GLBO55+ binnenkort wél combineerbaar met TAO

Vastbenoemde leerkrachten kunnen via een systeem “tijdelijk andere opdracht” (TAO) andere taken opnemen dan hun benoemde uren, bijvoorbeeld als stafmedewerker van de scholengemeenschap, of als deeltijds docent hoger onderwijs. Vlaams parlementslid Jos De Meyer merkte op dat zulke mensen dan geen gedeeltelijke loopbaanonderbreking kunnen nemen: het TAO-deel van hun opdracht is immers niet vastbenoemd. Oudere leerkrachten die kiezen voor een minder zware opdracht via gedeeltelijke loopbaanonderbreking, zitten zo als het ware vast in de uren waarin ze benoemd zijn, en dat belemmert in sommige gevallen de schoolorganisatie, vond ook minister Smet. In zijn antwoord op de vraag van De Meyer hierover stelde hij “dat in de praktijk een GLBO55+ kan gecombineerd worden met een verlof of TAO. Bij een eerstvolgende wijziging van de regelgeving zal dit ook aangepast worden.” Een goed idee, vindt De Meyer, want door een werkbare opdracht kan de ervaring van oudere leerkrachten zo zinvol mogelijk benut worden.

Volksleningen ook voor schoolgebouwen!

Actuele vraag van de heer Jos De Meyer tot de heer Pascal Smet, Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel, over de opportuniteiten van de volkslening voor de financiering van scholenbouw

De voorzitter:
De heer De Meyer heeft het woord.
De heer Jos De Meyer:
Voorzitter, minister, collega’s, we hebben allemaal het goede nieuws vernomen dat de Federale Regering, op initiatief van de minister van Financiën en de minister van Economie, de volkslening principieel heeft goedgekeurd. De kenmerken van de volkslening zijn, kort samengevat: een iets hogere interest dan bij de kasbons, een roerende voorheffing van 15 procent in plaats van 25 procent, en een nauwkeurig omschreven maatschappelijk doel, zoals de bouw van rusthuizen, ziekenhuizen, kmo’s. En ook scholen staan expliciet vermeld in artikel 6 van het ontwerp van koninklijk besluit. Vier banken hebben al positief gereageerd, andere zullen volgen. Institutionele beleggers reageren gunstig. Laat ons hopen dat ook de particulieren volgen.
Minister, ik denk dat dit voor u een enorme opportuniteit is, als we weten dat we vandaag aankijken tegen een achterstand van 4,5 miljard euro wat betreft scholenbouw. U hebt destijds in uw beleidsbrief gesproken over een tweede inhaalbeweging. Er is in de commissie ook meermaals sprake geweest van de volkslening.
Uiteraard worden wij nu onmiddellijk geconfronteerd met schoolbesturen, die vragen wat dit nu specifiek inhoudt en wat voor hen de kansen zijn. Gezien het belang van het dossier, veronderstel ik dat u onmiddellijk contact hebt opgenomen met de Federale Regering, om daar een antwoord op te geven.

