Langdurig deeltijds ziekteverlof in het onderwijs

Er komt binnenkort een systeem van langdurig deeltijds ziekteverlof in het onderwijs, vernam Vlaams parlementslid Jos De Meyer als antwoord op zijn vragen aan minister Smet.
In de bestaande systemen is het steeds de bedoeling dat iemand met deeltijds ziekteverlof na verloop van tijd teruggeplaatst wordt in een voltijdse opdracht.
Dat is echter niet altijd realistisch: mensen met een blijvende aandoening zoals multiple sclerose of mucoviscidose willen meestal zo lang mogelijk aan het werk blijven, maar een voltijdse taak wordt dan vaak te zwaar. Toch is het voor het onderwijs én voor henzelf zinvol dat ze aan de slag blijven. Zo blijft hun ervaring en bekwaamheid renderen, terwijl ze ook deel blijven uitmaken van hun gewone sociale netwerk.
Op dit ogenblik is de administratie dit verlofsysteem aan het uitwerken, zodat het vanaf 1 september 2014 gebruikt kan worden. Een goed idee, vindt De Meyer: op die manier vermijden we dat jonge mensen met een degeneratieve aandoening te vroeg op pensioen gesteld worden om medische redenen.

CD&V heeft heel wat twijfels over zorgvuldig bestuur

CD&V trekt het zorgvuldig besturen van de meerderheid in twijfel. De partij heeft het met name moeilijk met de aanstelling van een extern bureau, aldus gemeenteraadslid Jos De Meyer.

‘Zeker als je weet dat de kostprijs daarvan tussen de 277.000 euro en 350.000 euro zal bedragen. Een dergelijk hoge kost om zich te laten begeleiden bij het hele proces van het kerntakendebat is ongehoord. Wat is dan nog de opdracht van het tienkoppig schepencollege met hun kabinetspersoneel en de vijf mensen van de beleidscel’, vraagt De Meyer zich af.

‘Maar er is meer’, zegt De Meyer. ‘Ook de fout die de meerderheid maakte met het niet-aanduiden van OCMW-opvolgers kost de stad handenvol geld. Om zich te laten bijstaan in die procedure, die nog lang kan aanslepen, betaalde het stadsbestuur tot op vandaag al 9.900 euro aan zijn advocaat, en die kosten zullen nog veel hoger oplopen.’

De Meyer klaagt ook aan dat het stadsbestuur geen correcte procedures volgt bij aanbestedingen. ‘In november vorig jaar werd beslist de uitwerkingsnota voor de herziening van het mobiliteitsplan toe te wijzen aan een studiebureau, maar het huidige schepencollege heeft dat gedaan zonder aanbesteding en dat kan niet’, benadrukt De Meyer. ‘Daarom heb ik klacht neergelegd bij de gouverneur en gevraagd dit dossier te onderzoeken, en die heeft een onderzoek bevolen.’ (Het Nieuwsblad, Paul Van Landeghem)

Goedgezind terugkijken op een succesvol congres

Het Innestocongres & het Goed Gezind weekend mogen we een groot succes noemen, een anker in de geschiedenis van onze christendemocratie.

De definitieve Innesto congresteksten zijn nu online beschikbaar.

In deze bundel kan je het volgende vinden :
• Voorwoord
• Inleiding
• Finale congresteksten na plenaire stemming
• Statuten
• Actualiteitsmoties
• Slotspeeches

De definitieve Innesto congresteksten vindt u via onderstaande link:

Scholengroepen en scholengemeenschappen in Vlaanderen

Bestuurlijke schaalvergroting van schoolbesturen is een actueel thema. In dit kader is het belangrijk om zicht te hebben op de huidige situatie.
Vlaams parlementslid Jos De Meyer vroeg minister Smet in dat verband naar de huidige stand van aantallen en schaalgrootte.

In het Vlaamse onderwijs bestaan op dit ogenblik 358 scholengemeenschappen basisonderwijs (met gemiddeld 1911 leerlingen) en 118 scholengemeenschappen secundair onderwijs (met gemiddeld 3737 leerlingen). Die scholengemeenschappen kunnen verschillende schoolbesturen overkoepelen. Ze maken onderling afspraken over het studieaanbod in hun regio.

