Toelatingsproef voor opleiding diergeneeskunde?

De 159 dierenartsen die in 2013 afstudeerden aan de Vlaamse universiteiten zullen naar alle verwachting niet allemaal in hun beroep actief blijven, stelde Vlaams parlementslid Jos De Meyer in de bespreking van zijn vraag aan minister Smet van Onderwijs. Eén op drie jonge dierenartsen geeft er de brui aan binnen de vijf jaar na het afstuderen omdat de markt voor hun beroepsgroep oververzadigd is. Vooral in de sector kleine huisdieren is er te weinig werk. Aan de Gentse universiteit pleit de decaan van de faculteit diergeneeskunde voor een ingangsexamen, zoals in andere Europese landen. De Vlaamse Vereniging voor Dierenartsen pleit voor een richtinggevende proef, en de beroepsvereniging Dierenartsenbelangen organiseert een enquête bij practici over de wenselijkheid van een toelatingsbeperking.
Op federaal niveau wordt nu niet overwogen om de toegang tot het beroep te beperken, daarom is dat op het Vlaams niveau nu ook niet aan de orde, vindt minister Smet. In Nederland wordt het aantal starters beperkt door een numerus fixus, en een aantal studenten die daar niet mogen beginnen, schrijven zich in Gent in. Het totale aantal bachelorstudenten diergeneeskunde is sinds 2009 met meer dan 22% toegenomen (van 1099 in 2009 tot 1348 in 2013), met een zeer groot aandeel van 35% buitenlandse studenten (tegenover een gemiddeld aandeel van 6% voor het totaal aantal bachelorstudenten).
Initiatieven zoals de website Onderwijskiezer beperkten zich niet tot informatie over de studies, maar geven ook aan dat sommige beroepen minder kans geven op tewerkstelling. Of het effect daarvan op de aspirant-studenten groot is, staat natuurlijk niet vast. Het is ook belangrijk dat beginnende studenten de nodige competenties hebben, om uitval tijdens de studies te beperken. Diergeneeskunde is een zeer dure opleiding en een oriëntatieproef lijkt Jos De Meyer op termijn de meest wenselijke manier om het doel te bereiken. Bij gelijk welk initiatief moeten we erover waken dat de democratisering van het onderwijs niet in het gedrang komt, vindt hij.

Meer schooluitval

Leerlingen zonder diploma secundair onderwijs hebben minder kansen op de arbeidsmarkt. Daarom is het vermijden van schooluitval zeer belangrijk. In een actuele vraag stelde Vlaams parlementslid Jos De Meyer dat ons land het tegenwoordig minder goed doet in het vermijden van de zogenaamde “ongekwalificeerde uitstroom” . Op vijf jaar tijd is België volgens de meest recente cijfers in vijf jaar tijd van de tiende naar de twintigste plaats gezakt. Het probleem is het grootst in Brussel. Hoewel Vlaanderen het duidelijk beter doet dan Wallonië, is dat toch geen reden om op onze lauweren te gaan rusten, want na jaren gestadige vermindering is de ongekwalificeerde uitstroom ook in Vlaanderen nu voor het eerst wel lichtjes gestegen.
De volledige tekst is te lezen op http://docs.vlaamsparlement.be/docs/handelingen_plenaire/2013-2014/plen026-26022014_voorlopig.pdf

Vlaamse visserij wordt veiliger

De Vlaamse visserij wordt veiliger, was het antwoord dat Vlaams parlementslid Jos De Meyer kreeg op zijn vraag aan minister Peeters. Sinds 2007 vertoont het aantal ongevallen in de zeevisserij een dalende trend, niet alleen in absolute cijfers, maar ook in verhouding tot het verminderende aantal vissers. Met Previs heeft het Zeevisserijfonds een preventieproject gestart in de visserij, en daarnaast lopen ook ondersteunende projecten zoals MOB (Man Over Boord) en het netcontrolesysteem waarmee kapseizen van kleine vaartuigen voorkomen moet worden.
Met ongevalpercentages van bijna 10% blijft aandacht nodig voor de veiligheid. Vergelijking met onze buurlanden is moeilijk, omdat men daar slechts heel onlangs begonnen is met de registratie van ongevallen in de visserij.

Lerarenstage? Stap zelf een bedrijf binnen!

