger onderwijs ook financieel voordeel op voor de betrokkenen, en men zou dus kunnen concluderen dat studiekosten dus achteraf gerecupereerd kunnen worden, maar we moeten erover waken dat ze geen drempel worden voor studenten uit minder gegoede milieus, aldus De Meyer. Dat studeren in andere landen veel duurder is dan bij ons, doet geen afbreuk aan die stelling.

Tewerkstelling van mensen met een handicap bij de overheid: nog ver te gaan

In haar diversiteitsbeleid wil de Vlaamse overheid meer mensen met een handicap of chronische ziekte te werk stellen. Sinds 2010 blijven we echter ter plaatse trappelen, merkte Vlaams parlementslid Jos De Meyer op.
Tegen 2015 wil men naar een gemiddeld aandeel van 3% gaan, terwijl dat nu 1,2% is. De cijfers die minister Bourgeois van Bestuurszaken doorgaf, tonen bovendien grote verschillen tussen de diensten onderling. BLOSO staat met 4,05% personeelsleden met een handicap dicht bij de eigen doelstelling van 4,5%, terwijl de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening met 0,48% nog zeer ver staat van haar doel van 5%.
In een brief is de ambtenaren-generaal gewezen op het gemiddelde streefcijfer van 3%. Bij gelijke kwaliteit van de sollicitanten geeft het Vlaams personeelsstatuut voorrang aan de kandidaat met een handicap, zolang het streefcijfer niet bereikt is. Minister Bourgeois gaat ervan uit dat de diensten van de Vlaamse overheid toch meer mensen met een handicap of chronische ziekte kunnen te werk stellen, niettegenstaande de besparingsdoelstellingen. Voorlopig blijkt dat echter nog niet uit de cijfers, en de gegevens van 2012 zijn nog niet beschikbaar, aldus De Meyer.

Masters LO kunnen benoemd worden in de basisschool en in de derde graad, maar niet in de eerste graad secundair onderwijs

In de Commissie Onderwijs gaf Vlaams parlementslid Jos De Meyer vier voorbeelden die aantonen dat de administratie soms vreemde kronkels maakt bij het vastleggen wie welk vak mag geven op school. Een master LO kan bijvoorbeeld wel benoemd worden als leraar leraar lichamelijke opvoeding in de basisschool en in de eindjaren van het secundair onderwijs, maar niet in de eerste twee leerjaren van dat secundair onderwijs. Anderzijds kan diezelfde leerkracht in theorie wel benoemd worden als leraar Grieks in het laatste jaar, hoewel hij of zij daar niet voor gestudeerd heeft.
De minister antwoordde dat volgens hem geen enkele school iemand een vak zou laten geven dat hij of zij onvoldoende beheerst, zelfs al is dat wettelijk vaak wel mogelijk. Sommige afbakeningen van bevoegdheden moeten misschien wel kritisch bekeken worden, vond de minister. Hij wou in alle geval laten onderzoeken of masters LO ook in de eerste graad mogen lesgeven. Als er een algemener onderzoek over de bevoegdheidsbewijzen komt, moet men toch ook nagaan of leerkrachten met jarenlange ervaring in specifieke vakgebieden niet benoemd kunnen worden, vond De Meyer. Voor vakken als instrumentenbouw bestaat namelijk geen “vereist” bevoegdheidsbewijs.

“Agriflanders 2013 wordt opnieuw een succes”

In Flanders Expo Gent is donderdag de achtste editie van landbouwbeurs Agriflanders van start gegaan. Volgens beursvoorzitter Georges Van Keerberghen wordt het een succes, ondanks de uitdagingen waarmee de sector geconfronteerd wordt. Minister-president Peeters, Boerenbondvoorzitter Piet Vanthemsche en KBC-topman Johan Thijs stonden tijdens de bijeenkomst van standhouders ‘s avonds stil bij die uitdagingen.

Meer concreet ging het over de toenemende volatiliteit in de markt. “Zelfredzaamheid wordt steeds belangrijker”, stelt Vanthemsche. “Het beleid heeft daar duidelijk voor gekozen: meer markt en minder overheid betekent meer zelfredzaamheid. De positie van de landbouw in de markt komt daarmee onder drukt te staan. De laatste jaren worden we steeds meer geconfronteerd met volatiele prijzen, en daar moeten we ons tegen wapenen.”

“Ook KBC is zich daarvan bewust”, vult Thijs aan. Daarom lanceert de bank tijdens Agriflanders een “nieuw en uniek” kredietproduct. De formule, genaamd Agroflex, is uitsluitend beschikbaar voor landbouwers en laat hen toe om zelf te bepalen wanneer ze uitstel van kapitaalaflossing inlassen. “Een mooi initiatief”, reageert Vanthemsche.

Minister-president en minister van Landbouw Kris Peeters ten slotte, prijst de sector omwille van zijn doorzettingsvermogen en fierheid, “ook in tijden van crisis. 2012 was het jaar waarin we samen uit het dal van 2011 zijn gekropen. Die vechtlust zullen we ook in 2013 kunnen gebruiken, want dit wordt een erg belangrijk beleidsjaar voor de sector”.

