Binnenkort verkeerslichten aan het verkeerscomplex Vrasene!

Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer drong bij minister van Openbare Werken Ben Weyts aan op de snelle uitvoering van de uitbreiding van de E34.

“De uitbreiding van de E34 wordt in hoofdzaak gekoppeld aan de ontwikkeling van de Saeftinghezone. De ontsluiting over de weg van de Saeftinghezone zal gebeuren via de Westelijke ontsluiting die met een nieuw op- en afrittencomplex tussen de R2 en Vrasene zal aantakken op de E34. De aanleg van deze wegenis zal tevens zorgen voor een scheiding van het haven- en kernenverkeer dat zich momenteel samen op de N451 bevindt en zal ook het op- en afrittencomplex van Vrasene van het havenverkeer ontlasten,” antwoordde minister Weyts.

“Naar aanleiding van het knippen van het verkeer ter hoogte van de werken aan de Deurganckdoksluis op de Sint-Antoniusweg vanaf half september 2015 tot eind januari 2016 en de bijkomende omleiding, zullen er tegen dan lichten worden geplaatst op het complex Vrasene. Ook na de omleiding zullen deze lichten blijven staan tot aan de start van de werken aan de E34. Volgens de recente tellingen zou het plaatsen van deze lichten, zonder grote aanpassingen aan de infrastructuur, er voor moeten zorgen dat het op- en afrittencomplex nog weinig hinder ondervindt van congestie.”

Enkele jaren geleden liet het Intergemeentelijk Samenwerkingsverband van het Land van Waas immers een mobiliteitsstudie uitvoeren die aantoonde dat nog enkele bijsturingen van het Wase wegennet nodig waren, onder meer om de verkeersveiligheid in de dorpskernen te kunnen bewaren en om congestie van de E17 voor de Kennedytunnel te kunnen vermijden.
De Meyer zal dit dossier alert blijven volgen.

Grote screening studierichtingen secundair onderwijs afgerond

BRUSSEL 23/04 (BELGA) = Alle studierichtingen in de tweede en derde graad van het secundair onderwijs zijn tegen het licht gehouden. De screening past in de hervorming van het secundair onderwijs. Uit de resultaten blijkt dat er vraagtekens kunnen geplaatst worden bij de geplande drieledige structuur in de derde graad. Zo zouden er doorstroomrichtingen komen voor wie later verder wil studeren, arbeidsmarktgerichte richtingen voor wie meteen wil gaan werken en richtingen die beide combineren. Maar die combinatie waarmaken, blijkt moeilijk, zo stelt minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V).
Naast het wegwerken van de schotten tussen het ASO, BSO en TSO wil men bij de hervorming van het secundair onderwijs ook met de kam door de studierichtingen in de tweede en derde graad gaan. Momenteel bestaan er in de derde graad alleen al meer dan 250 verschillende richtingen.
Er was daarom afgesproken dat er een grootschalige screening zou komen. Die moest helpen duidelijk te maken welke richtingen geschikt zijn om later verder te studeren (doorstroomrichtingen), om meteen aan de slag te gaan (arbeidsmarktgerichte richtingen) of om beide opties open te laten.
Die oefening is nu klaar. Minister van Onderwijs Hilde Crevits kondigde dat donderdag in het Vlaams Parlement aan in antwoord op vragen van Elisabeth Meuleman (Groen) en Jos De Meyer (CD&V). Het gaat om de grootste screening in 25 jaar. De oefening brengt onder meer in kaart hoeveel leerlingen voor een bepaalde richting kiezen, of ze doorstromen naar de arbeidsmarkt of het hoger onderwijs en wat hun slaagkansen daar zijn.
Uit de berg aan resultaten blijkt onder meer dat jongeren die ASO volgen (jaarlijks zo’n 113.000 leerlingen), grote slaagkansen hebben in het hoger onderwijs, van 80 tot 90 procent voor professionele bachelors en 68 procent voor academische bachelors. Vooral Klassieke Talen en Wiskunde scoren daarbij goed.
Tegelijk blijkt 8 procent van de ASO-studenten niet verder te studeren (wat nochtans de finaliteit is van het ASO), waardoor ze het nadien moeilijker hebben op de arbeidsmarkt.
Verder blijkt dat slechts een beperkt aantal richtingen uit het technisch- en kunstonderwijs geschikt is om zowel de poort naar het hoger onderwijs als naar de arbeidsmarkt succesvol open te houden. Het gaat dan bijvoorbeeld om richtingen als creatie en mode, houttechnieken of gehandicaptenzorg. “De screening toont aan dat de beoogde drieledige structuur niet ondersteund wordt door de feiten”, aldus minister Crevits.
Wie bijvoorbeeld kiest voor de richtingen hout en bouw of voor mechanica-elektriciteit, heeft wel goede kansen op de arbeidsmarkt, maar veel minder in het hoger onderwijs. En 8 van de 10 studenten die de richting kantoor-administratie kiezen en nadien hogere studies volgen hebben na 5 jaar nog geen professionele bachelor.
De minister wil de screening gebruiken om het aanbod in het secundair onderwijs te rationaliseren en te moderniseren. “Het aanbod voldoet niet altijd aan de noden van de tijd en is ook niet altijd even doeltreffend. Voor elke richting moet heel scherp worden afgelijnd wat er de finaliteit van is. Dat zal essentieel zijn om in Vlaanderen het ‘watervaldenken’ bij ouders en studiekiezers te doorbreken”, aldus de minister.
De resultaten van de screening staan op de website van het Agentschap voor Kwaliteitszorg in Onderwijs en Vorming (AKOV): www.akov.be.
Volgens vraagsteller Jos De Meyer (CD&V) zet de minister met de screening een belangrijke stap in de hervorming van het secundair onderwijs en in de rationalisatie van het aanbod. Zijn oppositiecollega Elisabeth Meuleman (Groen) klonk een stuk kritischer. Zij maakt zich zorgen over de uitvoering van het masterplan voor de hervorming van het secundair onderwijs. Zij verwijst daarbij naar de plannen van het katholiek onderwijsnet (VSKO) om “vier afstudeerfinaliteiten” te voorzien. “Als de grootste speler in het onderwijslandschap het anders wil doen en niet wil meestappen in de plannen, dan is er een probleem”, aldus Meuleman. ./. DRM/(AHO) (Belga)

