Jumping recreatiedomein De Ster

Vorige zondag bij één van de prijsuitreikingen op de jumping op het recreatiedomein De Ster in Sint-Niklaas.
Proficiat aan alle deelnemers en aan de winnaars, maar zeker ook aan de organisatoren voor het geslaagd ruiterevenement!
(foto: Guido Van de Ven)

Kosten voor houtkap door Weyts langs Vlaamse autosnel- en gewestwegen op twee jaar tijd verdubbeld

Op steeds meer plaatsen langs de Vlaamse autosnelwegen en gewestwegen worden bomen gekapt. Twee jaar geleden ging het nog om bijna 78 ha. De afgelopen winter was dat al 112 ha. De kostprijs voor het hakhoutbeheer is in dezelfde periode meer dan verdubbeld van bijna 1,9 miljoen euro naar 3,9 miljoen euro. Dat blijkt uit cijfers die Vlaams parlementslid Jos De Meyer (CD&V) heeft opgevraagd bij minister van Mobiliteit Ben Weyts (N-VA).
“Waar men gaat langs Vlaamse wegen, komt men het kappen van bomen tegen”, zegt De Meyer met een boutade. Maar de cijfers lijken de CD&V’er gelijk te geven. Op enkele jaren tijd is de oppervlakte waar aan ‘hakhoutbeheer’ gedaan wordt, sterk gestegen, meer bepaald van 78 hectare in de winter van 2014/2015 tot 112 ha in de afgelopen winter.
Bij hakhoutbeheer worden de bomen en struiken op een hoogte van 10 tot 20 centimeter boven de grond afgezaagd. Bedoeling is dat de struiken en bomen nadien opnieuw aangroeien. Die cyclische aanpak is niet alleen goed voor de verjonging van de beplanting maar wordt ook gezien als een “verrijking van het ecosysteem in de bermen”.
Omdat de bomen en struiken in het verleden te massaal en te dicht bij elkaar zijn aangeplant in de bermen, vormen ze hier en daar wel een gevaar voor de verkeersveiligheid, merkt minister Weyts op. Daarom dringt houtkap zich op. Weyts: “Het Agentschap Wegen en Verkeer (AWV) heeft in het verleden op verschillende plaatsen kunnen ondervinden dat er bomen op de rijbaan waren terechtgekomen. De dikwijls veel te hoog opgegroeide bomen zijn instabiel en vormen meer en meer een gevaar voor het verkeer. Hakhoutbeheer vermindert aanzienlijk de kans dat deze bij hevige wind of na zeer natte periodes zouden uitwaaien of omvallen.”
Uit de cijfers van Weyts blijkt nog dat de kostprijs voor het hakhoutbeheer de voorbije jaren is opgelopen van 1,9 miljoen euro naar 3,9 miljoen euro. (Belga)

Overbevolking opleiding diergeneeskunde hoog op agenda

Uit antwoorden van minister Hilde Crevits op vragen van de Vlaamse parlementsleden Jos De Meyer (CD&V), Koen Daniëls (N-VA) en Ann Brusseel (Open Vld) blijkt dat de opleidingen diergeneeskunde geconfronteerd worden met atypische problemen wat de in- en uitstroom van studenten betreft.

