Verkiezingen14 – Nieuwe namen Oost-Vlaamse CD&V-lijst bekend gemaakt

Het provinciaal bestuur van CD&V Oost-Vlaanderen heeft vrijdagavond de eerste plaatsen voor de komende verkiezingen goedgekeurd.
Dat Joke Schauvliege de Vlaamse lijst zou trekken en Pieter De Crem de federale was al bekend. Nu werden ook een deel van de volgende namen op de lijst bekend gemaakt en de eerste opvolgersplaatsen.
Op de Vlaamse lijst komt Jos De Meyer op twee, Cindy Fransen op drie, gevolgd door Robrecht Bothuyne, Valerie Taeldeman en Iwein De Koninck. Op plaats 27 staat de Marc Van De Vijver, burgemeester van Beveren. De eerste opvolgers zijn Jenne De Potter en Leentje Grillaert.
Op de federale lijst volgt na Pieter De Crem Leen Dierick, Stefaan Vercamer, Veli Yuksel en Lieve Van Dale. De Aalsters ex-burgemeester Ilse Uyttersprot bekleedt de twintigste plaats. Eerste opvolgers op de federale lijst zijn Sarah Claerhout en Vincent Van Peteghem. “Er werd gekozen voor het opstellen van de klassieke bekenden en deze te laten aanvullen met nieuw bloed”, zegt provinciaal CD&V-voorzitter Marc Roman.
“Het is een erkenning van het werk door de mensen die nu op Vlaams en federaal niveau actief zijn en tegelijk is er, met de aanvulling van nieuwe gezichten, een verzekerde toekomst”, aldus Roman. “Het is een mooi evenwicht geworden voor alle regio’s, met aandacht voor alle profielen en in de juiste man-vrouw-verhouding. Uiteraard moet deze lijst nu nog aangevuld worden met vele mede-kandidaten die van deze goede modellijst, een sterke en krachtige volledige provinciale lijst zullen maken.” (Belga,PLE)

Gouverneur tikt stad op de vingers

Gouverneur tikt stad op de vingers

Provinciegouverneur Jan Briers heeft het Sint-Niklase stadsbestuur teruggefloten. Hij schorst de aanstelling van een studiebureau voor de herziening van het mobiliteitsplan. Dat gebeurt na een klacht van CD&V-gemeenteraadslid Jos De Meyer.

Het schepencollege wil tegen het voorjaar een nieuw mobiliteitsplan klaar hebben. Daarvoor doet het beroep op een studiebureau. De eerste toewijzing gebeurde in november vorig jaar voor 37.389 euro. Het schepencollege besliste in augustus dat het betrokken studiebureau een aantal extra opdrachten moest uitvoeren. Dat werd zonder aanbesteding principieel toegewezen aan datzelfde bureau voor 83.732 euro. In strijd met de wet op de overheidsopdrachten, vond Jos De Meyer. Hij krijgt nu gelijk van de gouverneur, die de aanstelling schorst. De motivatie van het schepencollege om hetzelfde studiebureau aan te stellen om de tijdswinst en omdat het bureau al bezig was met de mobiliteitsstudie kon de gouverneur niet overtuigen. Keerzijde is dat de opmaak van het mobiliteitsplan vertraging zal oplopen. “Maar de stad loopt nu toch al niet meer het risico in een burgerlijke procedure terecht te komen, waarbij andere studiebureaus een schadevergoeding eisen” ,aldus De Meyer.(Het Laatste Nieuws, Joris Vergauwen)

Is het beroep van leerkracht een knelpuntberoep?

Is het beroep van leerkracht een knelpuntberoep? Er bestaat volgens Vlaams parlementslid Jos De Meyer een tewerkstellingsprobleem in het onderwijs met grote regionale verschillen. In het secundair onderwijs bestaan er bovendien grote verschillen naargelang de vakken. Het recentste Arbeidsmarktrapport schetst bijvoorbeeld over heel Vlaanderen een grote nood aan leraars Frans, wiskunde en Nederlands, en een groot aanbod aan leraars sport en maatschappelijke vorming.
Een ander pijnpunt in het onderwijs is dat 22% van de startende leraren de school al na enkele jaren weer verlaat, omdat ze geen werkzekerheid vinden: ze wisselen korte vervangingsopdrachten af met periodes van werkloosheid. Het decreet bestuurlijke schaalvergroting had daar een oplossing voor kunnen bieden, antwoordde minister Smet op de vraag die De Meyer hem had gesteld over de werkonzekerheid van jonge leraren.
Door de grote uitstroom van jonge leerkrachten gaat voor de scholen een groot potentieel verloren. Scholen die dat willen vermijden, kiezen er daarom ook vaker voor om de jonge leraars in te zetten in vakken waarvoor ze niet het passende diploma hebben.
Men veronderstelt vaak dat de uitstroom van jonge leerkrachten kan worden verminderd door een betere startbegeleiding op de scholen, maar er is volgens De Meyer duidelijk ook een structureel probleem: anciënniteit opbouwen is beperkt tot de eigen scholengemeenschap, en leraars die ervaring opdoen in verschillende scholengemeenschappen, kunnen jaren aan de slag zijn zonder rechten te verwerven op een nieuwe aanstelling. Het optellen van anciënniteit uit verschillende scholengroepen of scholengemeenschappen was een suggestie van De Meyer waar de minister zich niet over uitsprak.
“Ik onderzoek nog welke mogelijkheden er zijn om nog deze legislatuur iets rond de werkzekerheid van beginnende leraren te realiseren, ” stelde de minister, want het decreet schaalvergroting komt er dus (nog) niet direct.
“Er zijn zeker mogelijkheden om nog iets te doen,” vindt De Meyer, die verwijst naar zijn voorstellen om via proefprojecten het nut uit te testen van een nieuw type vervangingspool met uitdagingen voor oudere leraars en langere werkzekerheid voor starters.

Eerste ronde voor het Plattelandsfonds: een succes!

102 projecten in 50 gemeenten worden samen voor 8 miljoen euro gesubsidieerd via het Plattelandsfonds. Dat antwoordde Minister-President Kris Peeters op een vraag van Vlaams parlementslid Jos De Meyer in de commissie Landbouw.
De projecten beantwoorden elk aan een van de volgende plattelandsdoelstellingen:
– inspanningen leveren tot het vrijwaren en ontwikkelen van de open ruimte,
– bijzondere aandacht hebben voor de kwetsbare gebieden, meer bepaald de natuurgebieden,
– een functioneel wegennet op het platteland verder onderhouden, herstellen of heraanleggen
– bijdragen tot het beheren en onderhouden van het waterstelsel van lokaal belang,
– rurale ondernemers ondersteunen,
– de landbouw op het platteland versterken en verbreden,
– toerisme en recreatie op het platteland kansen geven,
– aandacht hebben voor kwetsbare groepen op het platteland en
– de leefbaarheid van de dorpen stimuleren.
Niet enkel Jos De Meyer, maar de volledige commissie waardeerde de snelheid en de efficiëntie waarmee in 2013 gewerkt is om het Fonds operationeel te maken.

In bijlage de volledige lijst goedgekeurde projecten.

