Pesten op school tegengaan!

Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer ondervroeg, samen met een aantal collega’s, de minister van onderwijs over dit maatschappelijk belangrijk thema. Ook de VLOR kwam haar deskundig advies toelichten op de commissie onderwijs.
Pesten aanpakken is een verantwoordelijkheid van de hele samenleving. De school speelt hierbij een belangrijke rol. Scholen zijn verantwoordelijk voor een goed schoolklimaat, voor alerte en gevatte reacties op signalen van pesten. Indien nodig, zijn de Centra voor Leerlingenbegeleiding hun partner. Uitzonderlijk is het nodig om meer gespecialiseerde hulpverleners in te schakelen.
Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits kiest voor een geïntegreerde aanpak die vertrekt vanuit de kennis en het materiaal dat voorhanden is. Een antipestbeleid steunt sterk op investeren in een veilig en ondersteunend schoolklimaat. De krachtlijnen daarbij zijn beleidsdomeinoverschrijdend werken, kennisdeling, bemiddeling, cyberpesten, welbevinden op school en omgaan met conflict.
Minister Crevits wil sterker inzetten op peer mediation om pesten tegen te gaan. Dit is een methode waarbij men uitgaat van de kracht van de jongeren zelf. Kinderen en jongeren kunnen als bemiddelaar optreden bij conflicten tussen leeftijdsgenoten. Een goede opleiding, coaching ingepast binnen een schoolcultuur is hierbij essentieel, samen met duidelijke leerlinggerichtheid van de directie. In Vlaanderen organiseert o.a. Pax Christi hierrond een vormingsaanbod.
Rond pesten is heel wat kennis en materiaal voorhanden. Eén voorbeeld is let lessenpakket Re:Pest om pestgedrag tegen te gaan. Centraal staat een educatieve game waarmee leerlingen de vormen van pestgedrag en de verschillende rollen bij pesten leren kennen en waarbij zowel nadenken over eigen gedrag als andere mogelijke manieren van reageren aan bod komen. Leerkrachten geven de lessenreeks zelf en krijgen hiervoor vorming op schoolniveau. Momenteel hebben 45 scholen het volledige traject doorlopen. 73 scholen zitten in een opstartfase. Dit project loopt tot het einde van dit schooljaar en zal dan geëvalueerd worden.

110 Vlaamse landbouwers krijgen premies nooit te zien

Geruisloos en onzichtbaar voor de buitenwereld nemen sommige veevoederbedrijven een hypotheek op varkensbedrijven in moeilijkheden. “Op korte termijn biedt dat soms soelaas voor de betrokken bedrijven, maar op lange termijn houdt dat structureel toch wel ernstige risico’s in voor de sector”, vindt Vlaams parlementslid Jos De Meyer (CD&V). Hij probeerde zich hierover te informeren bij minister Schauvliege maar de overheid heeft geen zicht op het fenomeen. Schauvliege kon wel meedelen dat de Europese subsidies voor 110 landbouwbedrijven rechtstreeks aan veevoederbedrijven of banken worden uitbetaald. De Meyer spreekt van “het topje van de ijsberg”, wat de zorgen van een aantal landbouwers betreft.

Begin januari wees De Meyer er reeds op dat sommige veevoederbedrijven een hypotheek nemen op varkensbedrijven. Op lange termijn vindt de volksvertegenwoordiger dat geen goede evolutie. Minister Schauvliege deelde deze bezorgdheid en beloofde toen overleg hierover met de veevoederbedrijven en de boeren. Ondertussen probeert De Meyer meer inzicht te verwerven in het fenomeen, maar de minister kan hem enkel meedelen dat de overheid niet weet op hoeveel landbouwbedrijven een hypotheek rust ten voordele van een voederfirma.

Een (ander) teken aan de wand voor de slechte conjunctuur in de landbouw is dat de premies van 110 landbouwers niet op hun persoonlijke bankrekening terechtkomen, maar bij hun veevoederfirma of bank. Over deze informatie beschikt de overheid wel omdat deze landbouwers een overdrachtsvordering tekenden. “Deze 110 bedrijven zijn maar het topje van de ijsberg van de zorgen op financieel maar veelal ook op sociaal en familiaal vlak voor een aantal landbouwbedrijven”, zegt Jos De Meyer.