Een (te) groot aantal studenten, onder wie veel Nederlanders, start in de bachelor. De uitval is hoog, en wie afstudeert komt op een oververzadigde arbeidsmarkt terecht. Op initiatief van De Meyer leggen parlementsleden uit de meerderheid een resolutie voor aan het Vlaams Parlement, waarmee ze het probleem aankaarten en de regering om specifieke maatregelen vragen.
De bezorgdheid groeit dat de kwaliteit van de opleiding diergeneeskunde in Vlaanderen in het gedrang komt door de grote toestroom aan studenten. De universiteiten van Antwerpen en Gent trekken niet alleen Vlaamse studenten aan maar ook een groot aantal studenten met de Nederlandse nationaliteit. In de bacheloropleiding aan Universiteit Antwerpen maakten zij de voorbije academiejaren ongeveer de helft van de studenten uit. Aan de UGent schommelt hun aandeel tussen 18 en 28 procent, en rond een kwart van alle inschrijvingen in de masteropleiding.
Alleen de Universiteit Utrecht biedt in Nederland de opleiding Diergeneeskunde aan en voor het academiejaar 2017-2018 mogen zich maximaal 225 studenten inschrijven. Een tweede mogelijke verklaring voor de interesse van onze Noorderburen is het verschil in studiefinanciering. Studeren in Vlaanderen is duidelijk goedkoper. Diergeneeskunde is evenwel een dure opleiding om te organiseren zodat de universiteiten met uitdagingen worden geconfronteerd. De problemen zijn van die aard dat politici uit de drie meerderheidspartijen de aandacht van de Vlaamse regering er op willen vestigen.
Initiatiefnemer Jos De Meyer (CD&V) schreef samen met Koen Daniëls (N-VA), Ann Brusseel (Open Vld) en drie andere parlementsleden uit de meerderheid een resolutie om een al langer aanslepend euvel hoog op de regeringsagenda te plaatsen. Het probleem is niet alleen de grote instroom, deels vanuit Nederland, maar ook de lage slaagkansen voor wie de opleiding start en de slechte vooruitzichten op de arbeidsmarkt. Minder dan de helft van de startende studenten behaalt ook effectief het (master)diploma. In de bacheloropleiding is de drop-out na één jaar relatief lag, maar loopt het na drie jaar op tot 50 procent van de ingeschreven studenten. Ook het studierendement van generatiestudenten ligt beduidend lager dan in enigszins vergelijkbare opleidingen.
Een aantal maatregelen die daaraan kunnen tegemoetkomen, zijn recent ingevoerd of in volle ontwikkeling. In de resolutie wordt verwezen naar het ‘Damesakkoord’ tussen Vlaanderen en Nederland over het effect in Vlaanderen van instroombeperkingen voor bepaalde opleidingen in Nederland. Het plan is al langer opgevat om in het hoger onderwijs niet-bindende toelatingsproeven in te voeren. Na het middelbaar moet de Columbus-oriënteringsproef jongeren reeds toelaten om een goede keuze te maken. Studenten in spe moeten ook beter zicht krijgen op de perspectieven op de arbeidsmarkt. Vandaag is het zo dat afgestudeerden die het beroep van dierenarts effectief willen uitoefenen vaak moeten uitwijken naar het buitenland, meestal naar Frankrijk. Het hoge aantal afstuderende dierenartsen zet in eigen regio druk op de arbeidsmarkt waardoor ook andere problemen de kop opsteken, zoals onderlinge concurrentie, schijnzelfstandigheid en een moeilijke prijszetting.
Voor de opleiding diergeneeskunde is er naar verluidt nood aan een meer specifieke aanpak. Daarom vragen de Vlaamse parlementsleden Jos De Meyer, Koen Daniëls en An Brusseel de Vlaamse regering om de problematiek in kaart te brengen, verschillende financieringsscenario’s voor de opleiding onder de loep te nemen en te kijken naar mogelijke maatregelen voor de grote instroom en uitval van studenten. Ze willen ook dat de al voorziene verplichte maar niet-bindende toelatingsproeven prioritair worden ingezet voor de opleidingen diergeneeskunde.
Van een vergelijkend toelatingsexamen naar Waals voorbeeld of het fors optrekken van het studiegeld spreken ze niet. Integendeel, ze willen “voorbarige en ongewenste maatregelen” net vermijden maar tegelijk de aanpak van het probleem niet langer uitstellen. De resultaten van de niet-bindende toelatingsproeven en het gevraagde onderzoek moeten de uitgangspunten vormen voor verdere beleidskeuzes. Belangrijk daarbij is het evenwicht tussen democratisering, toegankelijkheid en internationalisering van onderwijs enerzijds en anderzijds de betaalbaarheid voor de student, diens slaagkansen én tewerkstellingsmogelijkheden binnen het studiegebied diergeneeskunde. Ook de financiering van de opleiding en de kwaliteitszorg blijven cruciaal.
De resolutie die eind mei geagendeerd staat in de commissie Onderwijs van het Vlaams Parlement is een antwoord op de bekommernissen die al meermaals vanuit het werkveld zijn gesignaleerd. In een gezamenlijke nota van de dierenartsenverenigingen en de universiteiten van Gent en Antwerpen uit 2014 werd gepleit voor het beperken van de instroom aan studenten. Op enkele Zuid-Europese landen na is België het enige land waar zo’n beperking nog niet bestaat voor eerstejaarsstudenten diergeneeskunde. Ook is het inschrijvingsgeld zeer laag in vergelijking met andere landen.
Professor Sarne De Vliegher van de faculteit Diergeneeskunde aan de UGent schreef vorig jaar in een vrije tribune dat hij geen voorstander is van een traditioneel toelatingsexamen omdat het geen rekening houdt met de aanleg van iemand om het later als praktijkdierenarts te maken, én vol te houden. Hij stelde voor om in overleg te bepalen hoeveel dierenartsen nodig zijn op de arbeidsmarkt. De selectie kan volgens De Vliegher gebeuren op basis van academische en andere (aanleg, motivatie, …) competenties. (Vilt)