Terugvordering salaris onderwijspersoneel niet billijk

188 Leerkrachten kregen onlangs een brief in de bus met de vraag om geld terug te storten aan de overheid. Het was loon voor prestaties van meer dan vijf jaar geleden dat pas vorig jaar uitbetaald was. Omdat de wetgeving ondertussen werd aangepast, werd die te late uitbetaling weer teruggevorderd. Vlaams parlementslid Jos De Meyer vroeg of dat wel billijk was.

De regelgeving in het onderwijs is complex, en als een personeelslid een nieuwe opdracht krijgt is het soms niet direct duidelijk op welke wedde men recht heeft. Als er in eerste instantie te weinig betaald is, corrigeert het Agentschap voor Onderwijsdiensten (AgODi) dat door achterstallen te betalen. Vroeger gebeurde dat tot tien jaar na datum, maar onlangs is die termijn door de federale overheid teruggebracht tot vijf jaar. De administratie van Onderwijs was daardoor verplicht om geld terug te vorderen van 188 leerkrachten. In totaal gaat het om 400.000 euro.

De betrokken personeelsleden hebben dus niet alleen vijf tot tien jaar moeten wachten op een deel van hun bezoldiging, maar ze moeten er een jaar later een belangrijk deel van terugstorten. Eenvoudig is dat niet, omdat het vaak gaat om aanzienlijke sommen die soms al gebruikt zijn voor grotere aankopen. Minister Smet had begrip voor de bedenkingen van De Meyer, en wou het dossier voorleggen op de Vlaamse Regering.

De Meyer besluit: “Mijn vraag is niet bedoeld als kritiek op AgODi, een agentschap dat steevast goed werk levert. Maar de billijkheid vereist dat er een oplossing komt voor wat misgelopen is. Ik ga ervan uit dat de Vlaamse Regering vrijdag met een aanvaardbare oplossing voor de dag komt, zodat de leerkrachten niet de dupe worden van een administratieve fout. Het gaat per slot van rekening over de correctie van betalingen voor werkelijk geleverde prestaties.”

Starters in de landbouw hebben vooropleiding in de sector

Landbouwers zijn ondernemers in het kwadraat, omdat ze in hun bedrijf moeten omgaan met levende materie, vindt Vlaams minister-president Kris Peeters, bevoegd voor landbouw. Uit het antwoord dat hij gaf op de vraag van Vlaams parlementslid Jos De Meyer blijkt ook dat die startende ondernemers duidelijk gekozen hebben voor een passende opleiding.
Het opleidingsniveau van de starters in de landbouwsector verschilt sterk: in 2012 begonnen nog 30% van de starters met hun bedrijf na een lage scholing, terwijl dat in 2010 ging over 40%. Het aandeel hooggeschoolden wisselt ook: 18% in 2009, 28% in 2010, 18% in 2011 en 26% in 2012.
Al bij al gaat het in die vier jaren om in totaal 601 starters. Het opleidingsniveau toont schommelingen, maar geen duidelijke tendensen. De starters hebben wel in overgrote meerderheid een vooropleiding in de landbouwsector: slechts 31van die 601, dus 5%, komt niet uit een studierichting in de sector.
__________

Nieuwe boeren komen vooral uit de landbouwopleidingen

Landbouwers zijn ondernemers in het kwadraat, liet Vlaams minister-president Kris Peeters al meermaals optekenen. Uit het antwoord dat hij gaf op de vraag van Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer (CD&V) blijkt dat die startende ondernemers kiezen voor een passende opleiding. Slechts 31 van de 601 starters van 2009 tot 2012 genoot geen aan landbouw gerelateerde opleiding.

Het opleidingsniveau van de starters in de landbouwsector wisselt sterk. In 2012 begon 30 procent van de starters met hun bedrijf na een lage scholing, terwijl dat aandeel in 2010 op 40 procent lag. Het aantal hooggeschoolde starters schommelde de voorbije jaren: 18 procent in 2009, 28 procent in 2010, 18 procent in 2011 en 26 procent in 2012.

In die vier jaren hebben 601 personen zich gevestigd als landbouwer. De overgrote meerderheid van de starters volgde een vooropleiding die met landbouw te maken heeft. Slechts 31 van de 601 starters, dus vijf procent, startte zonder opleiding met een landbouwbedrijf of komt uit een studierichting die niets met landbouw te maken heeft.

In een socio-economische situatie waarin het aantal tewerkgestelden in de landbouw verder daalt terwijl de bedrijfsgrootte en -intensiteit toenemen of op zijn minst stabiel blijven, vindt Vlaams parlementslid Jos De Meyer het belangrijk dat startende landbouwers voldoende vaardigheden en kennis hebben. “Vorming is daarvoor belangrijk.”
(Vilt)

Agribex: opnieuw een succes!

De 68e editie van Agribex is achter de rug. Gedurende zes dagen wisten 351 exposanten verspreid over een netto-oppervlakte van 61.000 m² ruim 114.000 professionele bezoekers te enthousiasmeren met innovaties en een uitgebreid productgamma. Het beursthema ‘Touch your dream’ was tekenend voor de goede sfeer in Brussel Expo.
Vorige zaterdag brachten we met de commissie Landbouw een bezoek aan de landbouwbeurs. Ik mocht zaterdag de bel luiden om deze dag officieel te openen. Ook de minister-president was present bij ons bezoek aan het nieuwe logo van de Groene Kring.

Onderwijsadministratie wil in totaal 400.000 euro aan leerkrachtlonen terugvorderen

De Vlaamse onderwijsadministratie maakt zich op om in totaal 400.000 euro aan lonen terug te vorderen bij 188 leerkrachten. De terugvordering heeft te maken met een uitbetalingsvergissing. De Vlaamse ombudsman Bart Weekers roept de Vlaamse overheid op de terugvordering te annuleren en het bedrag zelf op zich te nemen. Vlaams minister van Onderwijs Pascal Smet bekijkt of kan ingegaan worden op de suggestie van de ombudsman.
Het bericht raakte eerder deze week bekend. Door een uitbetalingsvergissing moet een hele reeks leerkrachten loon terugbetalen. In sommige gevallen gaat het om bedragen van meer dan 20.000 euro.
Alles heeft te maken met het feit dat het Agentschap voor Onderwijsdiensten (AgODI) vroeger achterstallige weddes tot tien jaar na datum uitbetaalde. Dat gebeurt bijvoorbeeld bij foute berekeningen of wanneer een leerkracht foute informatie heeft doorgegeven. Een nieuwe wet, die op 1 januari 2012 van kracht ging, bracht de termijn voor het uitbetalen van achterstallige weddes terug op vijf jaar.
Nu is gebleken dat een heleboel personeelsleden vorig jaar toch nog achterstallig loon tot tien jaar na datum hebben gekregen. Een fout die AgODI nu probeert recht te zetten door bij alle betrokkenen het geld terug te vorderen.
Eerder was gezegd dat het ging om enkele tientallen tot honderd leerkrachten. Maar uit een overleg tussen de Vlaamse ombudsman en de onderwijsadministratie blijkt dat het gaat om in totaal 188 leerkrachten bij wie voor in totaal 400.000 euro zou worden teruggevorderd.
De Vlaamse ombudsman dringt er bij de Vlaamse overheid overheid op aan “billijkheid te betonen”. Concreet suggereert hij aan de Vlaamse decreetgever om de terugvordering van 400.000 euro te annuleren en op te nemen in de lopende bespreking van de begroting voor 2014. “Deze terugvordering is een bijzonder marginaal bedrag in het licht van de totale onderwijsmiddelenbegroting”, zo staat te lezen in het advies van de ombudsman.
Vlaams parlementslid Elisabeth Meuleman (Groen) dringt er bij onderwijsminister Pascal Smet op aan om de suggestie van de ombudsman te volgen. “Het is de onderwijsadministratie die in de fout is gegaan. De fout ligt daar, niet bij de leerkrachten zelf. Bovendien gaat het om niet zo’n groot bedrag. Dan kan perfect binnen de begroting, lijkt me. Het lijkt me alleen maar billijk indien de terugvordering wordt geannuleerd”, aldus Meuleman.
Ook CD&V-onderwijsspecialsit Jos De Meyer wil de denkpiste van de ombudsman wel overwegen, maar wil eerst alle gegevens verzamelen. “De fundamentele vraag is of we dit juridisch-technisch correct kunnen regelen en kunnen komen tot een billijke en rechtvaardige oplossing”, aldus De Meyer. De CD&V-er heeft in het Vlaams Parlement een vraag ingediend over de kwestie. Die zou op donderdag 12 december behandeld worden.
Minister Smet zelf lijkt alvast oren te hebben naar de suggestie van de ombudsman. “Ik ben recent ingelicht over dit dossier. We staan welwillend tegenover de suggesties en bekijken momenteel of het kan”, aldus de sp.a-minister.(Belga)

