Varkenscrisis: dringend maatregelen nodig!

Bij de bespreking van de begroting Landbouw in de plenaire zitting van het Vlaams parlement heeft Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer opnieuw bijzondere aandacht gevraagd van de minister van Landbouw Joke Schauvliege voor de aanhoudende crisis in de varkenshouderij.
Deze crisis duurt reeds jaren maar is op een bijzondere manier versterkt door het importverbod van Rusland.
De Meyer is ontgoocheld over de resultaten van de Landbouw-ministerraad. Hij stelt dat de minister gepleit heeft voor Europese maatregelen, samen met zes andere landen waaronder Denemarken, Frankrijk en Polen. Hij weet dat na Finland en Litouwen België het zwaarst getroffen is voor wat het landbouwinkomen betreft. In de varkenshouderij is het inkomen nu het laagst in vijf jaar. Daarenboven is de landbouwconjunctuurbarometer het laagst sinds vijf jaar.
Bovendien merkt hij op dat voor Finland – dat zwaar getroffen is in zijn melkveehouderij – wel Europese maatregelen getroffen worden.
Hij vraagt de minister om voor de landbouwministerraad van januari een aantal Europese bondgenoten te zoeken om de Europese commissaris voor Landbouw te overtuigen dat maatregelen voor de varkenshouderij moeten genomen worden. Bijkomend kan ook Vlaanderen specifieke maatregelen nemen.
De minister wees erop dat tot nog toe Europa niet ingaat op de vraag om specifieke maatregelen voor de varkenshouderij te nemen. Zij wees erop dat zij een afspraak heeft met de landbouworganisaties over de varkenshouderij, dat zij zal onderzoeken of er specifieke Vlaamse maatregelen kunnen genomen worden en dat de problematiek opnieuw zal aangekaart worden op de landbouwraad van januari.

Sterft de schoolmeester uit?

De tendens naar vervrouwelijking zet zich op alle niveaus van ons onderwijs verder door, antwoordde minister Crevits van Onderwijs op de vraag van Vlaams parlementslid Jos De Meyer.
De vervrouwelijking neemt toe in alle sectoren. Vroeger bestond er al een zeer sterk overwicht aan vrouwelijke leerkrachten in de basisschool, terwijl bij de professoren aan de universiteit en in de directiefuncties in het secundair onderwijs nog een meerderheid mannen te vinden was. De cijfers tonen aan dat ook in die functies met meer status de dames oprukken. In 2004 was het aandeel mannelijke directeurs in het basisonderwijs nog 53,4%, in 2014 is hun aandeel verminderd tot 42,8%.
Bij de docenten aan de hogeschool is het aandeel mannen in de zelfde periode afgenomen van 53,7% naar 45,9%.

Dat het onderwijs verder vervrouwelijkt, verbaast de minister niet. Vrouwen vormen al de meerderheid bij de hooggeschoolde Vlamingen, en bovendien kiezen ze vaker dan mannen voor een onderwijsloopbaan, ook als het om tijdelijke of deeltijdse arbeid gaat. Het opnemen van deeltijdse arbeid is zeker niet steeds op te vatten als een bewuste keuze, scholen hebben immers een structureel aanbod van deeltijdse opdrachten.
Het groeiende genderonevenwicht wordt nog duidelijker als men leerkrachten groepeert naar hun leeftijd. In het gewoon basisonderwijs zijn bij de zestigplussers nog 25,2% mannen te vinden, maar bij de leerkrachten van minder dan 25 jaar is hun aandeel slechts 9,5%. In het gewoon secundair onderwijs zien we de zelfde evolutie. Bij de zestigplussers hebben we daar nog een meerderheid mannen van 52,3%, bij de leerkrachten jonger dan 25 maken mannen daarentegen slechts 28,7% van de dienst uit.
Vooral die tendens in het secundair onderwijs is opmerkelijk, want in de opleiding tot leraar secundair onderwijs is de verdeling mannen/vrouwen veel evenwichtiger. Mannelijke studenten zijn in de opleiding nog goed voor 49% van de inschrijvingen, maar bij de startende leerkrachten daalt hun aandeel dus tot 28,7%. Dat zou erop kunnen wijzen dat afgestudeerde mannelijke leerkrachten minder vrede nemen met de onstabiele en weinig duurzame opdrachten voor starters in het onderwijs, merkt De Meyer op. Het is dan ook belangrijk om het lerarenberoep aantrekkelijker en duurzamer te maken, vindt ook de minister. Dat klopt, stelt De Meyer, die aanstipt dat het totale aantal inschrijvingen voor lerarenopleidingen al voor het derde jaar op rij gedaald is. Zijn conclusie is duidelijk: minister Smet is er vorige legislatuur niet in geslaagd een loopbaanpact af te sluiten voor het onderwijspersoneel, de huidige minister moet daar wel in slagen!
__________
Meester, hij begint niet meer

