Ontwerp van decreet OD XXIII

Op de laatste plenaire zitting van het Vlaams Parlement heb ik mij onthouden bij de stemming over Onderwijsdecreet XXIII, waarvan ik verslaggever was. Mijn onthouding lag in de lijn van mijn vroeger reeds unaniem goedgekeurde resolutie over de ordentelijke start van het schooljaar, waarin staat dat de scholen tijdig (dus voor 25 juni) moeten geïnformeerd worden over de start van het komende schooljaar.

Hierbij volgt het verslag.
“Een aantal decretaal te regelen bepalingen voor het onderwijs worden in OD XXIII samengebracht. De ingangsdatum voor de nieuwe regelgeving is meestal 1 september 2013; bepalingen waarvoor veel meer voorbereidingstijd nodig is, gaan pas in op 1 september 2014. Enkele artikelen met technische correcties hebben met terugwerkende kracht uitwerking in 2012.
Om de kwaliteit van het huisonderwijs te waarborgen bepaalt de Vlaamse Gemeenschap dat de onderwijsinspectie kan controleren of aan de leerplicht wordt voldaan. De kwaliteit van het huisonderwijs wordt mede bewaakt door een verplichte inschrijving bij de Vlaamse examencommissie. Als zou blijken dat het peil van het huisonderwijs niet voldoet, kunnen ouders verplicht worden hun kind in te schrijven in een school.
In het leerplichtonderwijs wordt bepaald dat de leerplannen levensbeschouwing in overeenstemming moeten zijn met de internationale en grondwettelijke beginselen betreffende de rechten van de mens en van het kind en dat ze de schoolse eindtermen en ontwikkelingsdoelen moeten respecteren.

In het basisonderwijs wordt bij de eerste inschrijving in het lager onderwijs een screening van de onderwijstaal uitgevoerd. Voor leerlingen die de onderwijstaal onvoldoende beheersen kan de school een taalbad organiseren.
In de lagere school blijven de eindtermen Frans ongewijzigd, maar het vak Frans kan al vanaf de tweede graad worden aangeboden. Vanaf het eerste jaar in het gewoon basisonderwijs kan bovendien al een initiatie in vreemde taal aangeboden worden.
In het secundair onderwijs wordt per schooljaar een leerlingenstage van minimum 18 halve dagen verplicht in de derde graad van alle opleidingen TSO en BSO. De datum waarop deze maatregel van kracht wordt, wordt later bepaald en kan verschillen naargelang de opleiding.
Scholen secundair onderwijs mogen in de derde graad van het algemeen vormend onderwijs als vierde taal alle levende talen aanbieden.
Daarnaast wordt de mogelijkheid voorzien om via “inhoudelijk geïntegreerd taalverwerven” (CLIL) tot maximum 20% van de niet-taalvakken in het Frans, Engels of Duits aan te bieden. Naast de CLIL-vakken moet een volledig Nederlandstalig traject mogelijk blijven voor leerlingen die dat wensen.
Voor zieke leerlingen wordt een grotere spreiding van het lessenprogramma mogelijk. Voor leerlingen met een topsportstatuut in een gewone school kan de klassenraad een flexibel leertraject uitwerken.
Vanaf 2014 wordt de procedure voor het programmeren van studierichtingen aangepast. Structuuronderdelen (opleidingen) die onvoldoende aansluiten op de arbeidsmarkt of het hoger onderwijs zullen niet meer geprogrammeerd kunnen worden, structuuronderdelen die sterk inspelen op maatschappelijke noden zullen daarentegen gestimuleerd worden door een eenvoudiger procedure.
Ook in het secundair onderwijs wordt van instromende leerlingen een screening gemaakt van het niveau van de onderwijstaal. De klassenraad kan een leerling zo nodig verplichten tot het volgen van maximaal drie uren extra taalles Nederlands per week.
In het deeltijds kunstonderwijs wordt de looptijd van enkele tijdelijke projecten verlengd.
In het hoger onderwijs zullen enkele vereenvoudigingen de planlast verminderen. Er komt ook een lineair systeem van studiegelden waarbij alle studenten die één of meerdere inschrijving nemen, eenmalig hetzelfde vast bedrag betalen, dat dan verhoogd wordt met een bedrag per opgenomen studiepunt.
De onderwijsinspectie zal controles gericht op de veiligheid apart kunnen voeren van de pedagogische doorlichting.
De dienst die de gelijkwaardigheid moet nagaan van buitenlandse en Vlaamse diploma’s zal aan de houder van het buitenlandse studiebewijs een financiële bijdrage kunnen vragen voor het onderzoek van het diploma.
Het ontwerp van decreet werd op de Commissie Onderwijs besproken op de vergaderingen van 13, 18 en 20 juni. Er werden meer dan honderd amendementen ingediend en besproken, en het ontwerp van decreet werd op de commissie aangenomen met 7 stemmen voor, 4 tegen en 4 onthoudingen.
Tot zover mijn kort verslag, waarin ik geprobeerd heb teneur en de grote lijnen weer te geven van de werkzaamheden in de commissie. Uiteraard is er in de algemeenheid van mijn samenvatting geen aandacht besteed aan amendementen, details en technische aanpassingen.