Vlaanderenbrede reaffectatiecommissie overbodig!

Voor de Vlaanderenbrede reaffectatiecommissie is inderdaad een kosten-batenanalyse nodig, antwoordde minister Smet van Onderwijs op de vraag die Vlaams parlementslid Jos De Meyer hem voorlegde.
Als scholen leerlingen verliezen, moeten benoemde personeelsleden elders aan het werk gezet worden, maar in 99% van de gevallen lukt dat binnen de eigen scholengemeenschap.
Voor de overblijvende problemen moet de Vlaamse Reaffectatiecommissie een oplossing zoeken. Dit jaar ging het om minder dan 50 personeelsleden, in omgerekend 33 voltijdsequivalenten. Volgens De Meyer wogen de baten niet meer op tegen de financiële en maatschappelijke kosten. Omdat de Vlaamse reaffectatiecommissie bovendien een groot deel van het schooljaar doorwerkt, bestaat het risico dat personeelsleden een eind ver in het schooljaar nog getroffen worden door een toewijzing. Dat is een blijvende bron van onrust voor scholen en personeelsleden.
Aanstellingen door de Vlaamse reaffectatiecommissie kunnen gebeuren in een plaats van tewerkstelling tot 60 km afstand, ook als het gaat om een reaffectatie of wedertewerkstelling van slechts één uur of enkele uren. Ook dat levert verhoudingsgewijs te hoge onkosten voor verplaatsing op, en het kan in sommige gevallen een onevenredig zware belasting zijn voor gereaffecteerde personeelsleden.
Minister Smet is dus bereid om op korte termijn de grote overkoepelende reaffectatie te evalueren, maar doet op dit moment geen concrete beloften. Wie de situatie kent, weet dat dit een budgetvriendelijke en logische stap kan worden, aldus De Meyer.

Weet de moderne landbouw Vlaamse politici te charmeren?

Geen van hen heeft een glazen bol, maar door hun werk zijn ze voortdurend met landbouw bezig. Daarom vroegen we zeven Vlaamse parlementsleden uit de commissie Landbouw hoe ze de sector verder zien evolueren. Eén van hen merkt op dat landbouw complexer, kapitaalsintensiever, innovatiever en multifunctioneler wordt. “De boeren zoals we die kennen uit de boeken van Timmermans, Claes of Streuvels zijn niet meer.”

Namens elke politieke fractie reageerde één Vlaams parlementslid uit de commissie Landbouw op de vraag hoe zijn of haar partij tegenover schaalvergroting, ggo’s en andere hot items in de landbouw staat. Daarbij dachten ze ook na over de richting waarin onze landbouw verder zal evolueren. Karlos Callens gaat ervan uit dat de schaalvergroting doorzet omdat deze trend inherent is aan de globalisering van de landbouw. Met betrekking tot ggo’s beroept zijn partij zich op de vrijheid van denken. “Het onderzoek moet kansen krijgen. We willen dat dit debat op basis van harde feiten gevoerd wordt.”

Ook CD&V spreekt zijn steun uit voor onderzoek naar genetische modificatie door middel van proefvelden met gewijzigde gewassen. “We steunen de versterking van het wetenschappelijk beoordelingsproces (risicobeoordeling voor de volksgezondheid en het leefmilieu) dat een teelttoelating van ggo’s voorafgaat. Onze partij is er principieel voorstander van om de beoordeling van ggo’s op Europees niveau te houden”, legt Jos De Meyer uit.

In de schaalvergroting van de landbouw – waarbij de omvang van Vlaamse boerderijen nog altijd relatief beperkt is – ziet de CD&V-volksvertegenwoordiger zowel een gevolg van mechanisering en automatisering als een strategie van bedrijfsleiders om de kostprijs te drukken. De Meyer is ervan overtuigd dat grotere bedrijven ecologisch en economisch duurzamer kunnen zijn, en troeven hebben op het vlak van dierenwelzijn. Omgekeerd zijn het vaak nieuwe milieu- en andere verplichtingen die bedrijven tot uitbreiding aanzetten. CD&V vindt dat het beleid bedrijfsleiders die ruimte moet laten. “Binnen het wettelijk kader mogen zij hun strategie bepalen.”

Tine Eerlingen van N-VA heeft het in haar betoog over een evenwicht tussen “gezonde grootschalige landbouw” en kleinschalige landbouw. Daar hoort een eerlijkere verdeling van de Europese inkomenssteun bij. Zij spreekt haar waardering uit voor kleine landbouwers-ondernemers die door verbreding (korte keten, toerisme, landschapsbeheer, enz.) inspelen op maatschappelijke noden. Op die manier versterken ze het sociaal weefsel op het platteland en de aantrekkelijkheid en leefbaarheid van dat platteland.

Inzake ggo’s luidt het bij N-VA dat onderzoek belangrijk is. “Kennisopbouw is nodig om te kunnen oordelen over de ontwikkelingen in andere continenten.” Uiteraard kan dit voor de partij enkel als de proeven wetenschappelijk veilig zijn, dat wil zeggen zonder gevaar voor contaminatie van niet-ggo’s. Daarnaast wil N-VA ook vermijden dat er monopolies in de toelevering aan de landbouw ontstaan, omdat dit de voedselvoorziening in het gedrang kan brengen.

Anders dan Groen – een notoir tegenstander van ggo’s – is sp.a niet per definitie tegen. Els Robeyns spreekt haar steun uit voor ggo’s die verduurzaming ondersteunen, bijvoorbeeld door de weerstand van planten tegen extreem weer of een hoog zoutgehalte te verhogen. Ze vraagt wel om ook oog te hebben voor de mogelijke risico’s op vlak van gezondheid, monopolies en kruisbestuiving met gangbare planten.