In het gemeenschapsonderwijs bestaan er naast de scholengemeenschappen bovendien ook scholengroepen. Die treden op als inrichtende macht (of schoolbestuur) voor alle scholen van hun net in de regio. Ze zijn steeds niveau-overschrijdend en omvatten basisonderwijs, secundair onderwijs en volwassenenonderwijs. Het gemeenschapsonderwijs heeft 28 scholengroepen van gemiddeld 6628 leerlingen.

Winterplan 2013-2014 is klaar

Het Agentschap Wegen en Verkeer startte vorig jaar met een proefproject in Kortrijk. Hierbij werd een aangepast voertuig met pekelsproeier en sneeuwschop ingezet om fietspaden te besproeien met pekel i.p.v. te bestrooien met zout. De testen bleken positief. Deze werkwijze is niet alleen efficiënter en effectiever maar ook milieubewuster. Om deze reden kocht het Agentschap Wegen en Verkeer 2 extra fietspadpekelsproeiers aan. In totaal beschikt het agentschap nu over 3 eigen fietspadpekelsproeiers die zullen worden ingezet in het district Kortrijk, Sint-Niklaas en Antwerpen.

De winter is in zicht. Het Agentschap Wegen en Verkeer staat al sinds de 3de maandag van oktober paraat om te strooien. Het ziet ernaar uit dat de strooidiensten binnenkort een eerste keer zullen moeten uitrijden. Het Agentschap Wegen en Verkeer heeft zijn winterplan 2013-2014 klaar. Dat plan geeft een overzicht van alle maatregelen die deze winter van kracht zijn om de wegen berijdbaar en veilig te houden. Net als de afgelopen winters zal bij extreme winterse omstandigheden het Winteractieprotocol worden geactiveerd. Daarnaast werden er meer strooiwagens uitgerust met een systeem voor automatisch strooien, wordt er gestart met de bouw van een nieuwe zoutloods en waren de testen met het sproeien van pekel op fietspaden positief.

108.000 ton zout ligt klaar
Sinds enkele weken werd de zoutvoorraad van het Agentschap Wegen en Verkeer opnieuw aangevuld. Net als de voorgaande jaren werd de eigen stockageruimte van het agentschap volledig gevuld. Daarnaast hebben de verschillende zoutleveranciers een voorraad aan de kant liggen waarmee de zoutloodsen van het agentschap gedurende de hele winter kunnen worden bijgevuld. In totaal kan het Agentschap Wegen en Verkeer daardoor beschikken over een zoutvoorraad van 108.000 ton voor de komende winter.

Meer strooiwagens uitgerust met systeem voor automatisch strooien
Om efficiënt en zuinig om te springen met de zoutvoorraad werkt het Agentschap Wegen en Verkeer al enkele jaren met het systeem van automatisch strooien. Deze winter zijn er 225 strooiers uitgerust met dit systeem, dat zijn er 45 meer dan vorige winter. Daar bovenop zijn er nog 28 nieuwe strooiers besteld. Bij de strooiwagens die gebruik maken van dit systeem wordt niet enkel de chauffeur begeleid door een gps-systeem, maar wordt ook de hoeveelheid zout en de strooibreedte aangepast aan de configuratie van de weg doordat de strooitrajecten op voorhand werden ingelezen. Op die manier wordt er efficiënt en milieubewust gestrooid.

Twee nieuwe pekelsproeiers voor fietspaden
Het ruimen en strooien van de 159 fietspadtrajecten langs de gewestwegen gebeurt door aannemers. Zij maken hiervoor gebruik van hun eigen materieel. Fietspaden sneeuw- en ijsvrij maken is niet evident door de lage verkeersintensiteit en ook omdat fietsbanden smal zijn en het zout niet echt inrijden zoals dat bij motorvoertuigen wel het geval is. Pekel werkt in dat geval sneller in dan zout omdat het al opgelost is.

Het Agentschap Wegen en Verkeer startte vorig jaar met een proefproject in Kortrijk. Hierbij werd een aangepast voertuig met pekelsproeier en sneeuwschop ingezet om fietspaden te besproeien met pekel i.p.v. te bestrooien met zout. De testen bleken positief. Deze werkwijze is niet alleen efficiënter en effectiever maar ook milieubewuster. Om deze reden kocht het Agentschap Wegen en Verkeer 2 extra fietspadpekelsproeiers aan. In totaal beschikt het agentschap nu over 3 eigen fietspadpekelsproeiers die zullen worden ingezet in het district Kortrijk, Sint-Niklaas en Antwerpen.