Collega’s, ik moet erop wijzen dat in de nummering van de artikels een klein foutje is gebeurd. De nummering van het Limburg-amendement wordt nog aangepast. Het amendement stelt dat een nieuw artikel V.52/1 wordt ingevoegd, maar eigenlijk moet dit een nieuw artikel V.44/1 zijn. Mag ik voorstellen deze aanpassing op te nemen in de tekst aangenomen door de plenaire vergadering?
Ik wil ook alle collega’s uit de Commissie Onderwijs danken voor het unaniem aannemen van het amendement dat ambtshalve ontheffing in het belang van de dienst opheft.
Mijnheer de minister, mag ik u bij deze ook herinneren aan mijn vraag (en uw toezegging ) om een lijst te krijgen waarop duidelijk is wanneer welke artikelen in werking treden, zoals dat al gebeurd is bij het ontwerp van decreet hoger beroepsonderwijs?
Bij de eindstemming in deze vergadering zal ik mij zelf onthouden, in de geest van mijn resolutie over de ordentelijke start van het schooljaar, die unaniem werd aangenomen in de plenaire vergadering van het Vlaams Parlement. Het ontwerp van decreet werd immers veel te laat behandeld in de commissie en het wordt te laat gestemd in het Vlaams Parlement.
Ik herinner even aan de essentie van die resolutie:
– Geen retroactiviteit
– Geen omzendbrieven en besluiten zonder decretale basis
– Alle regelgeving die ingaat op 1 september moet voor 25 juni op de scholen beschikbaar zijn; alleen zo kunnen de schoolbesturen en directies instaan voor de nodige schikkingen om het schooljaar goed voor te bereiden.”

Voorlopig geen eenvoudiger regelgeving in het Vlaamse onderwijs

Vaststellen op welke omkadering een school recht heeft, is een heel ingewikkelde zaak en dat zal nog wel een tijdje zo blijven, vernam Vlaams parlementslid Jos De Meyer van minister Smet tijdens de bespreking in de commissie Onderwijs.
Een onderzoek door de universiteit van Gent wees uit dat basisscholen nog steeds gebrekkig omkaderd zijn. Ze missen vooral middelen om administratief personeel aan te trekken, maar ook voor hun zorgbeleid en voor ICT-taken.
Meer geld voor administratieve omkadering is er voorlopig niet, stelde de minister, die wel aangaf dat hij op de hoogte was van de noden in het basisonderwijs.
De omkadering van de scholen logischer en helderder maken, kan volgens Jos De Meyer echter wel gebeuren zonder meerkost en zonder besparing. Het huidige omkaderingssysteem gebruikt heel ingewikkelde technieken om verschillende bestanddelen van de omkadering te berekenen op basis van het leerlingenaantal, maar al die cijfers worden dan wel terug samengeteld per scholengemeenschap en dan weer herverdeeld. Er zitten ook veel onlogische elementen in het systeem: zo kost het voor een school minder om een adjunct-directeur aan te stellen dan om een master lesvrij te maken voor pedagogische taken. Toch wordt een adjunct beter betaald dan een leraar.
Daar komt voorlopig geen verandering in; minister Smet vindt ook dat de regelgeving helderder moet worden, maar stelt ook dat wijzigingen pas aan de orde zijn in het kader van grotere hervormingsplannen.