Over de trend van schaalvergroting en intensivering zegt Groen-parlementslid Dirk Peeters het volgende: “Door omstandigheden – Vlaanderen is een klein en dicht bebouwd land – lijkt dat een onafwendbare evolutie. Maar dat wil niet zeggen dat we schaalvergroting en kapitaalsintensivering moeten aanmoedigen om op die manier te groeien naar agroconcerns. Integendeel, Groen blijft ook in een intensief model opteren voor een familiale landbouw die ondersteund wordt met een aangepast subsidiebeleid.”

Volgens Stefaan Sintobin van Vlaams Belang kiezen landbouwbedrijven voor schaalvergroting omdat het landbouwinkomen al jaren onder druk staat. “De overheid moet volgens ons zorgen voor een gezonde mix van familiale landbouw en grotere landbouwbedrijven. We zijn er van overtuigd dat voor allebei plaats is in Vlaanderen.” Mega-boerderijen laat Vlaams Belang liever aan het kleine Vlaanderen voorbijgaan.

Vrij wetenschappelijk onderzoek is voor LDD een basisgedachte, maar de partij van Peter Reekmans koppelt daar wel randvoorwaarden aan voor proeven met ggo’s buiten het labo. Over ggo’s mogen we dus concluderen dat de meeste partijen hetzelfde denken want ook Vlaams Belang wil het debat voeren op basis van wetenschappelijke en correcte gegevens en niet op basis van emoties. “Al te vaak wordt het debat door tegenstanders ‘vergiftigd’ door al te zeer de populistische toer op te gaan”, legt Sintobin uit.

In zijn vooruitblik staat Jos De Meyer (CD&V) vooral stil bij uitdagingen zoals duurzaamheid, de maatschappelijke inbedding van de sector, de volatiliteit van het landbouwinkomen en het crisisbestendiger maken van de sector. Karlos Callens (Open Vld) vindt dat het beleid de kans heeft en moet grijpen om de risico’s waaraan een landbouwer blootgesteld is te verkleinen, en zo nodig de gevolgen van calamiteiten te verzachten. “De overheid moet zorgen voor de juiste tools zodat landbouwers hun moderne rol kunnen spelen”, aldus Callens, die de landbouwer-ondernemer verwelkomt en afscheid neemt van de boeren uit de boeken van Vlaamse schrijvers.

Om de toekomst van de landbouw veilig te stellen, vraagt Tine Eerlingen (N-VA) om zwaar in te zetten op een rationeler antibioticagebruik in de veehouderij. Maar evenzeer gaat haar aandacht uit naar correcte prijzen voor landbouwproducten en mogelijke instrumenten daartoe: de korte keten en producentenorganisaties waarin landbouwers gezamenlijk kunnen onderhandelen met hun afnemers.

De discussie over het lage landbouwinkomen is in de commissie al zo vaak gevoerd dat Stefaan Sintobin (Vlaams Belang) vreest dat enkel een mentaliteitsverandering bij de consument soelaas zal brengen. “Zolang de consument niet erkent dat veilig en kwaliteitsvol voedsel een prijs heeft, en warenhuizen voedsel aan belachelijk lage prijzen aanbieden, zal het probleem blijven bestaan.” Verandert er niets, dan spelen de grotere bedrijven volgens Sintobin met de betere kaarten en krijgen familiale (kleinschalige) bedrijven het lastig.

Peter Reekmans reageert nuchter op evoluties zoals schaalvergroting: “Bepaalde dingen kan je betreuren, maar je aanvaardt ze beter in een geglobaliseerde wereld. Wat niet betekent dat je niet kan werken aan verbeteringen, en trends kunnen altijd veranderen.” Op langere termijn ziet hij mooie perspectieven voor het landbouwinkomen. “We eten en drinken allemaal, en in het geval van de inwoners van de opkomende economieën steeds meer. Bovendien hebben mensen stilaan weer oog voor kwaliteit, en begrijpen ze dat voedsel niet bijna gratis kan zijn.”

Geen deeltijds ziekteverlof voor niet-benoemde personeelsleden in het onderwijs

Personeelsleden in het onderwijs die nog niet benoemd zijn, kunnen als ze dat wensen na een periode van langdurige ziekte deeltijds terug beginnen werken, maar ze kunnen geen deeltijds ziekteverlof krijgen voor de rest van hun opdracht. Ze kunnen wel verlof zonder wedde nemen, antwoordde minister Smet aan Vlaams parlementslid Jos De Meyer.
Dat “verlof zonder wedde”(in onderwijstaal wordt dat “deeltijdse terbeschikkingstelling voor persoonlijke aangelegenheden”) is niet het deeltijds ziekteverlof dat bestaat in andere sectoren, want er staat geen tegemoetkoming van het ziekenfonds tegenover. Als de adviserend geneesheer van het ziekenfonds aan de betrokken personeelsleden dus voorstelt om het eerst nog wat rustiger aan te doen en om nog niet voltijds te herbeginnen, dan hebben ze daar financieel nadeel aan.

De minister ging niet in op de vraag van De Meyer of er een reden was voor die uitzondering. Hij gaf ook aan dat er voorlopig geen initiatief genomen zou worden om ze weg te werken.
Toch is het niet logisch dat iemand die zich fysiek al beter voelt, niet deeltijds aan de slag zou mogen zonder zich slechter te voelen in zijn portemonnee, vindt De Meyer. Het kan toch niet de bedoeling zijn dat we die mensen voltijds in de ziekteverzekering houden als ze al deeltijds aan de slag willen?

“Flexibele” leraars kunnen problemen krijgen met werkloosheidsvergoedingen

Om recht te hebben op een werkloosheidsvergoeding moet men een periode gewerkt hebben, maar er moeten gedurende die periode ook sociale zekerheidsbijdragen betaald zijn. In het antwoord dat minister Smet van Onderwijs gaf aan Vlaams parlementslid Jos De Meyer bleek dat die heldere regel wel problemen kan opleveren voor leraars of ambtenaren die van job veranderen… iets om in de gaten te houden in een wereld van arbeidsmobiliteit en zij-instromers.

Voor wie vast benoemd is, stort de overheid immers geen bijdragen, omdat die in principe niet werkloos kan worden.
Wie naar een andere dienst of regio verkast, kan daar toch problemen mee krijgen, want een benoeming neem je niet zomaar mee naar een nieuwe aanstelling. Als het tegenvalt, kan je dus wel werkloos worden. Heb je lang genoeg gewerkt, dan kan je recht hebben op werkloosheidsvergoeding, maar het is mogelijk dat er dan toch onvoldoende bijdragen betaald zijn. Het is niet duidelijk of dat probleem verholpen kan worden door de ontbrekende bijdragen alsnog te storten. Het departement Onderwijs geeft geen antwoord op de vraag wanneer dat dan zou moeten gebeuren en wie die bijdragen moet storten.
Voor personeelsleden die ontslagen worden of afgezet zijn, is er wel een specifieke regeling, merkt De Meyer op. Zij worden pas definitief uit hun ambt verwijderd na een opzeggingstermijn die wordt vastgesteld volgens het aantal arbeidsdagen dat vereist is om aanspraak te kunnen maken op werkloosheidsuitkeringen.

Politiek mikt op betere leerkrachtenopleiding

De politieke partijen trekken uit het jongste Pisa-onderzoek verschillende conclusies. Al ziet iedereen de noodzaak om de kwaliteit van de leerkrachten op te krikken.