De voorzitter:
Minister Smet heeft het woord.
Minister Pascal Smet:
Wij noch het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs (AGIOn) zijn al gecontacteerd door scholen die daar vragen over hebben, maar u hebt gelijk dat dit een belangrijke beslissing en heuglijk nieuws is.
AGIOn is intussen een extern verzelfstandigd agentschap geworden, maar dat heeft ons niet belet om hun te vragen om met de federatie voor de Belgische financiële sector (Febelfin) en de koepels op korte termijn samen te zitten om te bekijken onder welke voorwaarden scholen en inrichtende machten gebruik kunnen maken van de volkslening. Als Vlaamse Regering interveniëren wij daar niet rechtstreeks, dat is iets van de inrichtende machten, ondersteund door AGIOn. Ik ben blij dat u ook vindt dat dat een taak voor AGIOn is.
Om die reden hebben wij AGIOn gevraagd om daar binnen de maand duidelijkheid over te verschaffen, om samen te zitten met de koepels, de financiële sector en de vertegenwoordigers van de federale minister van Financiën, om de voorwaarden te bekijken waaronder dat wel of niet kan, en dan verslag uit te brengen aan ons, zodat wij op die manier via AGIOn de scholen kunnen inlichten.
U hebt een zeer terechte vraag gesteld. Het is nu kwestie om die modaliteiten in kaart te brengen. Het lijkt mij het best dat AGIOn dat initiatief neemt. Wij respecteren die bevoegdheidsverdeling. We hebben hen nu aangezet om dat te doen.
De heer Jos De Meyer:
Ik ben een beetje verrast, minister. Ik dacht dat er al meer nieuws was. Volgens mijn informatie is er tweemaal Overlegcomité geweest. Ik vermoed dat daar vanuit Vlaanderen toch enige elementen zijn ingebracht inzake de specifieke aanpak met betrekking tot onze schoolbesturen.
Mijn grote bezorgdheid, minister, is dat de middelen die voortspruiten uit de volkslening, extra’s zijn bij de middelen die er vandaag al zijn. Als het alleen maar is om de middelen te financieren die al in de begroting staan, heeft het natuurlijk weinig effect voor de schoolbesturen. Ik hoop dus dat het over extra middelen gaat. Ik hoop ook zo spoedig mogelijk meer duidelijkheid te krijgen. Ik had gedacht hier al wat meer nieuws te kunnen ontvangen.
De voorzitter:
De heer Wienen heeft het woord.
De heer Wim Wienen:
Voorzitter, beide collega’s vinden het heuglijk dat de volkslening een succes is. Maar we moeten de mensen in het onderwijs toch ook geen zand in de ogen strooien, alsof daarmee het probleem van de immense achterstand in de scholenbouw zal worden opgehaald. Men verwacht – en dat zijn zeer positieve verwachtingen – dat men met die volkslening tot maximaal 500 miljoen euro zou ophalen. Maar we weten dat dat bedrag niet exclusief naar de scholenbouw zal gaan. Op dat gebied hebben we dus een hele achterstand in te lopen. Daarom vind ik het belangrijk wat de heer De Meyer zei: het kan alleen maar een extraatje zijn. Deze en zeker de volgende Vlaamse Regering moet de auto in de zesde versnelling gooien als men tegen dat tekort van 4,5 miljard euro blijft aankijken.
De voorzitter:
Mevrouw De Knop heeft het woord.
Mevrouw Irina De Knop:
Minister, neem mij niet kwalijk, maar in uw antwoord neemt u een zeer afwachtende houding aan namens de Vlaamse Regering.
Mijnheer De Meyer, wat u zegt, is een beetje in tegenspraak met wat minister-president Peeters daarover altijd heeft gezegd. In verschillende discussies die wij hier hebben gehad over de scholenbouw en over de nota over meer capaciteit, gaf minister-president Peeters aan dat hij heel actief onderzocht of hij het systeem van de volksleningen kon inschakelen voor scholenbouw. Dat was voor hem een van de mogelijkheden voor een tweede inhaalbeweging. Ik vind het heel vreemd dat u nu zegt te zullen bekijken wat het Agentschap voor Infrastructuur in het Onderwijs (AGIOn) daarmee doet, welke de voorwaarden zijn om daarvan gebruik te kunnen maken en dergelijke meer. Terwijl dit een van de elementen is die letterlijk zijn opgenomen in het competitiviteits- en tewerkstellingspact. Daarin lees ik dat de effecten op de tewerkstelling in het onderwijs en de bouw specifiek worden meegenomen.