Leerkrachten die op bedrijfsstage gaan, beoordelen die ervaring over het algemeen zeer positief: die stage is een middel om de les meer concreet te maken en om kijk te blijven hebben op de situatie in het bedrijfsleven, vernam Vlaams parlementslid Jos De Meyer als antwoord op zijn vraag aan minister Smet van Onderwijs. Het proefproject Ondernemend Onderwijs waarmee vorig schooljaar 30 bedrijfsstages werden georganiseerd, wordt dit jaar zelfs lichtjes uitgebreid zodat er 40 stages mogelijk zijn terwijl ondertussen op school activiteiten voorzien worden rond ondernemingszin. De lerarenstages hoeven niet noodzakelijk betrekking te hebben op ondernemingszin: het is de leerkracht die samen met zijn directie bepaalt welk soort stageplaats een meerwaarde biedt. het vinden van die stageplaatsen wordt best ter plaatse geregeld. De eenvoudigste manier is om als leraar zelf een bedrijf binnen te stappen en een afspraak te maken.

“Programmatie van niet-programmeerbare studierichtingen”

Waarom stuurt het ministerie van Onderwijs via Schooldirect een bericht rond onder de titel “programmatie van niet-programmeerbare studierichtingen”, vroeg Vlaams parlementslid Jos De Meyer zich af op de Commissievergadering. Vorig jaar bestond er nog een programmatiestop, maar toch werden toen 151 nieuwe studierichtingen mogelijk gemaakt, waarvan er 22 slechts één leerling konden inschrijven.
Sinds dit schooljaar is de lijst van vrij-programmeerbare en niet-programmeerbare studierichtingen jaarlijks aanpasbaar door het departement, antwoordde minister Smet. In sommige gevallen is het hoe dan ook wenselijk om de scholen toe te laten nieuwe niet-programmeerbare studies in te richten, omdat de leerlingen anders gedwongen kunnen worden om voor hun laatste graad van het secundair onderwijs een nieuwe school te zoeken.
Ik begrijp dat in sommige gevallen uitzonderingen mogelijk moeten zijn, stelde De Meyer, maar we moeten toch streven naar een kleiner aantal studierichtingen in het middelbaar onderwijs, met een duidelijk aanbod waarmee de leerlingen weten wat ze aankunnen, zodat een school organiseerbaar blijft. De titel “programmatie van niet-programmeerbare studierichtingen” lijkt daarentegen toch een dubieus signaal te geven.

Besparing door leerkrachten langer aan de slag te houden

Het aanpassen van de uitstapregeling voor leerkrachten zorgt voor een merkbare besparing, antwoordde minister Smet op de vraag hierover van Vlaams parlementslid Jos De Meyer.
De totale kostprijs van de 58+ uitstapregeling is nu al met 36% gedaald, van 93.647.000 naar 59.541.000 euro, zelfs al nemen de oudere personeelsleden die langer in dienst blijven hoe dan ook een grotere hap uit het budget dan hun jongere collega’s met minder wedde-anciënniteit.
Kleuterleid(st)ers kunnnen nog uitstappen op 58 jaar, maar voor andere personeelsleden van het onderwijs is dat niet meer het geval. Er zijn nog overgangsmaatregelen mogelijk voor de oudste personeelsleden die nu nog in dienst zijn, maar als zij uitstappen, zullen ze een veel lager wachtgeld krijgen dan wat vroeger mogelijk was. Het is dus goed mogelijk dat verhoudingsgewijs weinig mensen van die overgangsmaatregelen gebruik zullen maken, en de overgangsmaatregelen zullen in 2017 vrijwel volledig uitgewerkt zijn. Tegen dan verwacht minister Smet dat het afschaffen van de uitstapregeling jaarlijks 43.523.762 euro oplevert.
In de berekeningen van de besparingen is geen rekening gehouden met eventuele effecten van meer ziektedagen voor oudere personeelsleden die langer in dienst blijven, stelt de minister. Toen de uitstapleeftijd in 2002 werd opgetrokken naar 58 jaar, heeft dat immers ook niet geleid tot een hoger ziekteverzuim. Dat klopt, zegt De Meyer, maar het systeem overgangsmaatregelen in 2002 was zeer uitgebreid en liep in feite tot in 2012 door. Daardoor is er weinig effect geweest op de kostprijs van het systeem, en uiteraard ook op het ziekteverzuim. De huidige aanpassing is veel ingrijpender. We moeten de kwaliteit en werkbaarheid aan het eind van de onderwijsloopbaan dus blijven bewaken.

Beloofde fasering op Linkerscheldeoever blijft overeind

“De afgesproken fasering inzake onteigening en natuurontwikkeling, die onlosmakelijk verbonden is met het GRUP Zeehavengebied, moet gerespecteerd worden”, citeert Jos De Meyer minister-president Kris Peeters. Het CD&V-parlementslid stelde een vraag over het Antwerpse havendossier gelet op de schorsing van het GRUP voor Beveren en Sint-Gillis-Waas en de onrust die dat veroorzaakt bij de inwoners en plaatselijke landbouwers.