De resultaten van het Pisa-onderzoek kwamen niet onverwacht. Voor wiskunde doet Vlaanderen het goed op Europees vlak, maar nemen enkele Oosterse tijgers afstand. Samen met Vlaanderen vallen heel wat Europese landen ten prooi aan een daling, al zijn er ook uitzonderingen. Oeso-topman Dirk Van Damme zag in dat laatste een ‘rechtstreeks gevolg van de hervorming van het secundair onderwijs’.

Een mogelijke hervorming splitte enkele maanden geleden de Vlaamse regering. De N-VA wilde van structurele aanpassingen niet weten en pleitte voor de remediëring van pijnpunten. ‘Geen tabula rasa,’ herhaalde N-VA-onderwijsspecialist Kris Van Dijck gisteren. CD&V en SP.A wilden verder gaan. Zij opteerden voor een bredere eerste graad (met een uitstel van studiekeuze) en de oprichting van domeinscholen (waarbij de opdeling aso, tso en bso wordt vervangen door arbeidsmarktgerichte of doorstroomgerichte belangstellingsgebieden, of een combinatie van beide).

Minister van Onderwijs Pascal Smet (SP.A) zag in de cijfers het bewijs van het eigen gelijk. ‘De hervorming is noodzakelijk om ons onderwijs op topniveau te houden. Ons onderwijs zit op een keerpunt. Of we doen verder zoals vandaag en we glijden de volgende jaren verder af op de ranking. Of we slaan een weg in die alle leerlingen, van welke studierichting of achtergrond ook, maximaal uitdaagt.’

Daarbij gaf hij een por aan coalitiepartner N-VA. ‘Aangezien ook de best presterende leerlingen erop achteruitgaan is het nodig het aso mee te nemen in de hervorming en niet ongemoeid te laten zoals sommigen bepleiten.’ Het Pisa-onderzoek reveleerde immers dat het aantal toppresteerders daalde van een op drie, tien jaar geleden, naar een op vier.

Van Dijck nuanceerde. ‘We schikken ons naar het idee van de domeinscholen. Maar we moeten van die structuurhervormingen geen heil verwachten. Vlaanderen staat in Europa op de tweede plaats. Met dat resultaat kan je toch naar huis komen,’ stelde hij. ‘Het eerder dit jaar goedgekeurde masterplan remedieert overigens een aantal knelpunten. Zo komt er meer wetenschappen in de lagere school. Meer aandacht voor de kennis van het Nederlands moet verder de uiteenlopende prestaties tussen Nederlands- en anderstalige leerlingen verkleinen.'(De Standaard, Bart Brinckman)

Negatieve keuze

CD&V kiest voor een middenpositie. ‘Elke vorm van zelfgenoegzaamheid is misplaatst,’ zegt Vlaams parlementslid Jos De Meyer. Hij wil het rapport eerst bestuderen. ‘Maar het is irrealistisch om alle heil van een structuurhervorming te verwachten. We moeten het kind niet met het badwater weggooien.’

De drie meerderheidspartijen vinden elkaar wel in een noodzakelijke hervorming van de leerkrachtenopleiding. Onlangs hekelde een onderzoeksrapport de zwakke instroom van kandidaat-lesgevers. Als mogelijke maatregel suggereerde onderwijsspecialist Van Damme een ingangsexamen, iets waarin hij gisteren werd gevolgd door de N-VA.

Van Dijck: ‘Op dit ogenblik blijft het al te veel een negatieve keuze. Toekomstige leerkrachten moeten vanuit een positieve attitude eendéclic kunnen maken. Leerkrachten moeten meer aandacht besteden aan het kennen in plaats van het kunnen, het cognitieve moet weer de bovenhand halen.’

Voor CD&V en SP.A gaat een ingangsexamen zeker te ver. Toch denkt ook De Meyer dat een ‘versterking van de leerkrachtenopleiding fundamenteel wordt voor de toekomst van het onderwijs’. Smet zelf startte alvast zes werkgroepen die maatregelen moeten voorbereiden voor zijn opvolger.

Welke reacties weekt GLB los in het Vlaams Parlement?

Hoe denken de Vlaamse parlementsleden uit de commissie Landbouw over de richting die het Europees landbouwbeleid inslaat? De reacties lopen uiteen, van opluchting bij CD&V, over realisme omtrent het compromis bij LDD en Open VLD tot ontgoocheling over gemiste kansen bij N-VA, maar vooral bij sp.a en Groen. Vlaams Belang wacht de implementatie af alvorens een oordeel te vellen.

De Vlaamse parlementsleden die in de commissie Landbouw zetelen, geven mee richting aan het landbouwbeleid, ondersteunen de beleidsbeslissingen of stellen er kritische vragen over. Door middel van interpellaties, schriftelijke en mondelinge vragen om uitleg en de daarbij horende discussies oefenen zij controle uit op het beleid dat de Vlaamse regering inzake landbouw voert. Parlementsleden uit de oppositie zijn er als de kippen bij om eventuele knelpunten in het beleid te signaleren. Maar er wordt ook geregeld samengewerkt, over enkele of zelfs alle partijgrenzen heen, bijvoorbeeld aan resoluties of voorstellen van decreet.

De commissie Landbouw is een plek voor debat over verschillende visies op landbouw. Door de parlementsleden een vijftal vragen voor te leggen, proberen we dat in onze wekelijkse duiding geVILT te weerspiegelen. In dit nieuwsartikel zoomen we in op de reacties van zeven commissieleden, één van elke politieke fractie, op het politiek akkoord dat deze zomer op Europees niveau bereikt werd over het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) van de 28 lidstaten.

Het meest tevreden daarover lijkt CD&V-volksvertegenwoordiger Jos De Meyer, die tevens voorzitter is van de commissie Landbouw.

Jaarlijks gaat er ongeveer 250 miljoen euro Europese inkomenssteun naar de Vlaamse landbouw. Dat het GLB-dossier veel aandacht kreeg, vindt De Meyer niet meer dan terecht gelet op de grote gevolgen van de hervorming voor de sector. “In de loop van de besprekingen zijn er gelukkig nog een aantal wijzigingen aangebracht die de landbouwsector ten goede komen. Denk hierbij vooral aan de vergroeningsvoorstellen die oorspronkelijk heel ver gingen maar nu van meer realiteitszin getuigen. Minister-president Kris Peeters heeft hierin op vraag van de landbouworganisaties en gesteund door de commissie Landbouw een grote rol gespeeld.”

Het eindresultaat van de hervorming van het Europees landbouwbeleid kan N-VA-parlementslid Tine Eerlingen niet helemaal overtuigen: “Positief zijn de mogelijkheid tot het organiseren van een betere marktwerking, de maatregelen voor risicobeheer en de steun voor jonge landbouwers. Op lange termijn moet de directe inkomenssteun aan landbouwers (pijler I) echter afgebouwd worden ten voordele van de middelen voor plattelandsontwikkeling (pijler II). De ambities van de Europese Commissie inzake de vergroening in pijler I zijn gaandeweg afgezwakt. We hopen dat dit gecompenseerd kan worden via het Vlaamse programmeringsdocument voor plattelandsontwikkeling.”