Excuseer voor mijn spraakgebrek, maar ik heb een zware verkoudheid, en ik heb zo’n dikke keelpastille in mijn mond. Excuseer, het is misschien niet helemaal beleefd van mij.
Ik hoop dat mijn punt duidelijk is. Ik begrijp de afwachtende houding van de Vlaamse Regering niet.
De voorzitter:
Mevrouw De Knop, we hebben u nog nooit zo goed verstaan als vandaag. (Gelach)
De heer Van Dijck heeft het woord.
De heer Kris Van Dijck:
Het dossier van de volksleningen kwam een eerste keer aan de orde in november 2010. Toen brak toenmalig collega John Crombez er een lans voor. Minister Muyters, u hebt dat ondersteund. Wij moeten elke piste 100 procent onderzoeken. Ik treed een aantal sprekers en zeker ook de heer De Meyer bij: we weten allemaal voor welke immense uitdagingen we staan. Ik geloof hier in een en-en-en-enverhaal. We zullen niet alleen met de volkslening maar ook met andere pistes, die nog verder zullen moeten worden onderzocht, de bakens moeten verzetten. De uitdagingen zijn inderdaad enorm groot.
Minister Pascal Smet:
Ik ben het daar uiteraard mee eens. Deze regering heeft met de hele DBFM-operatie (Design, Build, Finance, Maintain), goed voor 1,5 miljard euro, 200 nieuwe scholen gebouwd. We hebben er ook voor gezorgd dat de 150 miljoen euro die er is, voor reguliere scholenbouw gebleven is. U weet dat het oorspronkelijk de bedoeling was om dit bedrag te verminderen door het feit dat de terbeschikkingstoelage daarin zat. Dat is behouden. Meer nog, we hebben op jaarbasis 30 miljoen euro toegevoegd voor enkel en alleen de reguliere scholenbouw. Daarnaast, en dat mag ook nog eens gezegd worden, hebben we 187 miljoen euro uitgetrokken voor de capaciteitsproblemen in de steden. Dat zijn allemaal indrukwekkende bedragen als je ze op een rijtje zet.
Dat neemt niet weg dat er inderdaad een grote uitdaging is voor de toekomst. Als je alles optelt, kom je inderdaad uit op 4,5 miljard euro. Dat wil niet zeggen dat het allemaal actieve dossiers zijn. Dat is nog iets anders. Je moet dat een beetje nuanceren.
Het is belangrijk dat de Federale Regering die beslissing heeft genomen. We hebben er inderdaad voor gezorgd dat de scholenbouw daarin mee opgenomen is. De minister-president, ikzelf en anderen zijn daarvoor tussengekomen. Die mogelijkheid is er nu. Het is nu de taak van AGIOn om samen met de scholen de zaak te bekijken. Wij porren hen daartoe aan. Als er bijkomende onvoorziene voorwaarden moeten worden opgelegd, zullen wij het nodige doen. Laat ons nu zeer snel die vergadering hebben. U hebt 100 procent gelijk: we moeten nu aan de scholen laten weten onder welke omstandigheden dit een bijkomende piste is.
De heer Jos De Meyer:
Voorzitter, minister, collega’s, een hocuspocusoplossing bestaat niet voor dit probleem. We moeten elke opportuniteit benutten. Maar er moet een grote inspanning geleverd worden om spaarders te sensibiliseren en te motiveren om meer in maatschappelijk verantwoorde projecten te investeren. Als je weet hoeveel spaargeld er in Vlaanderen is …
Persoonlijk wil ik de suggestie doen om dit dossier niet enkel over te laten aan AGIOn. Het andere uiterste, waarover we misschien eens moeten nadenken, is een taskforce, eventueel onder leiding van de minister-president, om deze opportuniteit maximaal te gebruiken voor scholenbouw en ook voor rusthuizen en ziekenhuizen. Er zit meer in dan wat tot nog toe aan bod is gekomen. Het is niet enkel goed voor scholen, rusthuizen en ziekenhuizen, maar ook voor de tewerkstelling in Vlaanderen, als er meer wordt geïnvesteerd en als we spaargeld kunnen omzetten in economie.
De voorzitter:
De actuele vraag is afgehandeld.