In moeilijke en prijsvolatiele tijden noemt het CD&V-parlementslid ‘verantwoord ondernemerschap’ en ‘degelijke bedrijfsvoorlichting’ essentieel. “Daarnaast is het ketenoverleg om te komen tot een faire prijs uitermate belangrijk. Ook heeft Boeren op een kruispunt in het begeleiden van een aantal bedrijven een onvervangbare taak. Maar ook de consument moet zich bewust zijn dat onze Vlaamse landbouwproducten een faire prijs verdienen. Deze verschillende elementen – naast een duurzaam landbouwbeleid in Vlaanderen en in Europa – schragen de toekomst van onze landbouwsector”, aldus De Meyer.(Vilt)
__________

Schulden dwingen varkensboeren tot verkoop aan veevoederbedrijf

110 landbouwbedrijven, vaak varkensbedrijven, zitten zo erg in de schulden dat ze Europa de toestemming gaven om hun subsidie rechtstreeks te storten aan veevoederbedrijven of banken. Veel varkensboeren verkopen zelfs hun bedrijf aan hun veevoederleverancier en werken voort in loondienst.

Brussel’Mijn buurman heeft zijn varkensbedrijf verkocht aan de veevoederfabrikant. Hij werkt nu in loondienst. Hij zorgt voor het vetmesten van de varkens en krijgt daar een vergoeding voor, net genoeg om de kosten en de schulden af te betalen. Maar ik kan hem niet vragen om daarover te getuigen, hem erover aanspreken is al een schande.’
Heel wat varkensboeren hebben het financieel al jaren moeilijk omdat de prijs die ze voor hun varkensvlees krijgen te laag is. Maar getuigen dat er hen niets anders meer overbleef dan het bedrijf in handen te geven van hun veevoederleverancier, blijft taboe.
110 landbouwbedrijven, waaronder een hoop varkensbedrijven, hebben nu een overdrachtsvordering getekend zodat de Europese subsidies die ze ontvangen rechtstreeks naar de banken of veevoederbedrijven gaan en niet meer naar de boer zelf. Dat heeft minister van Landbouw Joke Schauvliege (CD&V) geantwoord op een schriftelijke vraag van Vlaams parlementslid Jos De Meyer (CD&V), die de rol van sommige veevoederbedrijven aanklaagt.
Vetmesten
‘Wij vroegen aan de banken drie, vier jaar geleden of ze de crisis bij de varkensboeren voelden, maar ze merkten niet dat die hun leningen niet afbetaalden. Toen bleek dat het bij de veevoederfabrikanten was dat de schulden zich opstapelden’, zegt Anne-Marie Vangeenbergen van de Boerenbond.
Het veevoeder maakt 70 procent uit van de kostprijs voor het vetmesten van een varken. De veevoederbedrijven geven wel uitstel van betaling, maar als de schulden te hoog oplopen – vaak honderdduizenden euro’s – wordt de varkensboer gedwongen zijn bedrijf aan het veevoederbedrijf te verkopen. De stallen worden dan eigendom van het veevoederbedrijf, dat ook de varkens en het veevoeder levert. De boer zorgt voor het vetmesten. In ruil krijgt hij een loon, net genoeg om de kosten en schulden af te betalen.
‘Dat is wel de meest extreme manier voor een veevoederbedrijf om zijn uitstaande schuld terug te vorderen’, zegt Yvan Dejaegher, woordvoer van Bemefa, de federatie van mengvoederbedrijven. Hoeveel de boer dan krijgt voor zijn werk, en of het klopt dat hij nauwelijks iets overhoudt om van te leven, kan Dejaegher niet zeggen. ‘Er zijn veel soorten contracten, maar als de boer er niets aan overhoudt, houdt hij het ook niet vol. Het is trouwens de boer die dat contract dan onderhandelt.’
Veel onderhandelingsmarge heeft de boer wellicht niet als hij zoveel schulden heeft. ‘Iemand heeft die schulden ook wel gemaakt’, zegt Dejaegher. ‘Wij raden onze leden trouwens aan om geen betalingsuitstel te geven en zich te houden aan de betalingstermijn van 1 maand. Zeven op de tien veevoederbedrijven doen dat ook.’
De vraag is waarom de boer niet eerder het roer omgooit. ‘Het duurt 15 tot 20 jaar voor hij zijn investeringen heeft afgeschreven en de leningen aan de bank moet je wel terugbetalen’, zegt Hendrik Vandamme van het Algemeen Boerensyndicaat. ‘Bovendien schaamt hij zich, want het gaat vaak over bedrijven die generatie op generatie zijn doorgegeven. De sociale druk om door te doen is groot.’
(De Standaard, Inge Ghijs)