Volksvertegenwoordigers Karlos Callens (Open Vld) en Peter Reekmans (LDD) kunnen leven met het resultaat gegeven de context. “Een compromis tussen 28 landen met een zeer uiteenlopende landbouwstructuur, dat bovendien uitgestippeld moet worden binnen krimpende budgettaire marges en moeilijke politieke contouren, kan niet perfect naar ieders zin zijn. Het belangrijkste is dat er meer ruimte komt voor een beleid op maat van de lidstaten of regio’s binnen de door Europa bepaalde contouren”, aldus Callens. “De trend is gezet zonder een revolutie te ontketenen”, oordeelt Reekmans. Hij vergelijkt de EU met een tanker die je ook niet van het ene op het andere moment van richting doet veranderen.

Zowel Dirk Peeters (Groen) als Els Robeyns (sp.a) vinden dat er te veel goede elementen uit het originele Commissievoorstel gesneuveld zijn in het akkoord tussen lidstaten, Parlement en Commissie. “Historische kansen voor een duurzamere en groenere Europese landbouw zijn gemist”, windt Peeters er geen doekjes om. Robeyns spreekt op haar beurt van een gemiste kans omdat de beoogde vergroening is uitgehold, en enkele Europese milieurichtlijnen niet meegenomen worden in de randvoorwaarden voor inkomenssteun. “De biodiversiteit staat onder druk, zeker (ook) in landbouwgebied. Die achteruitgang stoppen tegen 2020 is voor sp.a belangrijk. Wij zijn ervan overtuigd dat biodiversiteit belangrijk is voor de veerkracht van agro-ecologische systemen. Door uitzonderingsmodaliteiten mag van vergroening en verduurzaming van de landbouw geen lege doos gemaakt worden.”

Van de zeven commissieleden houdt Stefaan Sintobin van Vlaams Belang zich het meest op de vlakte, en hij legt ook uit waarom: “Er staan ongetwijfeld ook positieve zaken in het nieuwe Europese landbouwbeleid, maar we zijn heel voorzichtig en blijven waakzaam. Ik wil eerst de implementatie van het nieuwe beleid zien alvorens een definitief oordeel te vellen. Als EU-kritische partij wil Vlaams Belang vooral waarschuwen voor te veel bemoeizucht vanuit de EU en willen wij vooral dat er rekening wordt gehouden met de specifieke Vlaamse context waarin de land- en tuinbouwsector moet opereren.” (Vilt)

Vlaamse parlementsleden in de commissie Landbouw

“De commissie Landbouw is met glans in haar opdracht geslaagd”

Deze legislatuur was de commissie Landbouw van het Vlaams Parlement voor het eerst een volwaardige en geen subcommissie. Ietwat achter de schermen leveren de commissieleden een niet te onderschatten bijdrage aan het landbouwbeleid. Dat doen ze door de beleidsbrief van de minister van Landbouw te bespreken en over decreten in dit vakgebied te stemmen. Iedere woensdag bestoken ze Kris Peeters met vragen, waarmee ze een oogje in het zeil houden en bijdragen aan het maatschappelijk debat over moeilijke kwesties zoals ggo’s. Via hoorzittingen, gedachtewisselingen en werkbezoeken houden ze de vinger aan de pols. Hoog tijd dus om een met landbouw begaan commissielid van elke politieke fractie aan de tand te voelen.

Noem één dossier waarin de commissie door haar tussenkomst zwaar op het beleid gewogen heeft.

Jos De Meyer (CD&V): Sedert jaren wordt er in de commissie geïnterpelleerd over arbeidsongevallen in de landbouwsector. Dat heeft – na een rondetafel georganiseerd door Kris Peeters – geleid tot het opstellen van een actieplan.
Dirk Peeters (Groen): Zwaar wegen is sterk verwoord, maar rond de bijenproblematiek heeft de commissie duidelijk het heft in handen en het voortouw genomen. Dat resulteerde in een resolutie die ijverde voor een actieplan voor het behoud van de bij.
Peter Reekmans (LDD): Een recent voorbeeld is het Plattelandsfonds, ten eerste dat het er kwam en vervolgens dat er snel extra middelen gezocht werden om een maximum aan plattelandsgemeenten te bereiken. Hier werd over de grenzen van meerderheid en oppositie aan gewerkt, met resultaat.
Tine Eerlingen (N-VA): Het belang van een risicoverzekering tegen schade door extreem weer of andere rampen werd herhaaldelijk onderstreept. We dienden hierover een resolutie in en nodigden een Canadese expert uit om het systeem toe te lichten. Zo gaven we de aanzet om bij de regionalisering van het landbouwrampenfonds een risicoverzekering mogelijk te maken.
Karlos Callens (Open Vld): De commissie heeft het Vlaamse standpunt rond de GLB-hervorming mee vorm gegeven. Wij hebben steevast gepleit voor voldoende flexibiliteit voor de lidstaten of regio’s bij de tenuitvoerlegging. Dit was van fundamenteel belang om de hervorming economisch en praktisch haalbaar te maken voor onze hooggespecialiseerde en intensieve landbouw.
Stefaan Sintobin (Vlaams Belang): Als ik er één dossier moet uitpikken, dan is dat de crisis in de varkenssector. Door het ‘salvo’ mondelinge vragen in de commissie is één en ander in een stroomversnelling terechtgekomen. Dat is onze taak: keer op keer op dezelfde nagel kloppen tot er beweging in komt.

Zijn de wekelijkse vragenrondes meer dan een vrijblijvende praatbarak? Moet de commissie er met één stem spreken om gehoord te worden?

Vlaams Belang: Uit de vele mondelinge vragen in de commissie Landbouw komt veel nuttige info, zowel voor de minister-president als voor de (niet-)vraagstellers. Juist de nuances en de verschillen die de commissieleden in hun tussenkomsten leggen, zijn verrijkend voor het debat.
Els Robeyns (sp.a): Door middel van vragen aan de bevoegde minister plaatsen we items op de agenda. Regelmatig hebben vragen gevolgen voor beleid en wetgevend werk, dus zou ik het zeker niet vrijblijvend noemen.
Open Vld: Als de commissie in elk dossier met één stem zou spreken, dan zou dat dodelijk zijn voor het debat. Maar als het gaat om cruciale dossiers, zoals de hervorming van het GLB, is consensus wél aangewezen. Op zo’n moment als kleine Vlaanderen verschillende geluiden laten horen, is vragen om niet gehoord te worden. Wat de vrijblijvendheid van vragen betreft, vind ik het moeilijk om te veralgemenen. Er zijn wel degelijk vragen die iets in beweging kunnen zetten. Bovendien is een vraag vaak slechts een eerste stap. Neem nu in het dossier van de noodweerverzekering of de wijnbouw. Beiden zijn gestart met vragen, maar vervolgens uitgegroeid tot een goedgekeurde resolutie, respectievelijk actieplan.
N-VA: De commissie is in se niet bedoeld om met één stem te spreken, integendeel, het biedt de verschillende partijen de kans te debatteren met respect voor ieders inbreng. Zie de commissies als kleine plenaire vergaderingen waar elke partij haar specialisten naar toe stuurt, in dit geval voor debatten rond landbouw en visserij.

