Nieuwe veersteiger Fort Liefkenshoek tegen begin 2018

De ontwerpplannen voor de nieuwe veersteiger aan het Fort Liefkenshoek zitten in een finale fase. Dat heeft minister van Openbare Werken Ben Weyts (N-VA) meegedeeld op een parlementaire vraag van Jos De Meyer (CD&V). Volgens Weyts is het nog altijd de bedoeling om de nieuwe steiger medio 2017 te bouwen en tegen einde 2017 te plaatsen. De steiger zal dus ten vroegste begin 2018 klaar kunnen zijn. “Gezien het belang van de nieuwe steiger aan Liefkenshoek voor het toekomstige netwerk van waterbussen, lopen er ook onderhandelingen met het Havenbedrijf Antwerpen over de financiering ervan”, zegt Weyts. Zodra de steiger klaar is, kan er opnieuw een veerdienst worden ingelegd tussen Fort Liefkenshoek en Lillo. De veerboot tussen Doel en Lillo werd intussen afgeschaft wegens het steeds drukker wordende scheepvaartverkeer van en naar het Deurganckdok wordt alsmaar drukker. Ook het gemeentebestuur van Beveren is vragende partij voor deze nieuwe verbinding. Als het dorp Doel verdwijnt, blijft er toch een veerdienst met de overkant bestaan. Bovendien is deze verbinding toeristisch veel interessanter omdat het Fort Liefkenshoek intussen is omgebouwd tot een bezoekerscentrum. Tot slot zal Fort Liefkenshoek ook een halte worden voor de nieuwe waterbus. Deze lijn is vooral gericht op werknemers van het havengebied. (Het Laatste Nieuws, PKM)

Voorlopig geraakt digestaat niet af van het meststatuut

Landbouwers met een vergistingsinstallatie zijn nog niet van het oude zeer verlost dat het digestaat dat overblijft na vergisting beschouwd wordt als dierlijke mest. Ook in het geval de vergister behalve met mest ook met andere (plantaardige) reststromen gevoed werd, beschouwt de wetgever alles wat eruit komt als dierlijke mest. De Minaraad drong reeds aan op de toepassing van het pro-rataprincipe. In haar antwoord op een schriftelijke vraag van Vlaams parlementslid Jos De Meyer (CD&V) geeft minister Schauvliege te kennen dat een alternatieve methodiek in onderzoek is. Met de resultaten daarvan wil ze onderhandelingen met de Europese Commissie aanknopen.

Vlaanderen streeft naar hernieuwbare energie en wil ook de uitstoot van broeikasgassen inperken. Kleine vergistingsinstallaties op landbouwbedrijven dragen bij aan beide doelstellingen. Door de vergisting van afvalstoffen en dierlijke mest wordt methaangas geproduceerd en als energiebron gebruikt, wat vermijdt dat het als broeikasgas in de atmosfeer wordt uitgestoten. Het restproduct van die vergisting, het digestaat, is een waardevolle en gemakkelijk opneembare meststof.
De praktijk is evenwel weerbarstig. Eén van de grootste problemen waar de vergistingssector mee kampt, is de classificatie van het digestaat als dierlijke mest. Dat bemoeilijkt namelijk de afzet want digestaat komt zo in rechtstreekse concurrentie met onbewerkte dierlijke mest die in Vlaanderen in overvloed aanwezig is. Ook al gaat er maar een beperkt aandeel dierlijke mest de vergister in, toch wordt al het digestaat dat na vergisting overblijft als dierlijke mest beschouwd.
Volgens Vlaams parlementslid Jos De Meyer is het combineren van mest met plantaardig afval zeer interessant vanuit energetisch standpunt, maar leidt de classificatie van het restproduct als mest tot problemen. Reeds bij de bespreking van het vijfde mestactieplan adviseerde de Minaraad het pro-rataprincipe, zo herinnert De Meyer zich, waarbij het aandeel mest dat in de vergister gaat overeenstemt met het aandeel digestaat dat de classificatie dierlijke mest verdient.
Minister Schauvliege stelt in haar antwoord aan De Meyer dat ze met de Europese Commissie verder zal onderhandelen over het pro-rataprincipe bij het klasseren van digestaat, tenminste als onderzoek uitwijst dat het gebruik van digestaat positief is voor de bodem- en waterkwaliteit. Vlaams volksvertegenwoordiger De Meyer meent dat een win-winsituatie voor landbouw en milieu in de maak is. In MAP5 is voorzien dat Vlaanderen een alternatieve methodiek voor het gebruik van digestaat onderzoekt. De resultaten van veldproeven met ‘groene’ meststoffen zijn bemoedigend. (Vilt)