De meester sterft uit. Bij jonge leerkrachten in de basisschool is het aandeel mannen onder de 10 procent gezakt. ‘Geen goeie zaak, onderwijs heeft nood aan gemengde teams.’
BRUSSELDe vervrouwelijking van het onderwijspersoneel zet gestaag door. In het gewone -basisonderwijs is nu 86 procent van de leerkrachten en directieleden een vrouw. In het gewone secundair onderwijs is het minder uitgesproken, maar zijn de vrouwen met ¬bijna 62 procent toch stevig in de meerderheid(zie grafiek). Dat blijkt uit de cijfers die Jos De Meyer (CD&V) opvroeg bij Vlaams minister Hilde Crevits (CD&V).
Bij de jongere leerkrachten valt het vrouwelijke overwicht nog meer op. In het basisonderwijs is bij de 24- tot 25-jarige onderwijzers het mannelijke aandeel voor het eerst onder de 10 procent gezakt. De meester sterft uit. Nog opmerkelijk: ook in de directies in het basisonderwijs hebben de vrouwen het overgenomen.
De Meyer stelt vast dat in de lerarenopleiding voor secundair onderwijs de mannelijke studenten nog bijna de helft van de inschrijvingen uitmaken. Maar bij de beginnende leerkrachten is hun aandeel tot onder de 30 procent teruggevallen. ‘Dat kan erop wijzen dat afgestudeerde mannen minder vrede nemen met de onstabiele opdrachten voor starters’, meent De Meyer. Blijkbaar knappen mannen al tijdens de opleiding af op de vele administratie die erbij hoort.
Geen carrièrekansen
‘De vervrouwelijking van het onderwijs is geen goede zaak’, zegt Marianne Coopman van het Christelijk Onderwijzersverbond (COV). ‘Goed onderwijs is gebaat bij gemengde teams, ook sociaal. Die geven een bredere kijk op de samenleving. De perceptie leeft ook dat eenzijdig vrouwelijke teams bepaalde interesses zoals wetenschap en techniek niet genoeg aanmoedigen – al bestaat daar geen bewijs voor.’
Door het dreigende lerarentekort is er een acute nood aan vers bloed. ‘En zeker en vast ook aan mannen. We zullen iedereen nodig hebben,’ zegt Coopman.
Het onderwijs biedt een stabiele loopbaan die goed te combineren valt met het gezin: iets waar vooral vrouwen voor vallen. Mannen missen in het onderwijs carrièrekansen en loonbonussen. Het beroep van leerkracht staat ook niet al te hoog aangeschreven. Zo ontstaat een vicieuze cirkel: mannen kiezen niet voor onderwijs omdat het vrouwelijk is. En het is vrouwelijk, omdat mannen er niet voor kiezen.
In haar antwoord op De Meyer zegt minister Crevits dat er ideaal ‘een balans bestaat tussen mannen en vrouwen op alle onderwijsniveaus.’ Maar ze voegt eraan toe dat zij niet kan tornen aan het autonome personeelsbeleid van de scholen. Zij hoopt dat toekomstige maatregelen om het lerarenberoep aantrekkelijker te maken meer mannen aantrekken.
Ook aan de hogescholen zijn de vrouwelijke docenten in de meerderheid. Alleen de universiteiten blijven een mannenbastion. (De Standaard, Tom Ysebaert)

“Andere” diploma’s in het onderwijs

JDM: “Naarmate de vakken meer diepgang krijgen, worden minder mensen ingezet met een ‘vereist’ diploma.”

Ons onderwijs heeft duidelijk te weinig leraren met een masterdiploma die opgeleid zijn in het vak dat ze moeten onderwijzen. Dat blijkt uit de cijfers die minister Crevits van Onderwijs bezorgde aan Vlaams parlementslid Jos De Meyer in antwoord op zijn vraag over de bevoegdheidsbewijzen in het onderwijs.

Als de opleiding van de personeelsleden volledig overeenkomt met de vakken die ze onderwijzen, beschikken ze over een “vereist” bevoegdheidsbewijs. Naast het “vereiste” diploma wordt er ook gewerkt met “voldoend geachte” en “andere” diploma’s. Aanstellingen met een “ander” diploma zijn hoe dan ook beperkt in de tijd, en de betrokken leraars kunnen nooit een vaste benoeming verwerven als ze geen bijkomende bevoegdheid verwerven.

In het vrije basisonderwijs beschikt meer dan 95% van de personeelsleden over een “vereist” bevoegdheidsbewijs. In de basisscholen van het gemeenschapsonderwijs ligt dat lager, met 89%.
In het Vlaamse secundair onderwijs ligt het aandeel “vereiste” diploma’s veel lager dan in het basisonderwijs, en het vermindert gaandeweg. In de eerste graad heeft 85% van de voltijdsequivalenten een “vereist” diploma, in de tweede graad nog 75%, en in de derde graad, waar de vakinhouden eigenlijk meest diepgaand worden behandeld, worden slechts 66% van de lessen gegeven door mensen met een “vereist” bevoegdheidsbewijs. In die derde graad is het aandeel leerkrachten met een “ander” diploma ook het hoogste. In de derde graad van het technisch onderwijs maken de “andere” bevoegdheidsbewijzen zelfs 5,7% uit van het aantal voltijdsequivalenten.

In het gemeenschapsonderwijs zijn verhoudingsgewijs meest leerkrachten aan het werk met een “ander” diploma: ze maken daar 4,4% uit van het totale aantal voltijdsequivalenten. In het vrij onderwijs is het aandeel “andere” beperkt tot 2,3%.

Uit eerdere studies is al gebleken dat het aantal werkzoekende masters met onderwijs als eerste keuze veel lager ligt dan werkzoekende leerkrachten voor het basisonderwijs of voor de eerste graad, stelt de minister. Het aandeel leraren met een “vereist” diploma daalt al jaren, stelt De Meyer. Blijkbaar wordt het steeds moeilijker masters te vinden met het juiste diploma voor taken waarvoor de school hen meest nodig heeft.