“Uit de wekelijkse ‘clash der ideeën’ groeit soms een consensus” (Peter Reekmans)

LDD: Een parlement is tot op zekere hoogte natuurlijk altijd een ‘praatbarak’, maar naar mijn aanvoelen is de commissie Landbouw geen verplicht nummertje. De meeste leden die er zetelen, kozen bewust en met overtuiging dat beleidsdomein en dat voel je in de werkzaamheden.
Groen: De wekelijkse vragen zijn vaak te vrijblijvend, maar dat is een algemene kritiek van mij op alle commissies. De verdeeldheid is inherent verbonden aan de politieke samenstelling. Daar is weinig aan te doen.
CD&V: Meningsverschillen horen nu eenmaal bij een democratie. In essentiële dossiers zien we dat oppositie en meerderheid vaak dezelfde bezorgdheid delen, en dat leden van verschillende fracties dezelfde houding aannemen. In andere dossiers kunnen er wel verschillen zijn, bijvoorbeeld bij welke administratie en minister na de zesde staatshervorming de bevoegdheid voor dierenwelzijn moet worden ondergebracht.

Heeft Vlaanderen beleidskeuzes voor zijn landbouw en platteland gemaakt die u zou willen terugdraaien?

CD&V: De afgelopen jaren is er een degelijk, doordacht en realistisch landbouw- en plattelandsbeleid gevoerd met uitdrukkelijke aandacht voor een aantal belangrijke sociale aspecten (zorgboerderijen, Boeren op een Kruispunt, enz.). De minister zette in op verduurzaming van de gangbare landbouw, en gaf de nodige stimuli aan nichemarkten (bio, korte keten).

“Vlaams landbouwbeleid heeft te weinig oog voor agro-ecologie” (Dirk Peeters)

Groen: Te veel aandacht en subsidies gingen naar ggo’s, en te weinig naar verduurzaming van de landbouw en agro-ecologie. In het plattelandsbeleid leverden de beheerovereenkomsten te weinig resultaat op, en bleken ze te vrijblijvend. Een meer directief optreden is aangewezen inzake bodemerosie, biodiversiteit en waterkwaliteit door mestbeheersing.
LDD: De verhouding natuur-leefmilieu versus landbouw-platteland raakte ongeveer tien jaar geleden scheefgetrokken. Veel van wat toen ‘holderdebolder’ ingevoerd werd, stuitte de voorbije jaren op de realiteit, en op onbegrip bij landbouwers. Begrijpelijk, als je het mij vraagt, dus hoop ik dat er in de toekomst tijd en ruimte is voor een reality-check, waarbij té ideële uitgangspunten plaatsmaken voor meer realisme.
N-VA: Met een vrij continu landbouwbeleid werd ingespeeld op de bestaande knelpunten. De huidige beleidskaders alleen zullen echter niet volstaan om een antwoord te bieden op uitdagingen zoals de hoge grondstof- en energieprijzen, dumpingprijzen voor landbouwproducten, milieudruk, klimaat en leefbaarheid van de (kleine) bedrijven. We zullen ook andere invalshoeken mee moeten nemen die, naargelang de bron, transitie of transformatie genoemd worden. Het doel moet een economisch leefbare landbouw zijn, met voldoende aandacht voor duurzaamheid, milieu, gezondheid, dierenwelzijn en sociale aspecten.
Open Vld: De vraag is hoe we met het beleid de concurrentiepositie van onze land- en tuinbouw kunnen vrijwaren. Europa en de wereld bepalen de veranderingen, maar Vlaanderen kan in zijn landbouwbeleid eigen accenten leggen. We hadden dan ook graag een snellere aanpak gezien van de wijnbouw, de bijenproblematiek en de noodweerverzekering. Als sterk verstedelijkte regio missen we een beleid inzake stadslandbouw. Met betrekking tot het Plattelandsfonds had onze partij een totaal andere visie op de werking ervan. Dat hebben we veruitwendigd via een conceptnota en amendering van het ontwerp van decreet.

“Groei intensieve veehouderij afbouwen als landbouw effectief wil verduurzamen” (Els Robeyns)

sp.a: De milieudruk van de landbouw is tot 2008 significant gedaald. Dan is de evolutie gestopt, vooral omdat het nieuwe mestdecreet (2007) opnieuw mogelijkheden bood voor groei van de intensieve veehouderij. Dat had nadelige gevolgen voor vermesting, verzuring en energiegebruik. Het VLIF heeft daar op ingespeeld en biedt investeringssteun. Als de sector ten gronde wil verduurzamen, is er wellicht geen andere weg dan dit spoor terug af te bouwen. De duurzaamheidsvereiste die aan het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds is gekoppeld, biedt daarvoor mogelijk een hefboom. Samen met meer gebieds- en resultaatsgerichte beheerovereenkomsten moet dat de sector meer richting effectieve verduurzaming oriënteren.
Vlaams Belang: Zowel Yves Leterme als huidig landbouwminister Kris Peeters toonden een sterke verbondenheid met landbouw en namen de nodige initiatieven ter ondersteuning van de sector. Soms te traag, soms te weinig, maar de wil was er. Waar ik me wel aan stoor, is het blindelings achternahollen van de Europese Commissie en haar beleid. We hebben de voorbije tien jaar te weinig op tafel geklopt in Brussel.

Worden er binnen uw politieke partij op Vlaams niveau duidelijke standpunten ingenomen in verband met landbouw en platteland?

Vlaams Belang: Onze betrokkenheid bij de Vlaamse land- en tuinbouw is niet nieuw. Samen met mijn voorganger Frans Wymeersch heb ik de afgelopen jaren, uiteraard met het nodige interne en externe overleg, de partijlijn inzake landbouw en platteland bepaald. Om aan onze standpunten zo veel mogelijk ruchtbaarheid te geven, publiceren wij de driemaandelijkse nieuwsbrief ‘Uw Platteland’.
sp.a: In een koolstofarme en circulaire economie zal de landbouw volgens sp.a meer oog moeten hebben voor efficiëntie (rationeel energieverbruik, precisielandbouw en voedselverliezen vermijden), bodem (niet-kerende grondbewerking) en verantwoorde biomassaproductie (agroforestry, ecologische infrastructuur in het landbouwgebied). Verdere groei van de intensieve en grondloze veehouderij, op basis van geïmporteerde veevoeders, is geen duurzame piste.

“Schaalvergroting wapent bedrijven tegen bijkomende investeringen” (Karlos Callens)

Open Vld: In 2011 heeft mijn partij een studiedag over duurzame landbouw georganiseerd. Daaruit is een uitgeschreven standpunt over land- en tuinbouw gekomen, dat nadien ook door het partijbureau besproken werd. Schaalvergroting beschouwen we bijvoorbeeld als een inherent gevolg van de globalisering van de landbouw, maar eveneens als een middel om het dalend aantal boeren op te vangen. Ook wapent het bedrijven tegen bijkomende investeringen die gevraagd worden in het kader van de randvoorwaarden, milieu en dierenwelzijn.