Groenere wagens bij de overheid?

Op het vlak van de CO2-reductie en andere inspanningen ten bate van het klimaat wil de Vlaamse overheid verder het goede voorbeeld geven, stelt minister Homans van Binnenlands Bestuur in haar antwoord op de bezorgdheid en de vraag hierover van Vlaams parlementslid Jos De Meyer.
De gemiddelde ecoscore van het wagenpark van de Vlaamse overheid is van 54,62 in 2010 nu verhoogd tot 57,87 in 2014. Uit cijfers van minister-president Bourgeois blijkt bovendien dat de wagens van de kabinetten en de ministers meestal nog een betere ecoscore halen, maar vaak gaat het ook om duurdere wagens. De Tesla S85 van het kabinet van minister Tommelein haalt met een ecoscore van 82 het beste resultaat, maar goedkoop is die niet, met een maandelijks leasingbedrag van €2.338,44. Per jaar kost die daarmee meer aan leasing dan de aanschafwaarde van de Toyota Auris (€ 22.918 ) van het zelfde kabinet. Die Toyota doet het met een ecoscore van 78 overigens ook niet slecht.
Een goede ecoscore gaat niet noodzakelijk samen met een hoge kostprijs. Wij merken wel dat de oudste wagens de slechtste score halen.

Vlaamse werkloosheid verschilt sterk naar regio, gender en opleiding!