Financiële kater maatwerkbedrijven vermeden

Op 1 april zal het maatwerkdecreet in werking treden, waarmee maatwerkbedrijven (gewezen beschutte- en sociale werkplaatsen) voortaan aan de hand van een nieuwe financieringsmethodiek zullen gefinancierd worden. In de overgangsperiode van 5 jaar zullen deze maatwerkbedrijven middelen ontvangen o.b.v. hun effectieve tewerkstelling in 2013-2014. In die berekening zou echter de tijdelijke werkloosheid niet meegenomen worden, wat voor enkele ex-beschutte werkplaatsen financieel erg nefaste gevolgen zou kunnen hebben.

De kat werd de bel aangebonden toen enkele beschutte werkplaatsen, waaronder De Wase uit Temse, enkele berekeningen maakten van de financiële gevolgen van deze regeling. Bedrijven, waar de economische werkloosheid in 2013-2014 toevallig vrij hoog was, zouden een pak subsidies mislopen, wat mogelijk zelfs de tewerkstelling van doelgroepwerknemers in het gedrang brengt en bovendien ertoe zou leiden dat nu aangegane opdrachten niet meer uitgevoerd kunnen worden.

Vlaams Parlementslid Jos De Meyer kaartte dit onmiddellijk aan bij bevoegd minister Homans: “Bedrijven die in 2013-2014 een moeilijke periode hebben doorzwommen, zouden nu opnieuw getroffen worden door minder subsidies. Deze subsidies zouden ook niet toenemen indien de werkplaatsen in kwestie hun economische werkloosheid weer doen dalen, waardoor ze geen incentive hebben om dit aan te pakken.”

De minister erkende dat dit een zorgvuldige opvolging en enige bijsturing vraagt. Enkele maatwerkbedrijven, die in die periode een atypisch hoge economische werkloosheid kenden, zouden een gunstigere regeling mogen verwachten. Hoe deze regeling er zal uitzien, valt nog af te wachten. De Meyer is alvast blij dat hij hiermee enkele werkplaatsen een financiële kater heeft kunnen sparen.

Vlaams praktijkcentra voor land- en tuinbouw kunnen ook in de toekomst op de steun van de Vlaamse Regering blijven rekenen

Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer ondervroeg minister van Landbouw Joke Schauvliege in de commissie Landbouw over haar plannen met de Vlaamse praktijkcentra voor land- en tuinbouw.

Op het vlak van innoverend landbouw- en visserijbeleid is en blijft Vlaanderen een koploper in Europa. Een geïntegreerd onderzoeks- en innovatiebeleid voeren is in die context primordiaal. Om tegemoet te komen aan de maatschappelijke uitdagingen en te evolueren naar duurzamere productietechnieken is het nodig dat de Vlaamse landbouwbedrijven innoveren.

Het beleidsdomein Landbouw en Visserij beschikt met het Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek (ILVO) over een eigen onderzoeksinstelling die vooral actief is op het domein van het toegepast onderzoek. De universiteiten en hogescholen staan in voor het fundamenteel onderzoek en de praktijkcentra leggen zich voornamelijk toe op praktijk- en demonstratief onderzoek.

Een nauwere samenwerking en goede afspraken tussen alle spelers moet leiden tot een optimale inzet van de beschikbare middelen, een betere afstemming tussen onderzoeksinstellingen en vooral een betere doorstroming van onderzoeksresultaten naar de landbouwers zelf.

De Vlaamse land- en tuinbouwers kunnen daardoor rekenen op technische expertise en innovatiestimulering via het praktijkonderzoek en de voorlichting van de Vlaamse praktijkcentra. Dankzij hun provinciale inbedding in de voornaamste teeltgebieden en hun nauwe band met de telers kunnen ze snel vragen capteren, oplossingen bieden op het terrein en waar nodig nieuwe oplossingen ontwikkelen in samenwerking met de al genoemde academische of toegepaste onderzoeksinstellingen. De impact daarvan blijkt duidelijk uit de jaarlijks duizenden deelnemers aan studiedagen, proefveldbezoeken, demonstraties, cursussen en andere voorlichtingsactiviteiten.