Nog steeds 173 salarisschalen in het onderwijs en meerdere anomalieën

Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer vroeg minister Crevits in de commissie Onderwijs van het Vlaams parlement of het zinvol is de 182 weddeschalen die volgens Agodi in het jaarverslag over 2013 gehanteerd worden in het onderwijs, te behouden.
De meerderheid van de salarisschalen in het onderwijs zijn van toepassing op een zeer beperkt aantal personeelsleden. 54 salarisschalen worden toegekend aan niet meer dan 5 personeelsleden, 10 salarisschalen gelden voor 6 tot 10 personeelsleden, 26 gelden voor 11 tot 50 personeelsleden, en 17 salarisschalen zijn van toepassing voor 51 tot 100 personeelsleden.
Omdat 12 salarisschalen volstaan om niet minder dan 81% van alle personeelsleden uit het onderwijs te kunnen bezoldigen, vraagt De Meyer zich af of dat zeer grote aantal weddeschalen noodzakelijk is voor de correcte gang van zaken, en of het niet zinvol is om in samenspraak met de sociale partners te werken aan een eenvoudiger systeem, rekening houdend met het decreet rechtspositie.
De Meyer wees op een aantal anomalieën, bv een leraar krijgt voor het geven van een praktijkvak of technisch vak in het BSO een lagere vergoeding dan voor het geven van hetzelfde vak in het TSO.
De minister antwoordde dat een aantal weddeschalen uitdovend zijn en dat er momenteel nog 173 overblijven. Verder repliceerde zij dat zij niet van plan is het aantal weddeschalen onmiddellijk te wijzigen maar dat er in de toekomst wel zal gemonitord en gerationaliseerd worden, met het nodige sociaal overleg en zonder te raken aan de verworven rechten.

Scholenbouw: capaciteitsmiddelen eerlijk verdelen!