Hoe hoger het scholingsniveau, hoe lager de kans op langdurige werkloosheid. Deze algemeen aangenomen veronderstelling wordt terug bevestigd door de cijfers die Vlaams parlementslid Jos De Meyer kreeg in het antwoord op zijn vraag aan minister Muyters van Tewerkstelling.
Vlaanderen telde in juni 238.093 werkzoekende werklozen. Bijna de helft daarvan (110.066) is al een jaar of langer werkzoekend. De groep langdurig werklozen bestaat voor 53% uit laaggeschoolden (mensen zonder diploma secundair onderwijs) en voor 15% uit hooggeschoolden. Ter vergelijking: in de bevolking op “arbeidsleeftijd” in Vlaanderen is 22,5% laaggeschoold en 36,5% hooggeschoold (Vlaamse Regionale Indicatoren, VRIND 2015). Slechts 6% van de langdurig werklozen heeft een masterdiploma. In zijn antwoord geeft de minister ook een link naar Arvastad (https://arvastat.vdab.be), de website van de VDAB waarin de cijfers over tewerkstelling constant worden bijgewerkt. In augustus 2016 lagen de werkloosheidscijfers 1,5% hoger dan de maand ervoor, maar dat is een jaarlijks terugkerend fenomeen: in augustus komen de nieuwe schoolverlaters immers in de statistieken terecht.
Vergeleken met vorig jaren zijn de werkloosheidscijfers cijfers meer dan 1% gedaald. Ze variëren van 6.3% in de provincie West-Vlaanderen tot 9,8% in de provincie Antwerpen. Hoewel de havenactiviteit een belangrijke bron van tewerkstelling is, worden in het arrondissement Antwerpen ook verhoudingsgewijs nog meest werkzoekende werklozen opgegeven.
Bij de langdurig werkzoekende jonge werklozen neemt volgens de meest recente Schoolverlatersstudie het aandeel van de werkloze mannen nog toe. Over alle studierichtingen samen halen de jonge mannen een “restpercentage” van 13,8%, terwijl de jonge vrouwen het op 9.7% houden. (bron: VDAB, Schoolverlatersrapport 2016).
Bij de vergelijking naar studiegebied en opleidingsniveau blijkt ook volgens minister Muyters een groot verschil te zijn tussen werkzoekenden die een 7e jaar volgden na hun gewone BSO-of TSO-opleiding. Van alle langdurig werkzoekenden met een BSO3-diploma volgde 68% een 6-jarige opleiding en 32% een 7-jarige opleiding. Van de langdurig werkzoekenden met een TSO3-diploma volgde 94% zes jaar TSO en 6% volgde nog een 7de jaar. Wie koos voor een specialisatiejaar en wie dus een opleiding volgde waarin sterk werd gefocust op stage en praktijk lijkt minder risico te lopen om langer dan een jaar werkzoekend te zijn.
Het effect van een bijkomende masteropleiding is veel beperkter: bij mensen die een master na master volgden zijn in juni 2016 toch in totaal 722 werklozen waaronder 239 langer dan een jaar zonder werk zijn.
Ook opmerkelijk is het vrij grote aantal langdurig werkloze jonge leerkrachten voor alle onderwijsniveaus. Voor het kleuteronderwijs zoeken 1433 mensen naar werk, voor het lager onderwijs 1537 en voor het secundair onderwijs 3378 (samentelling van de werklozen met een specifieke lerarenopleiding en een universitaire aggregaatsopleiding). Het gaat hier wel degelijk om de cijfers van juli en niet die van 1 september.

Dag van de landbouw

Gisteren op bezoek bij Elke en Paul Huysman – Van den Kieboom, samen met minister Joke Schauvliege.
Sinds 2012 kweken ze escargots en saffraan van topkwaliteit! Je leert er ook alles over bijen en imkers.
Innovatie en verbreding zijn geen ijdele woorden in deze sector!

KMI plant 45 bijkomende meetpunten in Vlaanderen om rampgebied na noodweer te bepalen!

Het KMI werkt aan een uitbreiding van zijn meetnet. Tegen volgende zomer zouden er 45 waarnemingspunten bijkomen, wat het aantal meetstations zou opdrijven naar 170. Samen met de 71 meetpunten van de Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) zou Vlaanderen dan beschikken over 241 meetpunten die kunnen gebruikt voor het afbakenen van een rampgebied na noodweer. Dat heeft Vlaams minister-president Geert Bourgeois geantwoord op een schriftelijke vraag van CD&V-parlementslid Jos De Meyer.
Om noodweer als ramp te erkennen, rekent de Vlaamse overheid onder meer op het advies van het Koninklijk Meteorologisch Instituut (KMI). Dat moet bijvoorbeeld kijken of bepaalde regenval uitzonderlijk was of niet. Regenval is overvloedig wanneer deze een bepaalde hoeveelheid bereikt op een bepaalde oppe rvlakte per uur (30 l/m²) of per 24 uur (60 l/m²).
Voor die gegevens steunt het KMI op zijn netwerk aan meetpunten. CD&V-parlementslid Jos De Meyer vroeg aan minister-president Bourgeois of het bestaande netwerk van zowat 185 meetpunten wel voldoende fijnmazig is.
Volgens Bourgeois wordt het netwerk van meetpunten wel uitgebreid (met 45 tegen volgende zomer), maar is het moeilijk haalbaar en ook niet nodig om te komen tot één meetpunt om de 10 km, iets waar het KMI naar streeft. Bourgeois: “De combinatie van grondmetingen en radarbeelden is zowel volgens de deskundigen van het KMI als van de VMM een betrouwbare methode om de neerslaghoeveelheden te bepalen. Het is niet zo dat gemeenten zonder meetpunt benadeeld zouden worden ten opzichte van gemeenten die wel één of meer meetpunt(en) op hun grondgebied hebben”.
De gecombineerde aanpak op basis van grondmetingen en radarbeelden laat volgens Bourgeois toe om de onweerskernen nauwkeurig te lokaliseren. Zo kan de omschrijving van het rampgebied verfijnd worden tot op het niveau van een deelgemeente of zelfs van een wijk. De nauwkeurige lokalisatie van onweerskernen laat nu reeds toe om een gemeente op te nemen in het rampgebied, ook al is slechts een uithoek van die gemeente getroffen door de uitzonderlijke weersomstandigheden. (Belga)