Werken Burchtstraat in Kruibeke niet voor deze zomer

De rioleringswerken aan de Burchtstraat worden uitgesteld tot september, bij gebrek aan een aannemer die de klus wilde klaren.
Vlaams rioolbeheerder Aquafin hoopt in september te starten met de rioleringswerken aan de Burchtstraat – N419. Dat laat Vlaams minister van Omgeving Joke Schauvliege (CD&V) in een schriftelijk antwoord weten aan federaal volksvertegenwoordiger Jos De Meyer (CD&V).
De aanvang van de ingrijpende werkzaamheden was oorspronkelijk gepland voor begin april, maar werd toen voor onbepaalde duur uitgesteld doordat het Vlaams Gewest geen aannemer vond om de werken uit te voeren. “Na afronding van de nieuwe aanbestedingsprocedure streeft Aquafin ernaar om in september 2017 te starten met de werken”, aldus minister Schauvliege.
Tijdens de rioleringswerken zal de N419 onderbroken worden en zal het verkeer omgeleid worden. Ook daar zijn nog voorbereidende werkzaamheden voor nodig. (Gazet van Antwerpen, mgb)

Meer dan 1 miljoen euro voor renovatie molen en gemeentehuis Hamme!

Vlaams minister-president en minister van Onroerend Erfgoed Geert Bourgeois (N-VA) trekt 585.000 euro uit voor de restauratiewerken aan de historische windmolen De Grote Napoleon langs het Posthoornplein. Tegelijk verleent Bourgeois nog eens 484.000 euro aan subsidies voor de renovatie van de gevels en het dak van het Hamse gemeentehuis op de Markt. Dat kwam Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer (CD&V) aan de weet met zijn vraag naar de stand van zaken voor de lopende restauratiedossiers van waardevolle gebouwen in het arrondissement Dendermonde. Vorig jaar vierden eigenaars Bert Mariman en Sabine Vanluchene de 200ste verjaardag van hun windmolen, die ze in 2000 hebben gekocht om er een toeristisch centrum met bakkerijmuseum, ambachtelijke bakkerij, ambachtelijke mosterdproductie, tearoom en feestzaal in te richten. De familie Mariman voerde al een aantal noodzakelijke restauratiewerken uit, maar dankzij de Vlaamse subsidies kan De Grote Napoleon nu helemaal gerenoveerd worden. (Het Nieuwsblad, jvdv)

Nieuwe veerboot tussen Lillo en Liefkenshoek!

Er komt een nieuwe multifunctionele veerboot voor het traject Lillo – Liefkenshoek. Minister van Mobiliteit Ben Weyts (N-VA) heeft dit laten weten op een schriftelijke vraag van Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer (CD&V).
“Momenteel zit de nieuwe multifunctionele veerboot nog in een studiefase”, zegt minister Ben Weyts. “De aanbesteding is nog niet gepland en zal pas worden gepubliceerd in functie van de nog te nemen opties voor deze veerboot. We verwachten de nieuwe boot begin 2019 te kunnen inzetten.”
In het investeringsprogramma van de dienst Vloot is alvast 4,3 miljoen euro begroot. In een eerste fase moet eerst een nieuwe steiger gebouwd worden ter hoogte van Fort Liefkenshoek.
“Er wordt echter ook gedacht om deze veerboot een extra traject te laten varen naar een eveneens nieuw te bouwen steiger ter hoogte van de Ketenislaan”, zegt minister Ben Weyts. “Dit kadert in de komst van de waterbus. Het onderzoek naar de haalbaarheid van dit plan is echter nog lopende”, besluit minister van Mobiliteit Ben Weyts. (Het Laatste Nieuws, PKM;foto: Kristof Pieters)

2 miljoen euro subsidies voor erfgoed in het Waasland!