20 miljoen voor communicatieopdrachten

In totaal betaalde de Vlaamse overheid meer dan 20 miljoen euro voor communicatieopdrachten in 2012, vernam Vlaams parlementslid Jos De Meyer uit de antwoorden van de verschillende ministers op zijn vraag over externe communicatiebureaus.
De diensten van de Vlaamse overheid gebruiken verschillende manieren om hun opdrachten toe te wijzen. Het kan gebeuren na een openbare aanbesteding, een openbare Europese aanbesteding, een algemene offerteaanvraag, een Europese offerteaanvraag met bekendmaking, maar ook na een beperkte offerteaanvraag, een onderhandelingsprocedure met bekendmaking en zelfs over een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking.
Uit de opdrachten die de Vlaamse overheidsdiensten toewijzen aan externe communicatiebureaus blijkt duidelijk dat de meeste agentschappen streven naar een eigen huisstijl. Toch werd tegelijkertijd ook een “uniek font voor de Vlaamse overheid” ontwikkeld “dat voor de hele organisatie kan gebruikt worden bij zijn communicatie”. De opdracht daarvoor kostte meer dan 24.000 euro, het font is “tussentijds opgeleverd” en de “kwaliteit van deze voorlopige versie is goed.”

Wat samenwerking met externe communicatiebureaus betreft, werken het Vlaams centrum voor agro-en visserijmarketing (VLAM) en Internationaal Vlaanderen (iV) gezien hun specifieke opdracht uiteraard met de grootste budgetten. Om kort toerisme in Vlaanderen te promoten, betaalt iV 3,2 miljoen euro aan een Brits bureau en 4 miljoen aan een Duitse tijdelijke vereniging. Beide opdrachten werden toegewezen na een “beperkte offerteaanvraag.”

Sommige opdrachten liggen dicht tegen elkaar aan: voor het FWO (fonds voor wetenschappelijk onderzoek) werd ruim 56.000 euro uitgetrokken voor “algemeen communicatieadvies”, met inbegrip van het voorbereiden van persberichten en persconferenties, terwijl een ander communicatiebureau ook nog belast is met copywriting en redactie voor het FWO.
De Vlaamse Milieumaatschappij trekt dan weer ruim 25.000 euro uit voor het uitwerken van een persstrategie en een pers-event voor de Internationale Scheldeweek, terwijl ze ongeveer hetzelfde bedrag betaalt aan een ander bureau voor de “Communicatie Internationale Scheldeweek”.
OVAM betaalt bijna 24.000 euro voor de copywriting en de opmaak van het activiteitenoverzicht, terwijl het bureau dat daarmee belast is ook ruim 21.000 euro krijgt voor het herschrijven en layouten van de OVAM-nieuwsbrieven.
Het Agentschap Sociaal-Cultureel Werk voor Jeugd en Volwassenen betaalt ruim 34.000 euro voor de communicatie over het Jongerenpact 2020. In die opdracht is onder meer het ontwerp van online tool en website inbegrepen. Toch wordt daarnaast nog meer dan 6000 euro betaald voor een opdracht die ook “aanpassingen website” omvat. De opdracht wordt overigens toevertrouwd aan het communicatiebureau dat de website ontwerpt. Beide opdrachten werden toegewezen via een onderhandelingsprocedure zonder bekendmaking.
In onze informatiemaatschappij is goede en doeltreffende communicatie essentieel. Herkenbaarheid naar vorm en stijl, maar ook de keuze van de passende kanalen en de selectie van de doelgroepen zijn daarbij belangrijk, vindt Jos De Meyer. Evaluatie van de strategie, nagaan of het doel bereikt wordt, is daarbij even essentieel, maar het is ook van belang om het kostenplaatje in de gaten te houden. Om een investering van 4 miljoen euro terug te verdienen, moeten er veel extra Duitse toeristen langskomen in Vlaanderen.
__________
Communicatiecampagnes kosten Vlaanderen 20 miljoen euro in 2012