Prioritaire strooiplan en blokstrooien
Het prioritaire strooiplan werd ook dit jaar geactualiseerd om bij extreme winterse omstandigheden eerst de belangrijkste wegen vrij te kunnen maken en om het beschikbare materieel beter in te zetten. Om dit te realiseren kunnen de beschikbare ruim- en strooimiddelen op crisismomenten herverdeeld worden binnen de districten van het Agentschap Wegen en Verkeer. Ook de gewone strooitrajecten werden herbekeken en geoptimaliseerd. Deze winter rijden de strooiwagens van het Agentschap Wegen en Verkeer daarom op 320, i.p.v. 317, strooitrajecten verspreid over de Vlaamse gewest- en autosnelwegen.

Net als vorig jaar kan het blokstrooien bij extreme omstandigheden worden toegepast. Dit is een samenwerking tussen de strooidiensten van het Agentschap Wegen en Verkeer en de federale Wegpolitie. De federale Wegpolitie houdt het verkeer op de autosnelweg tijdelijk tegen om de weg vrij te maken zodat de strooiwagens sneeuw kunnen ruimen en kunnen strooien.

Herstellingen tijdens de winter
De afwisseling van dooien en vriezen zorgt voor schade aan het wegdek. Dooiwater loopt in kleine scheurtjes in het wegdek en bevriest daarna opnieuw, zodat er steeds grotere scheuren en putten ontstaan. In het kader van de inhaalbeweging op gebied van structureel onderhoud werden de afgelopen drie jaar al heel wat autosnelwegen grondig gerenoveerd. Hierdoor zijn deze minder onderhevig aan dit proces. Naast het voorkomen van schade door structureel onderhoud beschikt het Agentschap Wegen en Verkeer sinds enkele jaren ook over een contract voor de levering en de plaatsing van warm asfalt tijdens de winter. Hierdoor kunnen er plaatselijke herstellingen met warm asfalt worden uitgevoerd op plaatsen waar tijdelijke herstellingen met koud asfalt geen oplossing meer bieden.

Winteractieprotocol – winterteam
Het winteractieprotocol (WAP) is een intensieve samenwerking tussen een aantal protocolpartners tijdens extreme winterse omstandigheden. Het WAP werd drie jaar geleden ondertekend en beschrijft voornamelijk hoe de communicatielijnen tussen de verschillende protocolpartners worden geoptimaliseerd en welke acties worden genomen in winterse crisissituaties. Zo is er een intensere opvolging van de weersomstandigheden door Meteo Wing en KMI om eventuele crisissituaties beter te voorspellen en in te schatten. Bij extreem winterweer wordt het winterteam in het kader van een goede communicatie tussen de operationele diensten geactiveerd.

Naast concrete acties op het terrein bundelen de protocolpartners hun krachten door samen te communiceren en dezelfde boodschap via verschillende kanalen tot bij de weggebruiker te brengen. Door transportfederaties en automobilistenverenigingen in te schakelen zullen alle weggebruikers net als de afgelopen drie winters sneller, beter en correct geïnformeerd worden.

De partners zijn enerzijds het Agentschap Wegen en Verkeer en het Vlaams Verkeerscentrum en anderzijds de provinciebesturen van Antwerpen, Limburg, Oost-Vlaanderen, Vlaams-Brabant, West-Vlaanderen, de federale politie, de Meteo Wing, het KMI, De Lijn, Vereniging Vlaamse Steden en Gemeenten (VVSG), Vlaamse Automobilistenbond (VAB), Koninklijke Belgische Touring Club vzw, Transport en Logistiek Vlaanderen, de Koninklijke Federatie van Belgische Transporteurs en Logistieke Dienstverleners (FEBETRA), de Unie van Professionele Transporteurs en Logistieke ondernemers (UPTR).