De Vlaamse overheid heeft in 2016 en voor 2017 precies 2.079.079,21 euro subsidies uitgereikt voor onroerend erfgoed in het arrondissement Sint-Niklaas. Dat antwoordde minister-president Geert Bourgeois (N-VA) op vraag van Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer (CD&V) uit Sint-Niklaas. Dit jaar zijn er al twee restauratiepremies toegekend, 1 miljoen euro voor de restauratie van Huis Janssens en 110.000 euro voor de restauratie van de westgevel van het gemeentehuis van Temse.
Ook in 2017 gaat er 85.000 euro naar het Onroerenderfgoeddepot Waasland.
Op de wachtlijst voor restauratiepremies en erfgoedpremies staan nog 7 restauratiedossiers, voor een totaalbedrag van 3.024.697,28 euro. Dat zijn restauratiedossiers voor de Heilig Kruiskerk van Vrasene, de pastorij van Melsele, het schaliënhuis en klooster in Kruibeke en de kerken van Eksaarde, Belsele, Sinaai en Stekene. (Het Laatste Nieuws, JVS)

Nieuwe appel kan niet terstond VLIF-subsidiabel zijn

Wanneer appels aan 1 euro per kilo aangeboden worden aan de consument houden producent en handel daar bijzonder weinig van over. Bovendien verliest de Jonagold-appel zelfs aan die prijs kopers aan de dubbel zo dure importappel Pink Lady. In plaats van te blijven aanzien dat Belgische fruittelers zich afkeren van onrendabele appelteelt, heeft winkelketen Colruyt een aantal onder hen overtuigd om twee nieuwe en door de consument uitverkoren appelsoorten in exclusiviteit te telen. Een fruitteler die mee de uitdaging aangaat, noemde het jammer dat zij geen investeringssteun krijgen voor de aanplanting. Vlaams parlementslid Jos De Meyer (CD&V) liet minister Joke Schauvliege uitklaren hoe dat komt.
Samen met drie fruittelers gaat Colruyt twee nieuwe appelsoorten in de markt zetten: Magic Star en Coryphée. De grootwarenhuisketen kocht van de veredelaars van beide rassen het recht om de appels in exclusiviteit te laten telen en in de eigen winkels op de markt te brengen. Aan de basis ligt de vaststelling dat de Jonagold-appel producent en handel weinig meerwaarde meer biedt terwijl de consument zich almaar vaker laat verleiden door (veel duurdere) importappels en clubrassen.
Na een opeenvolging van financiële tegenslagen (o.a. Rusland-boycot, juni-2016-storm) is het niet vanzelfsprekend om als fruitteler zwaar te investeren in een nieuwe aanplanting met een onbekend appelras, bovendien volledig overkapt met hagelnetten om de continuïteit in de productie te garanderen. Eén van de fruittelers die de stap durft zetten, verklaarde aan VILT dat het jammer is dat zij als pioniers investeringssteun op de aanplanting mislopen. Voor de hagelnetten krijgen ze die wel, maar de beide nieuwe appelrassen staan bij het Vlaams landbouwinvesteringsfonds (VLIF) nog niet te boek als subsidiabel.
Volksvertegenwoordiger Jos De Meyer verifieerde dat bij minister Joke Schauvliege, en informeerde zich over de procedure om nieuwe rassen aan de lijst toe te voegen. “De veredelaar van Coryphée deed nog geen aanvraag en kan dus niet opgenomen zijn op de VLIF-lijst van fruitrassen die in aanmerking komen voor 30 procent steun. Voor Magic Star is er wel een dossier in behandeling en is de beoordeling opgestart”, geeft de minister een stand van zaken. Periodiek gebeuren aanpassingen aan de VLIF-lijst, via een besluit van de Vlaamse regering. Dat neemt wat tijd in beslag gelet op de procedure (o.a. advies Raad van State) die daaraan vooraf gaat. Bovendien moet een nieuw ras vooraf geëvalueerd worden door een expertgroep uit de fruitsector.
Met één van de commerciële criteria die afgetoetst wordt bij opname van een nieuwe appel op de VLIF-rassenlijst, namelijk het engagement van een erkende telersvereniging, heeft parlementslid Jelle Engelbosch (N-VA) moeite. “Er zijn vandaag fruittelers die op zichzelf groot genoeg zijn om een nieuw product commercieel te ontwikkelen. Waarom moet het via telersverenigingen gebeuren”, wil hij weten. Volgens minister Joke Schauvliege zorgt dit voor een groot bereik aan telerszijde en een voldoende grote afzet. “De fruitsector heeft in het verleden al bewezen dat het een goede manier van werken is.”
De pioniers die innoveren op een manier die (nog) niet af te toetsen is aan een lijst met subsidiabele investeringen blijven in Vlaanderen niet in de kou staan. Zij kunnen projectsteun aanvragen voor de innovatie, buiten de reguliere procedure van het VLIF om. Die ligt zelfs hoger, namelijk op 40 procent van de subsidieerbare projectkosten. De voorwaarden zijn anders, net om er voor te zorgen dat ‘echte’ innovaties niet van steun verstoken blijven. Schauvliege verwijst in haar antwoord naar de tweede projectoproep waarvoor 7,7 miljoen euro beschikbaar is, dubbel zoveel als bij de vorige subsidieronde. Mocht er projectsteun gevraagd worden voor de door Colruyt in gang gezette vernieuwing in de appelteelt, dan zal dit afgetoetst worden aan de criteria, bijvoorbeeld de mate van innovatie. (Vilt)