De zeer pragmatische aanpak van de praktijkcentra is mogelijk dankzij drie belangrijke pijlers: erkenning en financiële steun vanuit de Vlaamse overheid, sterke steun vanwege de provincies en een belangrijke cofinanciering vanuit de sector. Bovendien worden waar uitdieping nodig is samen met collega-praktijkcentra, universiteiten en het ILVO gezamenlijk competitieve projecten IWT (Agentschap voor Innovatie door Wetenschap en Technologie) en EU (Europese Unie) ingediend.

De Meyer kreeg bij zijn vraagstelling de steun van collega’s uit verschillende fracties.

Momenteel is er enige ongerustheid over de eerste pijler: de erkenning en financiering vanuit Vlaanderen.
Minister Schauvliege beloofde verder in te zetten op de praktijkcentra en zo op een geïntegreerd onderzoeks- en innovatiebeleid. Zij wees ook op het belang van Agrolink, waar verschillende onderzoeksinstellingen samenwerken aan fundamenteel en praktijkgericht onderzoek.
Zij erkent de verdiensten van de sector en hoopt nog te kunnen optimaliseren. Ze bevestigde dat enkel de generieke besparing die de Vlaamse Regering heeft afgesproken, wordt toegepast.

Jos De Meyer apprecieert dat de minister haar vertrouwen herbevestigde in de onderzoeks- en praktijkcentra die een heel belangrijke rol spelen voor de hele sector. Hij vroeg ook aandacht voor een aantal personeelsleden die onder DAC-statuut werken.

Loonwerkers doen te weinig beroep op steunmaatregelen

Een landbouwer beschikt over een basisarsenaal aan machines voor grondbewerking maar het ontbreekt hem vaak aan zeer gespecialiseerde (en dure) zaai- en oogstmachines. De toenemende schaalvergroting in diverse specialisaties van de Vlaamse akkerbouw zou dus ondenkbaar zijn zonder loonwerkbedrijven. Aangezien loonwerkers niet in aanmerking komen voor steun vanuit het Vlaams Landbouwinvesteringsfonds (VLIF) vroeg Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer aan minister Muyters of deze bedrijven een beroep kunnen doen op andere steunmaatregelen.

Specifieke steun voor deze sector bestaat er niet zodat loonwerkers vaker dan in het verleden het geval was hun weg zouden moeten vinden naar bijvoorbeeld IWT-steun voor innovatieprojecten, de ecologiepremie en de KMO-portefeuille.
Het Vlaamse landbouwareaal omvat een kleine 700.000 hectare landbouwgrond. Zonder loonwerkers zouden landbouwers handen en machines tekortkomen om dat areaal te bewerken. “In ons land zijn meer dan 900 agrarische loonwerkers actief, die een professioneel bedrijf runnen gelet op het IKK-certificaat waarover ze beschikken”, weet Jos De Meyer, Vlaams parlementslid voor CD&V. Het gaat zowel om eenmansbedrijven als om kleine kmo’s.
De loonwerksector wordt, soms tot hun eigen frustratie, uitgesloten van investeringssteun via het VLIF. De Meyer polste bij Philippe Muyters, Vlaams minister van Werk en Economie, naar de steunmaatregelen waarop loonwerkers wél beroep kunnen doen. “Net zoals alle andere ondernemingen in Vlaanderen kan een loonwerkbedrijf een aanvraag voor steun voor innovatieprojecten indienen bij het IWT”, antwoordt de minister. Alleen blijkt dat slechts twee loonwerkers daadwerkelijk steun ontvingen van het IWT tijdens de voorbije legislatuur.
Andere steunmaatregelen, zoals strategische transformatiesteun, kmo-portefeuille en de ecologiepremie, zijn evenmin populair onder loonwerkers want enkel de ecologiepremie werd tweemaal aangevraagd en verkregen. Daarom onderlijnt Jos De Meyer dat loonwerkbedrijven, gezien hun belang voor de land- en tuinbouwsector, goed geïnformeerd moeten worden over de steunmaatregelen waarop zij een beroep kunnen doen.(Vilt)