In Vlaanderen neemt de schoolbevolking toe, maar niet overal in gelijke mate en in het zelfde tempo. Daardoor is het in sommige gemeenten veel dringender om te investeren in schoolgebouwen dan in andere, en sinds 2009 is er daarom een speciaal budget uitgetrokken voor “capaciteitsproblemen”.
Hoe nijpend en dringend de nood ook is, toch duurt het in sommige gevallen zeer lang voor men werkelijk begint te bouwen. Dat vernam Vlaams parlementslid Jos De Meyer van minister Crevits van Onderwijs.
Het geld dat werd uitgetrokken voor scholenbouw in gebieden met dringende nood krijgt niet steeds direct een bestemming. In het gemeenschapsonderwijs zijn nog 25 miljoen euro niet vastgelegd van de 70 miljoen die beschikbaar werd gemaakt in de periode 2010-2014. Meer dan 35% van het beschikbaar gemaakte geld heeft dus nog geen bestemming gevonden. Van de 32,5 miljoen die voorzien werden voor 2013 zijn op dit ogenblik nog steeds bijna 11 miljoen beschikbaar.
In het Vrij onderwijs, waar de schoolbesturen zelf ook moeten mee investeren met eigen middelen, staan voor de zelfde periode nog 32 miljoen euro gereed van de 117,8 miljoen die voorzien waren. Dat is ongeveer 27%.
Tussen de vastlegging en de uitvoering van de werken ligt bij grote projecten in het gemeenschapsonderwijs gemiddeld nog een periode van 30 maand.
Over de hele periode 2010-2014 werden 188.393.155 euro toegekend aan gemeenten waarvan de scholen een capaciteitsprobleem hadden. 63% van dat bedrag werd werd toegekend aan het officieel onderwijs en 37% aan het vrij onderwijs. Die verhouding klopt niet met de verdeling van de schoolbevolking: in Vlaanderen heeft het vrij onderwijs immers een “marktaandeel” van ongeveer 70%.
We moeten hier toch de bepalingen van Onderwijsdecreet II in de gaten houden, vindt De Meyer. Artikel 17 stelt immers dat de verdeling van de middelen gebaseerd moet zijn op het aantal leerlingen per net en per niveau, en bij de capaciteitsmiddelen is dat duidelijk niet het geval.
Het klopt dat men in dringende noodsituaties niet alle onderlinge verhoudingen kan afwegen op een apothekersweegschaaltje, maar als uit de cijfers blijkt dat er nu nog geld beschikbaar is van 2010, dan is het allicht toch mogelijk om in de geest van Onderwijsdecreet II de middelen meer in evenredigheid te verdelen. Mogelijks moeten we het huidig systeem van de werking van de taskforces durven herdenken en bijsturen, aldus Jos De Meyer.