De Vlaamse overheid heeft een breed gamma aan informatiecampagnes en dat voelt ze in haar portemonnee. De totale som voor externe communicatiebureaus liep vorig jaar op tot 20 miljoen euro, blijkt uit parlementaire vragen van Vlaams Parlementslid Jos De Meyer (CD&V). Vooral het Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing (VLAM) en Internationaal Vlaanderen werken met grote budgetten. Zowel het VLAM als Internationaal Vlaanderen spendeerde vorig jaar 7,5 miljoen euro aan externe communicatie. Internationaal Vlaanderen betaalde 3,2 miljoen euro aan een Brits bureau en 4 miljoen euro aan een Duitse vereniging om kort toerisme in Vlaanderen te promoten, onder meer in de aanloop naar de herdenking van de Eerste Wereldoorlog. Maar De Meyer merkt op dat er veel extra Duitse toeristen naar Vlaanderen moeten komen om een investering van 4 miljoen euro terug te verdienen. Daarnaast heeft de CD&V’er kritiek op enkele opdrachten die erg dicht tegen elkaar aanleunen. Zo trok de Vlaamse Milieumaatschappij 25.000 euro uit voor een persstrategie en een pers-event voor de Internationale Scheldeweek, terwijl ze een gelijkaardig bedrag betaalt aan een ander bureau voor de communicatie van de Internationale Scheldeweek. ‘Doeltreffende communicatie is essentieel’, zegt De Meyer. ‘Maar het is evenzeer van belang om het kostenplaatje in de gaten te houden.’ (De Tijd, Barbara Moens)

Muyters nog niet klaar met GRUP “Oostelijke Tangent”

Vlaams volkvertegenwoordiger Jos De Meyer dringt bij de Vlaamse Regering aan op een zo spoedig mogelijke realisatie van de Oostelijke Tangent in Sint-Niklaas, dit is een essentieel onderdeel in het Waas mobiliteitsplan. Eerste stap is het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan hiervoor. Vandaar de vraag van De Meyer aan de bevoegde minister voor ruimtelijke ordening.

Minister Philippe Muyters antwoordt:

“De nodige aanpassingen aan de wegeninfrastructuur van het Waasland krijgen hun beslag niet in één maar in twee gewestelijke ruimtelijke uitvoeringsplannen (GRUPs): “Oostelijke Tangent” en “Parallelwegen van de E34”.

Voor de Oostelijke Tangent werd in het GRUP “Afbakening van het regionaalstedelijk gebied Sint-Niklaas” (2007) al een contour voor lijninfrastructuur ingetekend. Bij de verdere detailuitwerking bleek dat de Oostelijke Tangent wel kan worden gerealiseerd binnen deze strook, maar dat er kwalitatief betere mogelijkheden waren die meer ruimte vragen. Voor de noodzakelijke aanpassing van het GRUP werd een nieuwe procedure gestart, waarvan de eerste stap met de goedkeuring van het planMER inderdaad in het najaar van 2011 werd voltooid.

Momenteel wordt het eigenlijke GRUP opgemaakt, waarbij de focus ligt op de implementatie van de milderende maatregelen die in het planMER worden geformuleerd. Sommige ervan, zoals de omlegging van een buurtweg, vergen parallelle initiatieven omdat de vereiste actie buiten de bevoegdheid van de Vlaamse overheid valt. Andere maatregelen zijn dan weer erg detaillistisch, zodat ze verder onderzoek vergen. Het cruciale integraal waterbeheer is hiervan een goed voorbeeld. Verder ontwerpend onderzoek, dat de noodzakelijke gegevens voor een stringente implementatie van de milderende maatregelen in de voorschriften van het GRUP moet leveren, wordt op dit ogenblik afgerond.