Naast het Winteractieprotocol in Vlaanderen werd twee winters geleden ook een protocolovereenkomst gesloten met het Waals Gewest en Frankrijk. Deze overeenkomst zorgt er voor dat de verschillende partners elkaar op de hoogte houden van de acties die zij tijdens de winter op het eigen terrein ondernemen. Als deze acties, bijvoorbeeld een vrachtverbod, worden afgekondigd door een bepaalde regio heeft dit immers een belangrijke impact op het wegennet van de andere regio’s.

Ook de samenwerking tussen het Vlaams Verkeerscentrum en Mobiris (Brussels gewest) blijft van kracht. Deze samenwerking zorgt ervoor dat actuele verkeersinformatie en informatie over incidenten wordt uitgewisseld tussen de twee gewesten.

Contactgegevens:
Ilse Luypaerts
Communicatieverantwoordelijke
Agentschap Wegen en Verkeer
Tel.: 02 553 79 07 – Gsm: 0499 55 67 33
E-mail: ilse.luypaerts@mow.vlaanderen.be
Website: www.wegenenverkeer.be

CD&V staat er meer dan ooit!

Dit is de conclusie van een geslaagd Innestocongres dat het voorbije weekend plaats vond in de Vossemeren in Lommel.
Meer dan 3000 leden en sympathisanten zakten af naar Lommel om het congres en de randanimatie mee te maken.
In de werkgroepen vrijdagavond en zaterdagvoormiddag vonden geanimeerde discussies plaats.
Dat was ook het geval in de werkgroep “Leren” die ik samen met Kathleen Helsen leidde.
Wouter Beke mag zich – na zo’n geslaagd congres – een tevreden voorzitter noemen!
We kijken samen met vertrouwen naar de toekomst.

Voorlopig geen nieuwe vervangingspool voor startende leerkrachten?

21% van de leerkrachten die in het secundair onderwijs starten, verlaten de school binnen de 5 jaar na hun eerste aanstelling, antwoordde minister Smet van Onderwijs op een vraag daarover door Vlaams parlementslid Jos De Meyer. Het aantal starters neemt ook af: sinds 2008 zijn er nu 16% minder nieuwe personeelsleden in het onderwijs (van 8848 naar 7376). Toch bestaat er nog steeds een tekort aan leerkrachten voor verschillende vakken en verschillende onderwijsniveaus. Het aantal werkzoekende leraars dat de VDAB aangeeft, lijkt dan ook hoger dan men zou verwachten.
Een speciale groep starters in het onderwijs wordt gevormd door de zij-instromers. Er bestaan geen exacte cijfers over, maar hun aantal lijkt toe te nemen in het basisonderwijs. Dat zou men kunnen afleiden uit de hoeveelheid starters van 28 jaar of ouder. Of die “oudere starters” minder snel uitstromen, is niet uit de gegevens op te maken.
Dat jonge leerkrachten niet aan werk geraken, of dat ze periodes van tijdelijke betrekkingen moeten afwisselen met periodes van werkloosheid, waardoor ze na enkele jaren toch afhaken, komt doordat vraag en aanbod niet goed op elkaar aansluiten. De nood aan leerkrachten toont grote verschillen naar de regio, onderwijsniveau en leervak. Minister Smet ziet zeker geen heil in een “Vlaanderenbrede” vervangingspool voor jonge leerkrachten, maar wil op vraag van De Meyer wel nagaan of vraag en aanbod beter op elkaar kunnen worden afgestemd.
Vroeger bestonden vervangingspools: werkloze leerkrachten konden zich daarin inschrijven en zij kregen speciale taken op een school, tot er in de omgeving een vervanging nodig was voor de vakken van hun bevoegdheidsbewijs. Op dat moment werden ze in de klas als lesgever ingezet.
Dat de minister de verantwoordelijkheid voor een vervangingspool niet wil centraliseren, maar eventueel toewijzen aan de “werkgever”, vindt De Meyer een goede zaak, maar men moet wel weten wie met “werkgever” bedoeld wordt: spreken we over het schoolbestuur of over het bestuur van de scholengemeenschap? En waarom zouden we niet kunnen starten met enkele proefprojecten op vrijwillige basis in de grotere scholengemeenschappen, zodat die alvast geëvalueerd kunnen worden voordat men met een nieuw type vervangingspool start vanuit de overheid?

GON en ION renderen, maar bereiken vooral kansrijke jongeren.