Rationeel onderwijsaanbod?

Het Vlaamse onderwijs telt nu 11 studierichtingen minder dan vorig schooljaar, vernam Vlaams parlementslid Jos De Meyer uit het antwoord van minister Smet op zijn schriftelijke vraag. Dat er nu “slechts” 332 studierichtingen worden ingericht tegenover 343 vorig jaar heeft echter niet te maken met een plan om te streven naar minder studierichtingen, wel met scholen die studierichtingen niet inrichten omdat er geen leerlingen voor zijn.
Niet alle studierichtingen zijn immers even sterk bevolkt. Een studierichting in Vlaanderen telt gemiddeld 15,79 leerlingen in het gemeenschapsonderwijs en 22,81 leerlingen in het vrij onderwijs. De cijfers per klasgroep kan men daar niet uit afleiden door dat getal nog eens te delen door twee, omdat specialisatiejaren wel in deel uitmaken van een graad, maar toch een eigen naam krijgen. De bezetting van de studierichtingen verschilt niet enkel naar het onderwijsnet, maar nog veel meer naar de richting. Binnen het studiegebied land-en tuinbouw bijvoorbeeld hebben scholen van het gemeenschapsonderwijs in hun derde graad bso dierenzorg gemiddeld 125 leerlingen (62,5 per leerjaar), maar slechts 8,5 voor tuinaanleg en –onderhoud.
Studierichtingen die sterk bezet zijn, zijn daarom niet de studierichtingen die meest aansluiten op de arbeidsmarkt. In het technisch onderwijs telt de derde graad bouwtechnieken gemiddeld slechts 4 leerlingen in het gemeenschapsonderwijs, terwijl de derde graad lichamelijke opvoeding en sport er 62,67 telt. In het vrij onderwijs gaat het om 20.29 voor bouwtechnieken en 71,79 voor lichamelijke opvoeding en sport.
Een lage gemiddelde bezetting betekent daarom niet dat de leerlingen steeds in kleine klasgroepen zitten, maar samenzettingen van te kleine studierichtingen maken de schoolorganisatie wel zeer moeilijk. Voor de buitenwereld is het daarbij vaak ook heel onduidelijk waarin bepaalde studierichtingen van elkaar verschillen, en De Meyer vraagt zich dan ook af of het aantal studierichtingen niet verminderd moet worden. Blijft het onderscheid tussen “textiel- en chemische technieken” (gemiddeld 1 leerling) “textielproductietechnieken” (gemiddeld 3) en “textiel-en designtechnieken” (gemiddeld 10) in de derde graad tso zinvol?
In het Vlaamse onderwijs zijn dit schooljaar 151 programmaties toegestaan en gerealiseerd. Zoals blijkt uit de cijfers heeft dat niet geleid tot een groter aantal afstudeerrichtingen. Meestal ging het om scholen die een studierichting realiseerden die al bestond in andere scholen, maar die plaatselijk wenselijk was. De minister stond programmaties voornamelijk toe als het ging om studierichtingen die toeleiden naar een knelpuntberoep.

Een aantal van die nieuwe programmaties heeft echter slechts weinig leerlingen, merkt De Meyer op. De lijst van nieuwe programmaties toont zelfs 22 nieuwe programmaties die op 1 oktober 2013 slechts één leerling telden in de school die ze aanvroeg. Toch even over nadenken?
__________

Volop kansen op werk maar toch amper leerlingen

Nogal wat scholen die met nieuwe richtingen beginnen, moeten het met een enkele leerling stellen. Dat roept vragen op. ‘Geef het de kans te groeien’, zeggen de scholen.

Dit schooljaar mochten de secundaire scholen 151 studierichtingen (opnieuw) opzetten. Ze konden een uitzondering op de programmastop van 2009 krijgen, bijvoorbeeld als de richting opleidde tot een ‘knelpuntberoep’.

Een opvallende vaststelling: van die 151 nieuwe richtingen tellen er 21 amper één leerling. Dat blijkt uit cijfers die Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer (CD&V) bij minister Pascal Smet (SP.A) opvroeg.