Crevits wil aparte toelatingsproeven voor artsen en tandartsen

Het federale akkoord over de artsenquota zal nog geen impact hebben op het academiejaar 2017-2018. De nieuwe regeling start pas in 2018. Dan wil Vlaanderen ook starten met een gewijzigde toelatingsproef. En als het van Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits afhangt, komt er daarbij een opsplitsing tussen de proeven voor artsen en tandartsen. Dat heeft de CD&V-minister donderdag in het Vlaams Parlement geantwoord op vragen van Koen Daniëls (N-VA) en Jos De Meyer (CD&V).
Eind april kwam er een doorbraak in het aanslepende dossier van de artsenquota. De federale regering keurde toen een nieuwe regeling goed over het aantal artsen dat er jaarlijks mag bijkomen.
Het probleem is gekend. Door het ontbreken van een toelatingsproef voor de opleiding geneeskunde aan Franstalige kant is er daar een overschot aan artsen ontstaan. Dat terwijl er aan Vlaamse kant al langer gewerkt wordt met een instroombeperking via een toelatingsexamen. Er is nu een akkoord waarbij er aan Franstalige kant ook een toelatingsproef komt en waarbij het overtal aan Franstalige kant geleidelijk wordt afgebouwd. Aan Vlaamse kant is er dan weer ruimte voor 1.040 bijkomende artsen.
Volgens minister van Onderwijs Hilde Crevits zal het akkoord nog geen effect hebben op het academiejaar 2017-2018. Voor jongeren die het komende academiejaar starten verandert er dus weinig. Zoals elk jaar komt er een toelatingsproef in de zomer. “Het Vlaamse contingent voor 2023 is vastgelegd op 838 artsen en we zullen deze zomer ons toelatingsexamens organiseren om die instroom daarop af te stemmen”, aldus minister Crevits.
Aan Vlaamse kant is er al langer sprake van een aanpassing van het toelatingsexamen. Door het quota-akkoord is 2018 volgens minister Crevits een ideaal moment om te starten met een examen dat zowel vormelijk als inhoudelijk wordt aangepast. Hoe het toekomstige examen er precies moet uitzien, is nog onderwerp van discussie, maar minister Crevits wil alvast een opsplitsing tussen het examen voor toekomstige artsen en toekomstige tandartsen.
“Nu wordt het toelatingsexamen georganiseerd en kiest men pas daarna voor arts of tandarts. Dat heeft tot gevolg dat veel jongeren kiezen voor arts en niet voor tandarts. De instroom voor tandartsen is te laag”, aldus Crevits. (Belga)

Een-derde-regeling vrije uitloop gemengd onthaald

“Op die manier kan de pluimveehouder ook tegemoetkomen aan het dierenwelzijn door de dieren binnen te houden bij extreme weersomstandigheden zoals regen, storm en extreme koude, en in het geval van ophokplicht kan het pluimvee worden binnengehouden zonder verlies van status als vrije uitloopkip”, zo resumeert De Meyer.