Peeters stelt daarbij vier prioriteiten voorop. “Ten eerste is er de verjonging van de sector. We moeten jonge mensen aan- in plaats van ontmoedigen om voor de land- of tuinbouw te kiezen. Daarenboven is er de volatiliteit, waartegen we de bedrijven beter bestand moeten maken. Ten derde wil ik werken aan de integratie van landbouwthema’s in andere beleidsdomeinen, zoals leefmilieu en natuur. Maar dit nooit ten koste van de rendabiliteit van de sector. En ten vierde blijf ik aandacht besteden aan het belang van innovatie in de sector.”

Ten slotte vraagt Peeters aan alle aanwezigen om in 2013 hun verantwoordelijkheid op te nemen en vooruit te kijken. “Dat is in ieder geval mijn goede voornemen voor het nieuwe jaar”, besluit hij.(Vilt)

Onbegrip in parlement over import legbatterij-eieren

De EU verbood in 2012 de productie van eieren in legbatterijen. Daarom storen de Vlaamse volksvertegenwoordigers Jan Verfaillie en Jos De Meyer zich aan de concurrentievervalsing door de invoer van eieren – en bij uitbreiding andere landbouwproducten – die niet aan de strenge Europese regels voldoen. Minister-president Kris Peeters betreurt dergelijke invoer evenzeer, maar er is niet veel aan te doen.

Sinds 1 januari 2012 zijn legbatterijen verboden in Europa. CD&V-parlementslid Jan Verfaillie noemt het dan ook “absurd” dat er eieren ingevoerd zouden worden die uit productiesystemen komen die in de EU verboden zijn. Dat is nochtans hetgeen te gebeuren staat. “Er liggen plannen klaar om de invoerheffingen op eieren van buiten de EU, bijvoorbeeld uit Oekraïne, de VS, India en Argentinië, te halveren”, waarschuwt Verfaillie. “De pluimveehouders daar houden zich nochtans niet aan de minimumeisen inzake dierenwelzijn die Europese leghennenhouders moeten respecteren.”

“De landbouworganisaties zijn hierover terecht bezorgd”, beaamt CD&V-collega Jos De Meyer. Aangezien de problematiek dezelfde is voor andere landbouwproducten, wil hij weten of Europa hier wat aan kan doen. Weinig, zo blijkt uit het antwoord van minister-president Kris Peeters. “Er is al vaak gediscussieerd over de zogenaamde ‘non trade concerns’. Dat was onder meer het geval bij de WTO-onderhandelingen en bij de besprekingen van het Europees landbouwbeleid, maar zonder resultaat”, zegt Peeters.

Volgens de regels van de Wereldhandelsorganisatie (WTO) kan Europa dergelijke productie-eisen niet eenzijdig opleggen voor ingevoerde goederen. “De WTO kijkt naar het eindproduct en niet naar het productieproces”, verduidelijkt de minister-president. Bij bilaterale onderhandelingen over handelsakkoorden met andere staten kan wél worden aangedrongen om bijvoorbeeld op het vlak van dierenwelzijn een gemeenschappelijke standaard na te streven.

Volgens Open VLD’er Karlos Callens is het, gelet op de mondialisering, nodig om nog meer de nadruk te leggen op het feit dat producten van eigen bodem de beste zijn en aan alle eisen op vlak van dierenwelzijn en milieu voldoen. “Op die manier moeten wij proberen de consument te motiveren om onze producten te kopen omwille van hun kwaliteit. Dat lijkt me de manier van werken voor de toekomst”, aldus Callens.

Peeters wijst er nog op dat het handelsakkoord tussen de EU en Oekraïne sinds medio vorig jaar ter ondertekening ligt, maar formeel nog steeds niet ondertekend noch in werking getreden is. Oekraïne heeft wel al een ‘sanitaire toelating’ op zak omdat het voldoet aan alle eisen op vlak van volks- en diergezondheid. “Weet dat Oekraïne een belangrijke uitvoerbestemming is voor Europese producten zoals pluimveevlees en eieren”, merkt Kris Peeters nog op. Het handelsakkoord kan met andere woorden ook positief uitdraaien voor de pluimveesector. (Vilt)

Nieuwe gemeenteraad geïnstalleerd

Op 2 januari is de nieuwe Sint-Niklase gemeenteraad geïnstalleerd met de helft nieuwe leden.
Burgemeester wordt Lieven Dehandschutter.
Tot einde december was Lieven mijn collega in het Vlaams Parlement.
Het belangrijkste nieuws op de eerste gemeenteraad was dat Sint-Niklaas deze legislatuur 36 miljoen euro moet besparen!
Ik heb zelf ook de eed afgelegd als gemeenteraadslid. Ik zal een opbouwende, maar kritische rol als gemeenteraadslid vervullen ten bate van de Sint-Niklase bevolking.