Vestiging en steun voor loonwerkbedrijven

Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer ondervroeg minister van Landbouw Joke Schauvliege in de commissie Landbouw over de problemen waarmee loonwerkbedrijven geconfronteerd worden.
Loonwerkbedrijven voeren heel wat werkzaamheden uit binnen de agrarische sector. Deze bedrijven bieden de agrarische sector een meerwaarde vanwege de gespecialiseerde machines voor grondbewerking en oogst. Bovendien beschikken zij over de nodige werknemers om de gespecialiseerde machines te bedienen.
Toch ondervinden loonwerkers vandaag de dag heel wat moeilijkheden. De kostprijs van het materiaal neemt toe. De vernieuwingsgraad van de machines moet hoog genoeg zijn om te voldoen aan de recente ontwikkelingen. Bovendien zijn er minder klanten vanwege het dalend aantal landbouwers. Ook de energie- en loonkosten nemen jaarlijks toe.
Om enerzijds de kosten te drukken en anderzijds de onzekerheid aan inkomsten te beheersen besluiten loonwerkers veelal om hun activiteiten te verbreden. Dit is geen onlogische keuze, een diversificatie aan inkomsten biedt een bedrijf immers meer zekerheid. Die verbreding uit zich dan vooral in het uitvoeren van grondwerken omdat ze reeds beschikken over machines dat hiervoor ingezet kunnen worden. Toch is die verbreding niet evident. Door de verbredingsactiviteiten uit te oefenen worden de loonwerkbedrijven nu en dan als zonevreemd beschouwd. Toch ligt de oorsprong van het loonwerkbedrijf in de agrarische sector, en voert het nog steeds agrarische activiteiten uit.
Minister Schauvliege antwoordde dat de aard van het loonwerkbedrijf bepalend is voor de vestigingsplaats: een aan de landbouw verwant bedrijf kan terecht in agrarisch gebied, loonwerkbedrijven die niet aan de landbouw verwant zijn, worden doorverwezen naar industriegebieden. De minister wees er ook op dat loonwerkbedrijven geen beroep kunnen doen op VLIF-steun. De Europese regelgeving voorziet enkel steun voor landbouwers en groepen van landbouwers.
Jos De Meyer wees nogmaals op het probleemsituatie voor landbouwers die diversifiëren en vroeg de minister de buitenlandse regelgeving dienaangaande na te gaan. Hij hoopt dat de minister daarin inspiratie kan vinden voor de Vlaamse regelgeving.
__________
Agrarisch gebied als uitvalsbasis voor loonwerkers?
Loonwerkbedrijven verrichten veldwerkzaamheden waarvoor het landbouwers aan het gespecialiseerde materiaal of de tijd ontbreekt. Loonwerkers zijn dan ook onmisbaar voor de landbouwsector, maar voor de overheid lijken ze soms vlees noch vis zodat ze al eens moeilijkheden ervaren. Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer (CD&V) kaartte enkele problemen aan bij minister Schauvliege. In verband met de vestiging van loonwerkbedrijven kreeg hij te horen dat landbouwloonwerkbedrijven in agrarisch gebied thuishoren voor zover hun activiteit daar nuttig of nodig is. Als ‘aan de landbouw verwant bedrijf’ kunnen ze geen nieuwbouw optrekken maar dienen ze gevestigd te worden in bestaande landbouwbedrijfszetels.
Loonwerkbedrijven voeren heel wat werkzaamheden uit binnen de agrarische sector. Deze bedrijven bieden de agrarische sector een meerwaarde vanwege de gespecialiseerde machines voor grondbewerking en oogst. Bovendien beschikken zij over de nodige werknemers om de gespecialiseerde machines te bedienen. “Toch ondervinden loonwerkers vandaag de dag heel wat moeilijkheden”, constateert Jos De Meyer, die zelf een aantal pijnpunten opsomt. “De kostprijs van het materiaal neemt toe. De vernieuwingsgraad van de machines moet hoog genoeg zijn om te voldoen aan de recente ontwikkelingen. Bovendien zijn er minder klanten vanwege het dalend aantal landbouwers. Ook de energie- en loonkosten nemen jaarlijks toe.”
Om enerzijds de kosten te drukken en anderzijds de onzekerheid aan inkomsten te beheersen, besluiten loonwerkers veelal om hun activiteiten te verbreden. “Dit is geen onlogische keuze”, aldus De Meyer, “aangezien een diversificatie aan inkomsten een bedrijf immers meer zekerheid biedt.” Die verbreding uit zich dan vooral in het uitvoeren van grondwerken omdat ze reeds beschikken over machines dat hiervoor ingezet kunnen worden. Toch is die verbreding niet evident. Het parlementslid haalt aan dat loonwerkbedrijven nu en dan als zonevreemd worden beschouwd door de verbredingsactiviteiten die ze uitoefenen. “Toch ligt de oorsprong van het loonwerkbedrijf in de agrarische sector, en voert het nog steeds agrarische activiteiten uit.”
Minister Schauvliege antwoordde dat de aard van het loonwerkbedrijf bepalend is voor de vestigingsplaats: een aan de landbouw verwant bedrijf kan terecht in agrarisch gebied. “Landbouwloonwerkbedrijven kunnen zich vestigen (in een bestaande landbouwbedrijfszetel) in agrarisch gebied indien ze een directe relatie kunnen aantonen met de daar aanwezige landbouwbedrijven”, specificeert de minister. “De schaal van de bedrijven moet wel altijd beantwoorden aan de omgeving. Indien loonwerkers hun activiteiten zodanig verbreed hebben (b.v. grondwerk) dat ze geen nauwe relatie meer hebben met het landbouw, kan het zijn dat zij worden doorverwezen naar industriegebied.” (Vilt)

Clustert glastuinbouw of eerder autonome ontwikkeling?

Met het actieplan glastuinbouw, dat al in 2003 het levenslicht zag, wou de Vlaamse regering de veroudering van serres tegengaan en de verduurzaming van de sector activeren. Glastuinbouwbedrijvenzones werden gezien als een mogelijke oplossing voor de knelpunten met betrekking tot vergunningen. Vlaams parlementslid Jos De Meyer (CD&V) vroeg aan minister Schauvliege naar een stand van zaken. Momenteel zijn drie ruimtelijke uitvoeringsplannen voor glastuinbouwclusters goedgekeurd: Stokstorm, Roeselare en Oudenburg. In de ogen van Schauvliege hebben alle bedrijven (bv. klein met koude teelten of grootschalig en sterk gespecialiseerd in energie-intensieve teelten) bestaansrecht. Geïntegreerde projecten waarbij ruimte, water en energievoorziening optimaal gebundeld worden, hebben een streepje voor.

Glastuinbouwbedrijvenzones werden gezien als oplossing voor vele problemen, maar ondertussen is er één en ander gewijzigd, onder andere door de moeilijke economische situatie in de tuinbouw. Sommige gemeentebesturen, zoals Beveren, zijn geen vragende partij meer en de provincies verschuilen zich achter de uitvoering van een Vlaams actieplan. Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer polste bij minister van Landbouw Joke Schauvliege eens naar de uitvoering van het actieplan op dit vlak, maar ook meer in het algemeen.