De landbouwcommissie van het Vlaams Parlement is niet onverdeeld enthousiast over het zogenaamde een-derde-voorstel voor vrije uitloop dat de sectorgroep Pluimvee van Boerenbond lanceerde. Volgens die regeling zouden leghennen minstens een derde van hun leven toegang moeten hebben tot vrije uitloop om hun erkenning als leghen met vrije uitloop te behouden. Minister Joke Schauvliege liet weten dat EU-commissaris Phil Hogan onderzoekt of de regeling kan worden bijgestuurd. Vanuit N-VA-hoek is dan weer te horen dat de versoepeling het principe van een vrije uitloopkip uitholt.
In de landbouwcommissie van het Vlaams Parlement wilde parlementslid Jos De Meyer (CD&V) van minister Joke Schauvliege weten wat ze van de Boerenbond-suggestie vindt om een één-derde-regeling in te voeren voor vrije uitloopkippen. Volgens die regeling moeten leghennen minstens een derde van hun leven toegang hebben tot een vrije uitloop. “Op die manier kan de pluimveehouder ook tegemoetkomen aan het dierenwelzijn door de dieren binnen te houden bij extreme weersomstandigheden zoals regen, storm en extreme koude, en in het geval van ophokplicht kan het pluimvee worden binnengehouden zonder verlies van status als vrije uitloopkip”, zo resumeert De Meyer.
“We hebben dit probleem aangekaart bij Europa waarop de Europese Commissie zei geen mogelijkheden te zien om de geldende regels voor vrije-uitloopeieren op korte termijn te wijzigen”, zo tempert minister Schauvliege meteen de verwachtingen. “Samen met onze Nederlandse collega’s hebben we aangedrongen en Hogan ertoe kunnen bewegen om een opening te laten om te onderzoeken of er in de toekomst eventueel kan worden bijgestuurd. Het is immers niet denkbeeldig dat ook de volgende winters nog vogelgriep zal worden vastgesteld. De suggesties die vanuit onze Vlaamse leghennensector werden geformuleerd, moeten in dat kader worden bekeken.”
De minister gaf ook aan nog geen zicht te hebben op de economische schade die de vogelgriep op de leghennenbedrijven heeft veroorzaakt. “Daarvoor moeten bedrijfstechnische en boekhoudkundige gegevens van de individuele bedrijven worden samengebracht”, aldus Schauvliege. “Dat is niet evident, want de eierprijs is vaak strikt vertrouwelijk en contractueel overeengekomen tussen de producent en de afnemer van de eieren. Ik vernam bijvoorbeeld dat er afnemers zijn die de toeslag voor vrije uitloop gewoon zijn blijven doorbetalen tijdens de ophokplicht. Ik heb er geen zicht op hoe ruim dat is gebeurd, maar er zijn dus wel een aantal initiatieven in die richting geweest. Die solidariteit is een zeer positief signaal.”
Verder geeft de minister ook aan dat er binnen het Europese landbouwbeleid een mogelijkheid bestaat om een economisch schadedossier in te dienen waardoor de Commissie onder bepaalde voorwaarden crisissteun zou kunnen vrijmaken die dan door de lidstaten mee kan worden gefinancierd. “Vandaag is er echter nog geen enkele aanvraag in die zin en is dit niet aan de orde”, aldus Schauvliege.
Vanuit N-VA-hoek was het Jelle Engelbosch die kritiek formuleerde op het één-derde-voorstel: “Wij zijn absoluut geen voorstander van de versoepeling die wordt voorgesteld door de sector. Die versoepeling holt het principe van een vrije-uitloopkip uit. Ze zou dan eigenlijk twee derde van haar leven mogen worden opgesloten. Er is het argument van de slechte weersomstandigheden, bovenop de vogelgriep, maar dat duurt nooit 12 weken aan een stuk.” (Vilt)