De begeleiding van leerlingen met speciale noden in de gewone school via GON (“geïntegreerd onderwijs”) en ION (“inclusief onderwijs”) rendeert, maar de organisatie kan beter. Dat is de conclusie van Vlaams parlementslid Jos De Meyer bij de antwoorden die minister Smet van Onderwijs gaf op zijn vragen hierover.
GON- of ION-begeleiders zijn personeelsleden van het buitengewoon onderwijs die in “gewone” scholen leerlingen individueel komen ondersteunen. Dat GON en ION renderen, is ondertussen duidelijk, maar al die personeelsleden moeten zich verplaatsen, en dat kost geld en tijd. De voorziene “integratietoelage” volstaat meestal niet om de verplaatsingsvergoedingen te betalen.
In gewone scholen zijn vaak verschillende van die begeleiders aan het werk, in een bepaalde school zijn zelfs 13 begeleiders actief. Een discussie over de efficiënte organisatie van GON is daarom belangrijker dan enkel een discussie over de verplaatsingsvergoedingen.
Uit recent onderzoek blijkt dat GON-leerlingen vaak ook extra begeleiding krijgen tijdens of na de schooluren. Of het succes van GON afhankelijk is van die extra (door de ouders betaalde) hulp is niet onderzocht. Wat wel duidelijk was, is dat leerlingen uit kansarme milieus weinig gebruik maken van GON. Zij komen veel vaker in het buitengewoon onderwijs terecht.
Daarom is het dus zeker belangrijk om te onderzoeken of het rendement van gratis GON samenhangt met betaalde buitenschoolse hulp, vindt De Meyer. Het kan niet de bedoeling zijn dat het succesverhaal van GON beperkt blijft tot begaafde leerlingen uit gegoede gezinnen.

Commissie Landbouw besprak de beleidsbrief Landbouw, Visserij en Plattelandsbeleid en stemde de begroting

In de maand november worden in de commissies van het Vlaams Parlement de beleidsbrieven en de begrotingen besproken.
Vandaag werd in de commissie Landbouw de begroting gestemd en de beleidsbrief verder besproken.
Hieronder vindt u de managementsamenvatting.

De beleidsbrief kan u raadplegen op onderstaande link:
http://docs.vlaamsparlement.be/docs/stukken/2013-2014/g2234-1.pdf