Bij die 1-leerling-richtingen zitten wat aso-richtingen, naast enkele zevende specialisatiejaren van het beroepsonderwijs. Dat zijn richtingen die meteen uitzicht geven op werk, terwijl andere waarvoor dat veel minder het geval is een stuk beter bevolkt zijn. Zo lokken fotografie en multimedia respectievelijk 68 en 89 jongeren in Antwerpen.

Enkele schooldirecties dieDe Standaard contacteerde, geven toe dat één leerling weinig is, maar ze verdedigen hun keuze. ‘Bij de start heb je wel vaker weinig leerlingen. Zoiets moet groeien’, zeggen ze.

Investeer in toekomst

‘We zien het als een investering in de toekomst’, zegt Benny Vandevoorde, directeur van het KTA GITO Groenkouter in Gent, waar pijpfitten-lassen-monteren het voorlopig met een enkele deelnemer doet.

‘Volgend jaar zullen het er bij ons al een handvol meer zijn’, zegt Christophe Van Wambeke van het KTA Lier dat ‘Bijzondere Schrijnwerkconstructies’ aanbiedt . ‘Al onze zesdejaars hebben te kennen gegeven dat ze er het zevende jaar bij willen doen.’

In Don Bosco Haacht begon de richting product- en procestechnologie eveneens met één leerling. ‘Maar dat is inmiddels al naar vier aangegroeid’, zegt adjunct-directeur Jos Mees. ‘Ook onze richting chemische procestechnieken begon aarzelend, maar loopt na enkele jaren aardig vol.’

Wie als enige leerling in een richting zit, leidt daarom geen eenzaam schools bestaan. Heel wat uren hebben ze samen met andere klassen en ze spenderen ook veel tijd op stages buitenshuis.

De magere cijfers doen Jos De Meyer de vraag stellen ‘of dit nog een rationeel onderwijsaanbod is’.

‘De scholen moeten nadenken over nauwere samenwerking. Tegelijk moeten de overheid en de VDAB blijven sensibiliseren. Misschien dat ouders en leerlingen dan positiever tegen deze richtingen gaan aankijken. In verpleegkunde bijvoorbeeld heeft dat gewerkt.’

Kentering

Dat bevestigen de schooldirecteurs. ‘We zien een kentering’, geeft Benny Vandevoorde aan. ‘In ons derde jaar schreven we flink meer leerlingen in. Technische richtingen zijn opnieuw in trek. De campagnes missen hun effect niet.’

De Vlaamse Regering heeft de programmeringsstop zopas opgeheven en vervangen door andere regels. Richtingen met wetenschap en techniek (de Stem-richtingen) mogen vrij georganiseerd worden. Afstemming binnen de scholengemeenschap zit er ook in. Het secundair telt 332 richtingen. Die worden gescreend en gereduceerd in het kader van de hervorming.
(De Standaard, Tom Ysebaert)