Duurt nog even voor KMI oordeel velt over nachtvorst

Van de catastrofe die zich tijdens de nacht van 19 op 20 april voltrokken heeft in fruitplantages maar ook bij boomkwekers en wijnbouwers zijn de Vlaamse parlementsleden in de commissie Landbouw zich zeer goed bewust. Jelle Engelbosch, Jos De Meyer, Els Robeyns, … allemaal wilden ze weten of het KMI al uitgemaakt heeft of de late doch forse opstoot van lentenachtvorst een uitzonderlijk weersfenomeen is. “De mensen uit de sector kijken met nog veel meer belangstelling uit naar het antwoord”, voegde De Meyer er aan toe. Voorlopig zit er niets anders op dan geduld uitoefenen want het KMI is volgens minister Joke Schauvliege nog volop bezig met de analyse.
In de nacht van 19 op 20 april daalde de temperatuur tot zes graden onder nul in de Haspengouwse fruitstreek, wat een ramp was voor de ontluikende bloesems op appelbomen en ook de perelaars grote schade toebracht. “Voor de fruittelers is dit de zoveelste klap na het Russische embargo en de junistorm van vorig jaar. Dit lijkt voor velen van hen de druppel te veel”, maakt Vlaams parlementslid Jelle Engelbosch (N-VA) zich zorgen. Hij zit gebrand op de analyse van het KMI die moet uitmaken of de lentenachtvorst een uitzonderlijk weersfenomeen is. En hij koppelt er al meteen de vraag aan vast hoeveel geld precies beschikbaar is in het Landbouwrampenfonds.
Collega Jos De Meyer van CD&V voegt daaraan toe de schade algemener is en behalve Haspengouw en het Hageland ook het Waasland, de Antwerpse Kempen, het Pajottenland en de Westhoek trof. “ “En niet alleen de fruittelers maar ook de boomkwekers zijn het slachtoffer.” Net als Engelbosch wil hij van minister Joke Schauvliege weten of zij andere steunregelingen kan aanspreken indien de nachtvorst niet erkend kan worden als landbouwramp. Els Robeyns (sp.a) voegt er voor de volledigheid nog aan toe dat ook de wijnbouwers getroffen zijn. Verder zit zij met dezelfde vragen als haar collega’s.
De vraag of het om een uitzonderlijk weersfenomeen dat niet vaker dan eens om de 20 jaar voorkomt, is door Vlaams minister van Landbouw Joke Schauvliege meteen aan het KMI gesteld. “De analyse is bezig en we moeten wachten wat het KMI daarover zal rapporteren. Hun richtdatum is 19 mei”, geeft Schauvliege mee. De tweede voorwaarde voor een erkenning als landbouwramp is dat de totale schade hoger moet liggen dan 1,24 miljoen euro, met een gemiddelde per schadedossier van minstens 5.580 euro. Over de financiering van het Landbouwrampenfonds zegt ze dat er geput wordt uit het algemeen Vlaams Fonds voor Lastendelging, net zoals voor het algemene rampenfonds. De (on)beschikbaarheid van centen is met andere woorden niet op voorhand het probleem.
Om op gemeentelijk niveau de schadecommissies al samen te roepen, is het nog te vroeg. Eerst moet het antwoord van het KMI gekend zijn. Vooruitlopen op de vraag ‘wat als het landbouwrampenfonds niet tussenkomst’, doet de minister liever niet. Sowieso staat het je dan als overheid niet volledig vrij om de getroffen telers alsnog financieel te compenseren. “We moeten altijd strikt binnen het uitgetekende kader van de Europese staatssteunregels blijven. Het plan B is dat we in Europa naar bondgenoten zoeken om langs die weg de sector te ondersteunen.”
Minister Schauvliege gaat aan het KMI nog eens uitdrukkelijk meegeven dat de situatie over een langere periode bekeken moet worden. Ze doet na volgende opmerking van Herman De Croo (Open Vld): “De oorzaak van de schade ligt niet zozeer bij de vorst, maar bij het uitzonderlijk goede weer zo vroeg op het seizoen. Dat heeft de bloem- en fruitzetting met een drietal weken vervroegd. De combinatie van de twee elementen lijkt mij belangrijk.” (Vilt)

Basisonderwijs in de toekomst!