Managementsamenvatting

De Vlaamse landbouw staat voor immense uitdagingen. Daarom hebben we de afgelopen jaren werk gemaakt van een landbouwbeleid dat innovatie koppelt aan duurzaamheid, rekening houdend met kostenefficiëntie en rechtszekerheid. Het vernieuwde landbouwbeleid treedt na 2014 in werking. We nemen nu de nodige beslissingen om de overgang naar dit nieuwe GLB zo vlot mogelijk te laten verlopen, met een zo min mogelijke impact voor de sector. Dat geldt zowel voor de hervorming van de inkomens- en marksteun als voor het nieuwe plattelandsontwikkelingsprogramma.
De land- en tuinbouw is meer dan andere sectoren gevoelig voor risico‟s en crisissen. De varkens- en melkveehouderij konden in moeilijke tijden rekenen op steun via overbruggingskredieten en versnelde uitbetaling van investerings- en vestigingssteun. Het nieuwe gemeenschappelijk landbouwbeleid bevat maatregelen om adequaat in te spelen op crisissen verbonden aan dier- of plantenziekten en op de gevolgen van aangetast consumentenvertrouwen. Een Vlaams beleid voor klimatologische risico‟s zal mogelijk worden na de regionalisering van het algemeen rampenfonds en het landbouwrampenfonds.
Ondanks de crisissen bleven de investeringen in de sector op een zeer hoog niveau. Vlaanderen keerde de afgelopen vier jaar jaarlijks gemiddeld 95 miljoen euro aan investeringssteun uit. Bedrijven investeren om doelstellingen in verband met milieu, dierenwelzijn en kwaliteit te halen, vaak ging dit gepaard met een aanzienlijke schaalvergroting. De sector professionaliseert ook. Sinds 2009 is het aantal actieve landbouwvennootschappen met 80% gestegen.
We creëren ontwikkelingskansen voor het hele palet aan bedrijven, van klein tot groot, gemikt op de binnenlandse markt of op de export. Het Strategisch Plan Biologische Landbouw 2013-2017 erkent de biologische landbouw als een waardevolle productiemethode en streeft een kwalitatieve en kwantitatieve groei van de biologische productie en een evenwichtige marktontwikkeling na.
VLAM blijft zowel werken voor de interne markt (producten van bij ons), de streekproducten als voor de export via een verdere uitbouw van de exportcel.
Er zal dit jaar een initiatief genomen worden om de buitenlandse promotie van onze Vlaamse gastronomie te versterken.
Samenwerking binnen de keten is een van de prioriteiten van het nieuwe landbouwbeleid. De macht van de producenten in de keten kan daardoor versterkt worden. Producenten- en brancheorganisaties zijn al een feit in de sectoren groenten en fruit en zuivel. Een ontwerp van besluit van de Vlaamse Regering maakt een erkenning van dergelijke organisaties mogelijk in alle andere sectoren.
Dankzij een goede voorbereiding de voorbije twee jaar is de Vlaamse land- en tuinbouw klaar om geïntegreerde gewasbescherming (IPM) tegen 2014 toe te passen. We besteedden ook aandacht aan dierenwelzijn: een werkgroep bereidt de afschaffing van chirurgische castratie van beerbiggen tegen 2018 voor en de omschakeling naar groepshuisvesting voor zeugen is nagenoeg voltooid. Bij de aanpak van voedselverliezen behoort Vlaanderen tot de koplopersgroep van Europa.
Het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) investeert volop in een toekomstgerichte landbouw- en visserijsector. Daarbij besteedt het aandacht aan een goede balans tussen investeringen in infrastructuur en in humaan kapitaal. Praktijkcentra en demonstratieprojecten zorgen voor een vlotte kennisdoorstroming van onderzoek naar praktijk. Ook het Europees innovatiepartnerschap Productieve en duurzame landbouw zal in de toekomst via operationele groepen die belangrijke interactie stimuleren.
De landbouwer verbreedt zijn activiteiten. Zo neemt hij een proactieve rol aan in agrarisch natuurbeheer, daarbij ondersteund door agromilieumaatregelen. In de voorbije legislatuur is het aantal zorgboerderijen sterk toegenomen, tot boven de 500 stuks. De sector kan eveneens een aanzienlijke bijdrage leveren in de bio-economie, als leverancier van grondstoffen, verwerker en afnemer van biogebaseerde materialen. Ook de korte keten biedt ontwikkelingskansen, hieraan wordt gewerkt via het kader van het Actieplan Korte Keten.
Bij de afbakening van gebieden van natuurlijke en agrarische structuur werden er sinds 2010 33 ruimtelijke uitvoeringsplannen behandeld. De landbouwimpactstudie is uitgegroeid tot een gedragen en snel inzetbaar instrument dat een snelle analyse van het huidige landbouwgebruik en de bestemming geeft. Bij de opmaak van het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen waken we over het vrijwaren van strategische aaneengesloten landbouwgebieden voor de professionele landbouw. Het ontwerp van decreet landinrichting voorziet in een uitgebreide decretale basis voor het flankerende landbouwbeleid.
Vandaag de dag kan de landbouwer via het e-loket tal van aanvragen indienen en heel wat gegevens raadplegen. Daardoor wordt de landbouwer administratief ontlast, terwijl de overheid efficiëntiewinsten boekt. We leveren ook inspanningen om de controles binnen de Vlaamse bevoegdheden beter te coördineren en te integreren en om de gegevensuitwisseling met externe diensten zoals het FAVV te optimaliseren.
Het decreet over het landbouw- en visserijbeleid treedt op 1 januari 2014 in werking. Daardoor wordt de bestaande regelgeving over het landbouw- en visserijbeleid coherenter en transparanter. De noodzakelijke voorbereiding van de overheveling van bevoegdheden in het kader van de zesde staatshervorming gebeurt in overlegstructuren waarin zowel de gewesten als de federale overheid vertegenwoordigd zijn.
Ook de Vlaamse visserij heeft toekomst. Onze langetermijnvisie is gericht op verduurzaming en differentiatie. De sloopregeling en het inleveren van capaciteit tegen meer vangstmogelijkheden hebben de vlootcapaciteit in evenwicht gebracht met de vangstmogelijkheden. Diverse visbestanden ontwikkelen in de richting van een maximale duurzame opbrengst of hebben die in bepaalde zones al bereikt. De klemtoon van het beleid ligt op een energie efficiëntere visserij met aangepast vistuig en een optimalisatie van de veilinginfrastructuur. Om vraag en aanbod beter op elkaar af te stemmen hebben we in 2013 een taskforce opgericht, waarin reders en veiling vertegenwoordigd zijn. Voor de Vlaamse vloot vormt de invoering van een aanlandingsplicht in het nieuwe gemeenschappelijke visserijbeleid de grootste uitdaging. Het actieplan „Selectief vissen doet leven‟ moet de selectiviteit van de Vlaamse vloot verder verhogen. We stimuleerden ook de ontwikkeling van de aquacultuursector met de oprichting van het Vlaams aquacultuurplatform. Voor het Vlaamse plattelandsbeleid breekt een nieuwe periode aan met de opstart van het Vlaams Plattelandsfonds, het Vlaams plattelandsplan en de nieuwe mogelijkheden en financiële middelen die beschikbaar komen in het kader van PDPO III voor de periode 2014 – 2020.