Nieuwe mogelijkheden via de Examencommissie secundair onderwijs?

Het aantal diploma’s secundair onderwijs dat uitgereikt wordt door de Examencommissie (de vroegere “Middenjury”) blijft nog stijgen. Dat blijkt uit de cijfers die Vlaams parlementslid Jos De Meyer opvroeg bij minister Crevits van Onderwijs.
Zelfs als men enkel de gegevens gebruikt van na de reorganisatie in 2012 gaat het jaar na jaar om een indrukwekkende toename. In 2013 (het eerste volledig werkjaar na de reorganisatie) ging het om 678 diploma’s, in 2015 werden al 1087 diploma’s uitgereikt, een toename van 60%.
De meest populaire studierichtingen blijven bso Kantoor en bso Organisatiehulp, die samen goed zijn voor meer dan 75% van de uitgereikte diploma’s.
De Examencommissie kan leerlingen helpen om hun studietraject te verkorten als ze al op jongere leeftijd deelnemen aan de examens van de derde graad secundair onderwijs. Ze wil ook een oplossing bieden voor leerlingen die ergens in hun gewone schoolcarrière gestruikeld zijn. Voor die laatste groep is het een nadeel dat het aanbod van de Examencommissie zich beperkt tot vooral theoretische studierichtingen. De minister wil wel de denkpiste van De Meyer laten onderzoeken, waarbij de Examencommissie de theoretische component van een opleiding zou examineren, terwijl ze zich voor praktische en toegepaste vakken zou kunnen baseren op (deel-)attesten en evaluaties door de school.

Veiligheid op de verkeerswisselaar N41/E17 in Sint-Niklaas!

Sinds de heraanleg van de verkeerswisselaar tussen de N41 en de E17 in Sint- Niklaas, heeft zich op die plaats al een heel aantal verkeersongevallen voorgedaan. Reden voor Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer om minister van mobiliteit Ben Weyts daarover te ondervragen.

Op een eerdere vraag van De Meyer van 23 december 2015 of er bijkomende maatregelen mogelijk en wenselijk zijn om de verkeersdoorstroming nog vlotter en veiliger te laten verlopen, antwoordde de minister:
“het kruispunt zal door het Agentschap Wegen en Verkeer i.s.m. de lokale politie gemonitord worden en, indien nodig, zal er een dossier voorbereid en besproken worden op de Provinciale Commissie voor Verkeersveiligheid.”

In een nieuwe schriftelijke vraag informeerde De Meyer naar de resultaten van de
Geplande monitoring door het Agentschap Wegen en Verkeer i.s.m. de lokale politie.
Het antwoord van de minister: “het Agentschap Wegen en Verkeer (AWV) heeft van
depolitie recent geen bijkomende info ontvangen.
Aangezien bijna alle ongevallen ’s nachts gebeuren, heeft AWV een snelheidsmeting laten
uitvoeren. De gemiddelde gemeten snelheid ’s nachts is hoger dan overdag, al is dit niet
uitzonderlijk. Wat wel opvalt is dat er een relatief hoog aantal wagens op de N41 120 km/u
rijdt met uitschieters daar nog ver boven. Het geldende snelheidsregime voor wagens op de
N41 komende van Hamme is 70 km/u. Met deze gemeten snelheden is het goed
mogelijk dat de overstekende bestuurder van de N41 richting E17 Antwerpen de snelheid
van de aankomende wagens niet correct kan inschatten.
Bijkomende handhaving van het snelheidsregime is dan ook wenselijk. Daarnaast werden onlangs de roodlichtcamera’s in gebruik genomen. Ook deze handhavingsmaatregel zou het gedrag van de bestuurders positief moeten beïnvloeden.”