Het gewestelijk Ruimtelijk Uitvoeringsplan (GRUP) voor de haven van Antwerpen werd definitief vastgesteld op 15 maart 2013. In dat GRUP werden afspraken opgenomen over de fasering van de nieuwe natuurgebieden die aangelegd worden ter compensatie van de havenuitbreiding op Linkerscheldeoever. Op 3 december 2013 schorste de Raad van State het GRUP gedeeltelijk, meer bepaald voor het grondgebied Beveren en Sint-Gillis-Waas maar met uitzondering van de groene gebieden die het GRUP in die gemeenten aanduidt.

Eerder dat jaar gaf minister-president Kris Peeters in de commissie Landbouw van het Vlaams Parlement te kennen dat de gronden in de regio in landbouwgebruik blijven zolang ze niet noodzakelijk zijn voor haven- of natuurontwikkeling. De schorsing door de Raad van State – die geen waardeoordeel inhoudt omtrent de havenuitbreiding – lijkt dat nu te dwarsbomen aangezien de geplande havenuitbreiding op Linkerscheldeoever niet kan doorgaan maar onteigeningen en natuurontwikkeling wel.

Op vraag van Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer schept de minister-president daarover duidelijkheid. “De Vlaamse regering is steeds uitgegaan van het principe dat de havenontwikkeling hand in hand moet gaan met maatregelen die de impact op de bewoners, de landbouw, de mobiliteit, het milieu en de natuur opvangen en milderen. Ondanks de gedeeltelijke schorsing van het GRUP blijven maatregelen zoals het flankerend landbouwbeleid en het sociaal begeleidingsplan grotendeels gelden.” Peeters vraagt zijn collega’s die bevoegd zijn voor ruimtelijke ordening, milieu en natuur en voor havens om de nodige initiatieven te nemen na onderzoek van de schorsing door het administratieve rechtscollege. (Vilt)

Oplossing in zicht voor scholen met afbetalingsproblemen Nationaal Waarborgfonds

Scholen die bouwplannen hadden in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuw, konden daar leningen voor afsluiten met staatswaarborg. Veel van die leningen zijn nog niet helemaal afgelost, en sommige scholen hebben het bijzonder moeilijk met de afbetalingen, stelde Vlaams parlementslid Jos De Meyer op de vergadering van de Commissie Onderwijs. Doordat de inflatie tegenwoordig sterk teruggedrongen is, is de leninglast immers verhoudingsgewijs veel zwaarder geworden.
Het probleem is niet nieuw, maar voor sommige scholen is de situatie nu werkelijk onhoudbaar geworden: ze moeten tot meer dan 50% van hun werkingsmiddelen besteden aan afbetalingen. De Meyer heeft de minister daarom al meermaals gevraagd om in samenwerking met de federale overheid een oplossing uit te werken. Die oplossing komt er nu wel degelijk aan. Ze is vergelijkbaar met de werkwijze die in de Franstalige gemeenschap wordt toegepast, waarbij de terugbetaling van de scholen beperkt wordt tot 25% van de werkingstoelagen. Voor scholen in acute moeilijkheden wordt een afbetalingsplan opgemaakt.
“Dat de oplossing er komt, stemt mij tevreden, maar de concrete uitwerking zou best nog deze legislatuur tot stand komen,” stelt De Meyer.

Aantal ongevallen met dodelijke afloop in de Vlaamse land- en tuinbouwsector loopt terug

Naar aanleiding van de parlementaire vraag om uitleg van Jos De Meyer in de Commissie Landbouw in het Vlaams Parlement, maakte minister-president Peeters vandaag bekend dat er in 2013 in Vlaanderen 16 mensen om het leven zijn gekomen tijdens hun werkzaamheden in de land- en tuinbouwsector. Dat blijkt uit tellingen van Preventagri, de arbeidspreventiecel voor land- en tuinbouw van ILVO. De cijfers tonen een daling ten opzichte van 2012 (21 doden) en 2011 (22 doden). Hoewel 16 dodelijke ongevallen in de Vlaamse land- en tuinbouw er nog steeds 16 te veel zijn, begint de door minister-president Kris Peeters opgestarte preventiecampagne “Landbouw zonder kleerscheuren” wel resultaat op te leveren.