leslokaal van de toekomst

Er bestaat een duidelijke consensus over hoe onderwijs van morgen vorm moet krijgen, antwoordde minister Smet van Onderwijs op een vraag van Vlaams parlementslid Jos De Meyer over het “leslokaal van de toekomst”, een van de doelstellingen uit de beleidsnota voor de lopende legislatuur. In de “school van de toekomst” staan de competenties van de lerende centraal. ICT-integratie en nieuwe werkvormen spelen daarbij een ondersteunende rol.
Vorig jaar probeerde men drie pilootprojecten “School van de toekomst” te laten starten: een project rond modulair meubilair voor het basisonderwijs, een project rond de elektronische leeromgeving voor een economisch leercentrum in het secundair onderwijs, en een mobiele filmset voor het volwassenenonderwijs. Ondanks een vrij hoge opkomst voor de informatievergaderingen tekende niemand in op een aanbesteding voor één van de drie projecten. Een project uitwerken waarin gebouw, meubilair en ICT op elkaar afgestemd zijn, bleek voor de meeste bedrijven een brug te ver. Het project rond de mobiele filmset werd stopgezet, maar voor de andere projecten worden nieuwe trajecten onderzocht.
Volgens de minister van Onderwijs zijn er hoe dan ook al stappen gezet naar het “leslokaal van de toekomst”: het agentschap voor infrastructuur van het onderwijs (AgIOn) gaat ervan uit dat nieuwe scholen aangepast zijn aan nieuwe media. De tendens om nieuwe media te gebruiken in het onderwijs kan je niet terugschroeven, maar De Meyer sluit zich volledig aan bij de visie van de Vlaamse Scholierenkoepel: het belangrijkste blijft de interactie in de klas tussen leerkrachten en leerlingen.

Recordaantal buitenlandse inschrijvingen aan Vlaamse universiteiten

Onderwijs wordt internationaler. Studenten uit het hoger onderwijs trekken via Erasmusprojecten voor enkele maanden naar buitenlandse universiteiten, anderen schrijven zich voor hun volledige hogere studies in aan een buitenlandse universiteit. Het academiejaar 2013-2014 wordt een recordjaar voor het aantal buitenlandse inschrijvingen in Vlaanderen.
Voor Nederlandse studenten is Vlaanderen bijzonder aantrekkelijk, merkte Jos De Meyer op in zijn tussenkomst op de zitting van het Vlaams Parlement. Het inschrijvingsgeld in Vlaanderen bedraagt ongeveer 600 euro, terwijl men in Nederlandse universiteiten 1500 euro betaalt. Vooral de afdeling Diergeneeskunde van de Gentse universiteit heeft een groot aandeel Nederlandse studenten. Die opleiding is in Nederland slechts beperkt toegankelijk: het aantal inschrijvingen wordt beperkt door een numerus fixus. Als men overweegt dat een universiteitsstudent jaarlijks 10.000 euro kost aan de samenleving, is het zinvol dat daarover wordt nagedacht. Niet om internationalisering van het hoger onderwijs tegen te gaan, maar om na te gaan of het evenwicht bewaard blijft.