De oorspronkelijke bedoeling was om in grotere gebieden de ontwikkeling te sturen in een zekere concentratie van de glastuinbouw, met speciale aandacht voor sommige regio’s, bijvoorbeeld Sint-Katelijne-Waver, Boechout-Ranst, Roeselare, Gent, Beveren-Melsele en Hoogstraten. Momenteel zijn drie ruimtelijke uitvoeringsplannen voor clusterprojecten goedgekeurd: Stokstorm, Roeselare en Oudenburg. Het Stokstorm-project, een initiatief van de provincie Oost-Vlaanderen, is in ontwikkeling. In Roeselare is de uitgifte van de kavels voorzien in 2015. Het is de bedoeling dat de serres daar verwarmd kunnen worden met de restwarmte van een nabij gelegen afvalverbrandingsinstallatie. Dat was zo ook voorzien in de West-Vlaamse gemeente Oudenburg maar hier zijn voorlopig geen concrete acties gepland.

Het project te Beveren/Melsele was aanvankelijk een gemeentelijk initiatief maar werd overgenomen door de provincie. Omwille van een vernietigingsarrest van de Raad van State zal een nieuw ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan ingediend worden. Los van de door de overheid gestuurde projecten stelt minister Schauvliege dat de clustering van glastuinbouwbedrijven zich in bepaalde regio’s (bv. Koekhoven) spontaan manifesteert. “Ook ontwikkelen er zich op natuurlijke wijze grootschalige bedrijven (15 tot 20 ha), waarbij meerdere bedrijfsleiders samenwerken”, aldus Schauvliege.

“Het ontwikkelingsscenario en de dynamiek van glastuinbouwclusters is, zo leert de ervaring ons, sterk afhankelijk van lokale factoren zoals de keuze van de energiebron, de beschikbare ruimte, het draagvlak, de druk op agrarisch gebied, de verwerving van gronden, enz.”, zegt Schauvliege. Niettegenstaande de complexiteit om ontwikkelingskansen voor serres te realiseren, blijft het beleid de initiatiefnemers aanmoedigen. De minister voegt er nog aan toe dat er continu overleg is met de betrokken gemeente- en provinciebesturen via werk- en stuurgroepen. Jos De Meyer beaamt dat een plaatselijk draagvlak belangrijk is bij dergelijke ingrijpende ruimtelijke projecten.

De minister van Landbouw haalt ook nog aan dat de doelstellingen rond energiegebruik in de Vlaamse glastuinbouw ruimschoots gehaald worden. Op dit ogenblik wordt al tot 90 procent gebruikgemaakt van duurzame energie in de glastuinbouw. Dat is vooral te danken aan de WKK’s die draaien op aardgas. Het gebruik van zware stookolie is sterk teruggedrongen. (Vilt)

Onduidelijkheid troef bij de maatwerkbedrijven

Op de dag dat de beschutte en sociale werkplaatsen worden omgevormd tot maatwerkbedrijven, geven die laatste het signaal dat er nog veel onduidelijkheden blijven met betrekking tot het financiële plaatje en de toeleiding.

Het VLAB gaf aan dat liefst een derde van alle gewezen beschutte werkplaatsen nog steeds in het ongewisse is omtrent hun toekomstige subsidies, wat erg moeilijk werken is gezien de onzekerheid die dit veroorzaakt bij het personeel van de maatwerkbedrijven.

In het Vlaams Parlement werd de bevoegde minister hierover door Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer bevraagd. Zij gaf echter aan dat alles prima loopt, er geen veranderingen zijn betreft de spelregels en er helemaal géén onduidelijkheid leeft.

“Het is toch erg bevreemdend,” geeft vraagsteller Jos De Meyer aan, “dat er al maanden met veel vragen naar deze dag van implementatie van het maatwerkdecreet wordt toegeleefd, en de minister telkenmale aangeeft dat er helemaal geen probleem is.”

Zijn partijgenote Sonja Claes, die de thematiek reeds jaren opvolgt, beaamt dit. “Vooral de voorschotregeling, waarbij bedrijven na elk kwartaal te horen krijgen of ze geld terugkrijgen, dan wel moeten bijbetalen, leidt tot onzekerheid. Ze hebben nog niets gehoord over concrete regels hieromtrent, maar intussen zijn we wel al gestart met de uitvoering ervan!”