Een statistische schatting van het aantal niet-dodelijke arbeidsongevallen in de landbouwsector, komt uit op meer dan 5000 arbeidsongevallen. Ook dit is een verbetering t.o.v. 2012 en 2011, maar nog steeds een duizelingwekkend hoog cijfer.

“De land- en tuinbouw behoren jammer genoeg nog steeds tot de sectoren met de hoogste ongevallencijfers. Het is dan ook positief dat het aantal ongevallen, en in het bijzonder het aantal ongevallen met dodelijke afloop, in 2013 verminderd is t.o.v. het jaar voordien. Toch blijven 16 personen die jammerlijk het leven lieten tijdens werkzaamheden op de boerderij een veel te hoog cijfer, waar we ons niet bij kunnen neerleggen. Ik zal de preventiecampagne “Landbouw zonder kleerscheuren” dan ook onverkort verderzetten en de aanbevelingen die uit de Ronde Tafel Arbeidsveiligheid (november 2013) zijn gekomen, verder uitvoeren”, aldus minister-president Kris Peeters.

In 2013 zijn in Vlaanderen 16 mensen om het leven gekomen tijdens hun werkzaamheden in de land- en tuinbouwsector, zo blijkt uit cijfers die ILVO PreventAgri verzamelde op initiatief van minister-president Peeters. Het aantal ongevallen wordt doorheen het jaar opgevolgd en geklasseerd via een systeem waarbij de datum, de plaats van het ongeval, de oorzaak en de gevolgen voor mens, dier en materiaal bijgehouden wordt. Er wordt echter niet altijd aangifte gedaan van ongevallen in de land- en tuinbouwsector. Voor een interpretatie en extrapolatie van de beschikbare cijfers wordt daarom meestal gewerkt met de “arbeidsongevallenpiramide”.

Deze piramide stelt dat per (geregistreerd) dodelijk ongeval sprake is van 30 (niet-geregistreerde) ernstige ongevallen en 300 (niet-geregistreerde) ongevallen met letsel. De 16 dodelijke ongevallen van 2013, betekenen dus 480 ernstige ongevallen en 4800 ongevallen met letsel in onze Vlaamse land- en tuinbouwsector.

Op initiatief van minister-president Peeters werkt de arbeidsveiligheidspreventiedienst PreventAgri van het Instituut voor Landbouw- en visserijonderzoek ILVO, sinds 2001 als technisch dienstverlener aan de preventie van dergelijke ongevallen. Net zoals vorig jaar roept PreventAgri de boeren en tuinders met aandrang op om de nodige maatregelen te blijven nemen om risico’s zoveel mogelijk te beperken.

“De meeste van de geregistreerde ongevallen hadden vermeden kunnen worden door enkele gepaste maatregelen of beperkte aanpassingen aan de manier van werken. Detectie van potentiële gevarenzones door de land- en tuinbouwer blijft essentieel. Een aanpak van deze zones vermindert de kans op ernstige ongevallen immers aanzienlijk”, aldus minister-president Peeters.

Ongevallencijfers van nabij bekeken
• De ongevallen zijn enkel meegeteld wanneer ze betrekking hadden op de feitelijke activiteiten op het bedrijf: ongevallen met de land- of tuinbouwer, zijn gezin, bezoekers en zijn personeel (15 dodelijke slachtoffers), alsook derden die werkzaamheden uitvoeren aan de infrastructuur op het bedrijf (1 dodelijk slachtoffer). Verkeersongevallen die leiden tot dodelijke slachtoffers (landbouwer of derden) werden niet in meegenomen in deze cijfers.

• Het dodelijke ongeval dat gebeurde met derden was te wijten aan verplettering (1) door strobalen.

• 14 slachtoffers van dodelijke ongevallen in 2013 waren mannen, er overleden eveneens een jongen en een tienermeisje.

• De oorzaak van de dodelijke ongevallen kan dit jaar heel wat moeilijker dan voorgaande jaren gerelateerd worden aan een bepaalde periode.

• In 75 % van de gevallen (12) is de bedrijfsleider zelf het slachtoffer, terwijl 1 arbeider het leven liet tijdens het uitvoeren van zijn werkzaamheden. Daarnaast stierven ook 1 externe transporteur van strobalen en 2 kinderen op een land- of tuinbouwbedrijf in Vlaanderen.

• Als de slachtoffers ingedeeld worden in leeftijdscategorieën kunnen we vaststellen dat 3 van de 16 slachtoffers gepensioneerde land- en tuinbouwers zijn, die nog een actieve rol speelden in de werkzaamheden op het bedrijf.
• 11 dodelijke slachtoffers behoorden tot de actieve beroepsbevolking.
• Er gebeurden in 2013 twee dodelijke ongevallen met minderjarigen.