Onderwijs remedie tegen werkloosheid

Op dit ogenblik telt Vlaanderen 229.570 werkzoekende werklozen, volgens de cijfers die Vlaams parlementslid Jos De Meyer nakeek bij de Vlaamse Dienst voor Arbeidsbemiddeling (VDAB) na zijn vraag aan minister Muyters.
In november 2012 waren dat er 207.221, er is dus een toename van 10,7% op iets meer dan een jaar tijd. Het aantal langdurig werkzoekenden daalde in 2011, maar begon in de tweede helft van 2012 te stijgen. Die stijging heeft zich in de loop van 2013 doorgezet: in november 2012 werden 86.878 werklozen geteld die een jaar of langer werkzoekend waren, op dit ogenblik is dat opgelopen tot 92.618, een toename met 6,6%.
Zonder diploma is het veel moeilijker om aan werk te geraken, en als de werkloosheid toeneemt, verslecht de situatie voor laaggeschoolden nog sterk. In de schoolverlatersstudie van 2011-2012 klasseerde de VDAB 15,9% van de schoolverlaters als “laaggeschoold”, maar zij maakten wel 38,2% uit van de langdurig werklozen. Nu is het aandeel van de laaggeschoolden binnen de langdurig werklozen zelfs vergroot tot 54,7%.
Werkzoekende werklozen die na één jaar nog geen werk hebben gevonden, worden in de VDAB-rapporten het “restpercentage” genoemd van de schoolverlaters. Dat restpercentage verschilt sterk naargelang het opleidingsniveau maar ook naargelang de gevolgde studierichting.
Wie het secundair onderwijs niet afmaakt, heeft hoe dan ook minder goede vooruitzichten. Het restpercentage is volgens de schoolverlatersstudie na de tweede graad aso (algemeen vormend onderwijs) 16,6% , na tweede graad tso (technisch onderwijs) is het 19,6%, en na de tweede graad bso zelfs 31,4%. Dat ook hier verschil is naargelang de studierichting, wordt bevestigd door de meest recente gegevens uit de werkloosheidsstatistieken. Opmerkelijk is wel dat het aantal langdurig werklozen na de tweede graad secundair onderwijs ook zeer hoog ligt in sommige studiegebieden die eigenlijk toeleiden naar tewerkstelling in sectoren waar wel degelijk een grote vraag bestaat. Het studiegebied mechanica-elektriciteit is daar een goed voorbeeld van, zowel in bso als in tso. Er is dus misschien nood aan een betere aansluiting tussen opleiding en arbeidsmarkt, maar de leerlingen moeten zich ook realiseren dat ze de hele opleiding nodig hebben.
Volgens de schoolverlatersstudie is een 7e jaar na het beroepsonderwijs stilaan een noodzaak aan het worden. Dat wordt min of meer bevestigd in de recentste cijfers, maar niet alle 7e jaren zijn een garantie op tewerkstelling.
Wie hoger onderwijs gevolgd heeft, verbetert de kansen op tewerkstelling aanzienlijk. Bij de professionele bachelors bedraagt het restpercentage slechts 5,3%, en bij de masters 6,1%, met zeer grote onderlinge verschillen naargelang de studiegebieden en opleidingen. Zeer opmerkelijk in de recente cijfers is het vrij grote aantal werkloze leraars secundair onderwijs, zowel bij de professionele bachelors (de opleiding tot leraar eerste en tweede graad) als bij de masters (specifieke lerarenopleiding tweede en derde graad). Dat is frappant omdat er op de werkvloer nog steeds een lerarentekort is. Het is duidelijk dat hier toch iets moet gebeuren, stelt De Meyer.
In de werkloosheidscijfers van 2013 worden de hoge restpercentages in het studiegebied Handel bevestigd, met soms zeer grote aantallen langdurig werklozen, maar volgens De Meyer kunnen in deze cijfers nog geen effecten te merken zijn van de ingrijpende veranderingen die onlangs gebeurd zijn in de lessentabellen van het handelsonderwijs.

Leerkrachten geveld door stress

Stress, burn-out en depressie: dat zijn met ruime voorsprong de belangrijkste oorzaken van ziekte bij leerkrachten.

Brussel Meer dan een op de drie zieke leerkrachten zit om die redenen thuis. ‘Vaak zijn het zeer gemotiveerde mensen die gedesillusioneerd zijn geraakt door de realiteit.’

‘Psychosociale aandoeningen’, zoals het officieel heet, waren bij de mannelijke leerkrachten goed voor vier op de tien ziektedagen. Bij de vrouwen was het de oorzaak van bijna één derde van het ziekteverlof.

Uit de cijfers, die Vlaams parlementslid Jos De Meyer (CD&V) opvroeg, blijkt dat depressie, burn-out en andere stressgerelateerde ziektes in 2012 samen goed waren voor zo’n 800.000 ziektedagen.

Ter vergelijking: de op een na belangrijkste aandoening, gewrichtsproblemen, hield de leerkrachten 230.000 dagen thuis. Met 190.000 dagen staan rugproblemen op de derde plaats, en ook dat is een aandoening die vaak verband houdt met stress.