De Meyer hoopt dat de bijkomende maatregelen de veiligheid zullen verhogen. Hij blijft de problematiek in ieder geval op de voet blijven volgen…
———————-
Roodlichtcamera’s op verkeerswisselaar E17-N41

Het Agentschap Wegen en Verkeer heeft roodlichtcamera’s geplaatst op de verkeerswisselaar van de E17 en N41 in Sint-Niklaas. Daarmee wil de wegbeheerder de verkeerssituatie op het viaduct over de E17 veiliger maken. Na de herinrichting gebeurden er al een hele reeks ongevallen tussen het autoverkeer dat de E17-oprit naar Antwerpen wil oprijden en het verkeer dat uit de richting van Hamme komt. Bestuurders hadden aanvankelijk bij groen licht de illusie dat ze de baan mochten dwarsen om af te slaan, terwijl er aan tegenliggers nog steeds voorrang moest worden verleend. De lichten voor het afslaand verkeer werden dan maar op knipper- stand gezet, maar de ongevallen bleven niet uit. Het Agentschap Wegen en Verkeer heeft intussen snelheidsmetingen laten uitvoeren. Daarover legde Vlaams parlementslid Jos De Meyer (CD&V) enkele vragen voor aan Vlaams minister voor Mobiliteit Ben Weyts (N-VA). “De gemiddelde snelheid ’s nachts ligt hoger dan overdag, wat niet uitzonderlijk is. Wél opvallend is dat er een relatief hoog aantal auto’s op de N41 120 kilometer per uur rijdt, met uitschieters tot ver daarboven, terwijl op de N41 een snelheidsregime van 70 kilometer per uur geldt”, antwoordde minister Weyts. “Het is goed mogelijk dat de overstekende automobilisten de snelheid van de aankomende auto’s op de N41 uit de richting van Hamme niet correct kunnen inschatten. Extra controle van de snelheid is wenselijk. Daarnaast zijn onlangs de roodlichtcamera’s in gebruik genomen. Ook dat zou het gedrag van bestuurders positief moeten beïnvloeden.” Die camera’s’ flitsen als auto’s door het rood rijden, maar ook bij overdreven snelheid. (Het Laatste Nieuws, Joris Vergauwen)
———————-
Roodlichtcamera’s tegen ongevallen

De plaatsing van roodlichtcamera’s moet ongevallen helpen voorkomen aan de verkeerswisselaar tussen de N41 en de E17 in Sint-Niklaas. De nieuwe camera’s flitsen de chauffeurs wanneer ze te snel of door het rood licht rijden. Dat kreeg Vlaams Parlementslid Jos De Meyer (CD&V) te horen van Vlaams minister Ben Weyts (N-VA). “Wat opvalt, is dat er een relatief hoog aantal wagens op de N41 120 km per uur rijdt, met uitschieters daar nog ver boven. Het snelheidsregime op de N41 voor verkeer vanuit Hamme is 70. Met deze gemeten snelheden is het goed mogelijk dat de overstekende bestuurder van de N41 richting E17 Antwerpen de snelheid van de aankomende wagens niet correct kan inschatten. Bijkomende handhaving van het snelheidsregime en roodlichtcamera’s zouden het gedrag van de bestuurders positief moeten beïnvloeden.” (Het Nieuwsblad, Guy Van Hoeyland)