“Schaalvergroting en verbreding vullen elkaar aan” (Tine Eerlingen)

N-VA: In de Vlaamse landbouw zien we twee ontwikkelingen: schaalvergroting en verbreding. Op bedrijven met een grotere schaal zijn meer mogelijkheden voor innovatie en implementatie van die technieken. Anderzijds vinden we dat er ook ruimte moet zijn voor kleinere bedrijven die hun activiteiten verbreden en tegen een correcte vergoeding een aantal maatschappelijke diensten (b.v. landschaps- en natuurzorg, educatie, enz.) op zich nemen. Beide types landbouw vullen elkaar aan. De sociale en economische leefbaarheid moet behouden en versterkt worden zodat ook jonge landbouwers nog een toekomst zien. Als grootste ruimtegebruiker en -beheerder zal landbouw zijn impact op het milieu verder moeten verlagen. Wat plattelandsbeleid betreft, zetten we in op dorpen als aantrekkelijke woon- en leefgemeenschappen.
LDD: Als kleinere partij kan LDD vrij en met open vizier in dialoog gaan met zeer uiteenlopende spelers. Wij hebben geen heilige huisjes of dogma’s, maar proberen alle problemen en uitdagingen een antwoord te bieden door ons gezond verstand te gebruiken. Zo doen we dat ook voor landbouw en platteland. Vanuit mijn engagement in een kleine, landelijke gemeente heb ik een persoonlijke band met deze thema’s en breng ik ze ook onder de aandacht van mijn partijgenoten.
Groen: Landbouw en voedselvoorziening is voor Groen een belangrijk thema. We ijveren voor een landbouw die gebaseerd is op biodiversiteit en duurzaamheid en dit in een internationaal kader. Onze speerpunten zijn het tegengaan van voedselspeculatie, voedseloverschotten wegwerken, een betere voedselverdeling in het licht van de stijgende wereldbevolking, en tot slot een betere symbiose tussen landbouw en natuurwaarden en dit mede door de familiale landbouw te beschermen.
CD&V: Mijn partij heeft een groot hart voor de land- en tuinbouwers in Vlaanderen en heeft tevens groot respect voor hun ondernemingszin. Het zijn mensen die voortdurend grote financiële risico’s nemen en met veel inzet hun bedrijf runnen. Daarbij zijn ze ook onderhevig aan allerlei risico’s waar andere ondernemers minder of niet mee te maken hebben: klimaat, planten- en dierziekten, enz. We noemen ze dan ook terecht ‘ondernemers in het kwadraat’. Landbouwers geven mee vorm aan het platteland en hebben er een belangrijke functie. Daarom willen we een plattelandsbeleid dat een leefbaar platteland instandhoudt.

Is landbouw een dankbaar vakgebied voor een politicus of ligt een burger daar helemaal niet wakker van?

CD&V: Boeren en tuinders zijn verstandig genoeg om te weten wie hun echte bondgenoten in de politiek zijn. Maar ze beseffen ook dat politici het markt- en prijsbeleid niet in de hand hebben en er altijd factoren zijn die niet beïnvloed kunnen worden.

“Politici hebben het markt- en prijsbeleid niet in de hand” (Jos De Meyer)

Groen: Landbouw is geen thema waar een politicus zich flink op kan positioneren, maar dat zegt niets over het belang ervan. We vinden het logisch en vanzelfsprekend dat er dagelijks kwaliteitsvol voedsel op ons bord ligt. Duikt er een probleem op in de voedselketen, dan ontstaat er al snel paniek en kijkt men plots wel naar overheid en beleid om het op te lossen. Dat wijst toch op het belang van landbouw voor beleidsmakers.
LDD: Het is een ‘niche’ in die zin dat de brede bevolking en de massamedia er niet wakker van liggen. Tenzij één en ander zich opdringt natuurlijk! Dan is er plots grote interesse.
N-VA: De burger is vooral bezorgd om voedselveiligheid. Dat is één aspect van onze voedselproductie, maar wel een belangrijk.
Open Vld: Landbouw komt vaak in de media omwille van acute crisissen. Bovendien lijdt de sector onder een aantal onterechte vooroordelen die het er niet gemakkelijker op maken om als politicus een juist beeld van de landbouw te schetsen bij het brede publiek. Als puntje bij paaltje komt, wordt landbouw wel beschouwd als een strategische sector om een land van voedsel te voorzien. Je mag ook niet vergeten dat boeren en tuinders tegelijk burgers zijn. Zijzelf, hun medewerkers en de werknemers uit de agrovoedingsindustrie liggen er alleszins wakker van. De anderen doen dat misschien niet, tot ze geconfronteerd worden met een tekort aan betaalbaar, veilig en kwaliteitsvol voedsel.
sp.a: Discussies in verband met landbouw zijn op het eerste gezicht vaak een technische materie, wat weinig burgers kan boeien. Maar vertel je hen dat het in se gaat over onze voedselproductie, volksgezondheid, dierenwelzijn, … dan liggen ze daar wel wakker van.

“Burgers beseffen niet dat landbouw levensnoodzakelijk is voor een samenleving” (Stefaan Sintobin)

Vlaams Belang: Het spreekwoord ‘onbekend is onbemind’ is hier zeker van toepassing. Onvoorstelbaar hoe weinig mensen soms afweten van landbouw. Ze beseffen niet dat de kwaliteitsvolle en veilige producten van de landbouw levensnoodzakelijk zijn voor een samenleving. Wanneer er iets verkeerd loopt, dan staat iedereen wel op de eerste rij…

Hoe zou de werking van de commissie Landbouw nog kunnen verbeteren?
Vlaams Belang: Op het terrein heb ik de voorbije jaren het meest bijgeleerd. Daarom zou de commissie meer bedrijfsbezoeken moeten organiseren, en vooral meer contact moeten leggen met mensen die dagdagelijks actief zijn in de sector.
Open Vld: De invloed van de commissie kan vergroten als ze meer inspraak en controlerende bevoegdheden zou krijgen. Maar dat is een bekommernis die voor elke commissie en bij uitbreiding voor het ganse parlement geldt. Het zou al mooi zijn, mocht de commissie tijdens de volgende legislatuur veel autonomie krijgen om mee te bepalen wat Vlaanderen met de nieuw overgehevelde landbouwbevoegdheden (BIRB, landbouwrampenfonds, pachtwet en allicht ook dierenwelzijn) wil doen.
N-VA: Na de Raad van Europese landbouwministers wordt er in de commissie verslag uitgebracht. Een bespreking van de agenda voordat de Raad plaatsvindt, zoals in Nederland, zou interessant zijn. Zo krijgen we in het parlement de kans om hierover van gedachten te wisselen, weten we welk standpunt er ingenomen zal worden en waarom.
LDD: De commissie Landbouw kent een voorbeeldwerking. Beter kan altijd, maar volgehouden inzet (ook in verkiezingstijd) van geëngageerde leden lijkt mij een goed recept dat we moeten doorzetten.
Groen: Deze legislatuur was er voor het eerst een volwaardige commissie Landbouw. Dat is een goede zaak, maar verklaart tegelijk ook de kinderziekten en de soms beperkte agendasetting. Dossiers worden vaak te snel en met te weinig diepgang behandeld. Grote debatten komen zelden aan bod.
CD&V: De commissie Landbouw heeft tijdens deze legislatuur goed werk geleverd. Uiteraard is het belangrijk dat de leden altijd aanwezig zijn om de discussies op te volgen. De dialoog met de verschillende stakeholders verder optimaliseren, is een mogelijk verbeterpunt. Het zou ook goed zijn dat de vakpers meer aandacht besteedt aan onze werking. (Vilt)