Dat leerkrachten zo vatbaar zijn voor stress, burn-out en depressie, is geen verrassing. ‘Het overkomt vaker de mensen die voor hun werk veel contact moeten hebben met andere mensen’, zegt Anke Luts van ISW Limits, een spin-off van de KU Leuven die het welzijn op de werkvloer wil verhogen. ‘Leerkrachten hebben er onder andere ook onder te lijden dat ouders en kinderen veeleisender worden en dat er veel administratie bij komt kijken.’

De psychosociale aandoeningen komen het vaakst voor bij leerkrachten boven 56 jaar: daar zijn ze goed voor bijna de helft van de ziektedagen. ‘De veertigers en vijftigers zijn meestal letterlijk uitgeblust: ze hebben jarenlang alles gegeven voor hun klas, maar vallen uit door strubbelingen met leerlingen, hun directie of team’, zegt Luts. ‘Je ziet ook twintigers met een burn-out: jonge mensen die gemotiveerd in het onderwijs stappen, maar snel beseffen dat de leerlingen niet zo gemotiveerd zijn en dat de school niet werkt zoals ze hadden gedacht.’ (De Standaard, kba)

Regularisatie van het statuut DAC-personeelsleden in de vrije internaten?

In antwoord op de vraag van Vlaams parlementslid Jos De Meyer op de commissie onderwijs stelde minister Smet dat er nog geen oplossing is voor de regularisatie van de mensen die in de vrije internaten nog aan het werk zijn in een DAC-project.
In de jaren tachtig werd het DAC of “derde arbeidscircuit” als tijdelijke tewerkstelling bedacht om banen te creëren voor werklozen.
Behalve voor de DAC-internaatsmedewerkers zijn alle “nepstatuten” ondertussen geregulariseerd, zodat de betrokkenen hun rechten kunnen doen gelden inzake loon, anciënniteit en pensioen.
Nu de regularisering gekoppeld wordt aan de overheveling van sommige internaten naar de sector Welzijn, lijkt een directe oplossing nog niet in zicht. De Meyer vroeg de minister daarom om toch dringend te laten onderzoeken wat er kan gebeuren voor de groep DAC’ers die stilaan de pensioengerechtigde leeftijd naderen. Er moet absoluut een initiatief komen om die mensen rechtszekerheid te geven, aldus De Meyer. De minister engageerde zich om te kijken wat er op korte termijn gedaan kan worden voor deze groep personeelsleden.

Beste wensen!

De laatste dagen en de laatste vragen
van het geleden jaar staan voor de deur,
de bomen kouder en de dromer ouder
maar de verwachting nog vol gloed en kleur.

Anton Van Wilderode

Hartelijk dank voor de samenwerking in 2013.
Gelukkig en voorspoedig 2014!

Jos De Meyer

Kruispunt N41 met Kettermuit wordt in voorjaar heraangelegd

Het kruispunt van de Kettermuit met de gewestweg N41 wordt in het voorjaar heringericht. Dat antwoordde Vlaams minister van Openbare Werken Hilde Crevits (CD&V) op een vraag van Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer (ook CD&V).

De herinrichting van het kruispunt zal ruim 3 miljoen euro kosten. De veiligheid staat er al lang ter discussie. Het Agentschap Wegen en Verkeer brengt verkeerslichten aan, zodat alle bestuurders veilig de N41 kunnen dwarsen. Daarnaast worden ook op de brug over de E17 belangrijke wijzigingen doorgevoerd en krijgen de op- en afritten verkeerslichten.

De afrit komende uit de richting Antwerpen krijgt zelfs een bijkomende rijstrook. De Kiemerstraat wordt om veiligheidsredenen afgesloten voor doorgaand verkeer dat vanuit de richting Dendermondse Steenweg komt.

De kruispunten Heimolen en Kettermuit vormen alternatieven als oversteekplaats van de N41. Het kruispunt Heimolen krijgt ook een verbeterde oversteek voor de fietsers.
(Het Nieuwsblad, Sylvain Luyckx)