Voor de “Parallelwegen van de E34” liggen de zaken helemaal anders. De Vlaamse Regering dient zich nog uit te spreken over het voorkeursalternatief. Deze beslissing wordt op dit ogenblik ambtelijk voorbereid.”

Uiteraard zal De Meyer dit dossier verder op de voet volgen.
__________

Nog onderzoek nodig rond oostelijke ringweg

Het noodzakelijke gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan (GRUP) voor de oostelijke ringweg in Sint-Niklaas is nog niet klaar. Volgens Vlaams minister van Ruimtelijke Ordening Philippe Muyters (N-VA) moet er nog verder gedetailleerd onderzoek gebeuren, onder meer naar waterbeheer en de omlegging van een buurtweg. Dat vernam volksvertegenwoordiger Jos De Meyer (CD&V) na een vraag aan de minister. “Voor de oostelijke ringweg werd in het GRUP ‘Afbakening van het regionaalstedelijk gebied Sint-Niklaas’ in 2007 al een contour getekend. Maar bij de verdere afwerking bleek dat er kwalitatief betere mogelijkheden waren. Voor de noodzakelijke aanpassing van het GRUP werd een nieuwe procedure gestart, waarvan de eerste stap met de goedkeuring van het planMER in het najaar van 2011 werd voltooid”, aldus Muyters. “Het verder ontwerpend onderzoek wordt op dit ogenblik afgerond. Ook voor het dossier van de parallelwegen van de E34 is een GRUP nodig. De Vlaamse regering moet zich nog uitspreken over het voorkeursalternatief. Die beslissing wordt nog ambtelijk voorbereid.” (Het Laatste Nieuws, JVS)

Succesvol proefproject “bedrijfsstages en ondernemerschap”

Tijdens het tweede semester van dit schooljaar hebben 22 Vlaamse scholen deelgenomen aan het proefproject “bedrijfsstages en ondernemerschap”, vernam Vlaams parlementslid Jos De Meyer van minister Smet in het antwoord op zijn schriftelijke vraag hierover.
In het project gingen 30 leerkrachten elk voor 5 werkdagen op bedrijfsstage in diverse bedrijven en organisaties. Hun opdrachten in de klas werden overgenomen door buitenschoolse vervangers, die activiteiten begeleidden rond rond ondernemerschap, toegespitst op de betrokken klasgroepen. De leerkrachten kregen inspraak in de types vervangingsactiviteiten die voor hun klas voorzien moesten worden, en de concrete organisatie werd uitgewerkt door Syntra Limburg.

De leraars op bedrijfsstage kwamen terecht in zeer verscheiden bedrijven en organisaties, met onder meer technische werkplaatsen van een groot automerk, ziekenhuizen, distributiebedrijven, een kapsalon, een OCMW en een hotel-restaurant.
Het proefproject kostte in totaal 106.305,90 euro. Die prijs omvat alle kosten van de vervangingsactiviteiten, materialen en ontwikkeling.
Hoewel het project kaderde in het “Actieplan Ondernemerschapsonderwijs 2011-2014” dat al in oktober 2011 werd aangekondigd, moesten de scholen die wilden deelnemen volgens De Meyer toch een strakke timing hanteren en snel contacten zoeken voor de bedrijfsstages van de leraars. Het project was immers pas op 15 januari 2013 aangekondigd in Schooldirect, de elektronische nieuwsbrief voor schoolbesturen.
De eerste bedrijfsstages startten al op 4 maart 2013, het project was afgewerkt op 31 mei 2013.
Concreet ging het over 29 stages in 22 scholen, waarvan 19 uit het vrij onderwijs. in de provincies Antwerpen en Vlaams-Brabant namen 6 scholen deel aan het project, in Oost-Vlaanderen 4, in Limburg en West-Vlaanderen 3.