• In tegenstelling tot voorgaande jaren waren valpartijen met een niveauverschil niet langer de belangrijkste oorzaak van dodelijke ongevallen. Slechts 1 ongeval is hieraan te wijten, tegenover 7 in 2012. Verplettering daarentegen veroorzaakte in 2013 11 dodelijke slachtoffers, wat meer dan een verdubbeling is tegenover het voorgaande jaar (5).
• Werken met machines, verdrinking, elektriciteit en brand lagen elk 1 keer aan de basis van een dodelijk ongeval. Belangrijke opmerking hierbij is de afwezigheid van dodelijke ongevallen met dieren.

• Het is moeilijk om deze cijfers met de voorgaande jaren te vergelijken, aangezien een beperkte toename van dodelijke ongevallen in een bepaalde categorie een volledig ander beeld geeft. Dit is te wijten aan de (gelukkig) relatief lage cijfers, waardoor een beperkte wijziging in het aantal ongevallen direct grote procentuele verschillen doet ontstaan.
“Hoewel de cijfers voor de Vlaamse land- en tuinbouw beter zijn dan voorgaande jaren, zal de sensibilisering van de sector via de campagne “Landbouw zonder kleerscheuren” onverkort verdergezet worden. De cijfers bewijzen dat sensibilisering en preventie meer dan nodig blijven: de land- en tuinbouwsector heeft nood aan meer aandacht voor het veiligheidsthema. De Vlaamse overheid zal hierin het voortouw blijven nemen’, aldus minister-president Kris Peeters.

Beleidsmatige initiatieven van minister-president Peeters

1. Op de Werktuigendagen in september 2013 lanceerde minister-president Peeters een nieuwe sensibiliseringscampagne door PreventAgri. PreventAgri is een dienst binnen ILVO die op initiatief van minister-president Peeters de problematiek van arbeidsongevallen van zeer nabij opvolgt. PreventAgri maakt voorstellen naar de sector, om de arbeidsveiligheid in en om het bedrijf te verbeteren.

Met de slogan “Landbouw zonder kleerscheuren” wordt ingezet op een veiligere landbouw. Dit wordt gedaan met informatiebrochures, en met een promotiefilm en uitgebreide campagne.

2. Voor individuele adviesverlening over arbeidsveiligheid op bedrijfsniveau voorziet minister-president Peeters vanaf 2014 financieringsmogelijkheden in het kader van het Bedrijfsadviessysteem (BAS) dat opgenomen wordt in het nieuwe programma voor plattelandsontwikkeling PDPO III.

3. De voorlichtingsdiensten van het Departement landbouw zullen, in het kader van de realisatie van hun voorlichtingsplan, in 2013-2014 speciale aandacht besteden aan arbeidsveiligheid. Dit zal gebeuren tijdens infovergaderingen, bedrijfsbezoeken, demonstratieactiviteiten, … .

Voor meer informatie over arbeidsveiligheid in de land- en tuinbouw:
www.ilvo-preventagri.be

Algemene persinformatie:

Luc De Seranno, woordvoerder van Vlaams minister-president Kris Peeters
Tel.: 02 552 60 12 persdienst.peeters@vlaanderen.be

Cijfers 1A en 1B

Dat in 1B “een relatief groot aantal leerlingen zit met getuigschrift basisonderwijs” is best mogelijk, maar het is niet af te leiden uit cijfers, merkt Vlaams parlementslid Jos De Meyer op na zijn vraag hierover aan minister Smet van Onderwijs. Die wil de overgang van basisschool naar secundair onderwijs beter beregelen.
De meeste leerlingen die aan het secundair onderwijs beginnen, zo’n 86,5% van het totale aantal, doen dat nu via het eerste leerjaar A . Leerlingen die het op de basisschool moeilijker hadden, kunnen terecht in 1B: een scharnierjaar met een apart programma van waaruit de leerlingen kunnen doorstromen naar beroepsonderwijs, maar eventueel ook naar 1A. Die laatste mogelijkheid wordt weinig benut.
Op basis van de cijfers uit 2012-2013 kan men schatten dat ongeveer 4,1% van de leerlingen uit 1B na dat scharnierjaar overschakelt naar 1A. Dat is dan bekeken vanuit het aantal leerlingen dat 1B gevolgd heeft, want als je het bekijkt vanuit de getallen instromers in 1A, ligt het aandeel op 0.65%. Dat is zelfs nog lager dan het aantal leerlingen dat direct geopteerd heeft voor overzitten van 1A (2,18% van de 1A-leerlingen).