Zoals in het regeringsakkoord afgesproken, moeten we op termijn het grote verschil in werkingsmiddelen tussen kleuteronderwijs en lager onderwijs wegwerken. Bij die bespreking in de commissie kwam ook mijn vraag aan bod over de masters in het basisonderwijs.

Deze vragen om uitleggen betroffen een veel ruimer onderwijsbeleidsdossier, met drie vragenstellers. Onderwijscommissaris Caroline Gennez vertrok van het recente Vlor-advies ter zake, waarvan ze een ganse serie elementen overliep en er zich akkoord mee verklaarde. Eerder was er ook al een zgn. strategische Vlor-verkenning gepubliceerd (september 2015) en de Vlor plant najaar 2017 een interessant evenement ter zake. Toen het ging over een mogelijke masteropleiding basisonderwijs vergat vragensteller Gennez in eerste instantie even dat niet alleen onderwijsvakbond COV maar ook Katholiek Onderwijs Vlaanderen het vermelde voorstel had geschreven, maar dat zette zij nadien publiekelijk en e-mailsgewijs op een heel fijne manier meer dan recht. Ondanks mijn leeftijd maakte de geste me haast verlegen. Schreef ik onlangs niet in deze nieuwsbrief dat politiek soms ook gewoon mooi kon zijn? Gennezs vragen waren talrijk, concreet en belangrijk.
Onderwijscommissaris Jos De Meyer zoomde in zijn vraag in op het aspect “masters in het basisonderwijs” en gaf traditiegetrouw meteen ook wat historische duiding. Hoe zag de minister zo’n masteropleiding, een mogelijke timing voor de organisatie ervan en welke mogelijkheden zag ze om mensen met zo’n diploma in te zetten in het basisonderwijs?
Onderwijscommissaris Kathleen Krekels ten slotte vermeldde in haar intro de stokpaardjes van haar fractie, i.c. de splitsing van het leergebied wereldoriëntatie in wetenschap en techniek enerzijds, mens en maatschappij anderzijds en de stelling dat die vakken, net als muzische vorming en Frans, door vakspecialisten zouden kunnen worden gegeven. Ze vroeg algemeen naar welke maatregelen de minister nog in petto had ter versterking van het basisonderwijs en vermeldde daarbij specifiek de ondersteuning van de directeur in het basisonderwijs en de budgettaire impact van een en ander.
Minister Crevits antwoordde dat zij het vermelde Vlor-advies, met de allanger gekende grote thema’s, en de eerdere Vlor-basisnota zou gebruiken voor haar actieplan basisonderwijs. Maar daarvoor vroeg ze nog wat geduld. Inhoudelijk kwamen er volgens haar alvast drie zaken steeds terug: (i) de kloof in werkingsmiddelen tussen het kleuteronderwijs en het lager onderwijs , (ii) de kinderverzorging in het kleuteronderwijs en (iii) de masters in het basisonderwijs. Wat dat laatste betrof, was het idee haar genegen, maar over het gezamenlijke voorstel van Katholiek Onderwijs Vlaanderen en het COV had ze nog wel bepaalde vragen en bezorgdheden, die ze heel concreet wilde bespreken.
In haar repliek verwees Gennez o.a. naar het belang van een sterk beleidsvoerend vermogen voor de versterking van het basisonderwijs, waarover haar collega Vandenberghe een resolutie zou indienen, en gaf uiteraard haar volle steun aan de minister om bij de eerstvolgende begrotingsbesprekingen het nodige extra budget aan diens coalitiepartners te vragen en te krijgen.
De Meyer was het volkomen eens met de drie prioriteiten van de minister, zonder de rest van het Vlor-advies te vergeten, en verwees i.v.m. de werkingsmiddelen voor het kleuteronderwijs naar het regeerakkoord (p.132).
Krekels sloot zich daarbij aan en vermeldde nog expliciet de extra benodigde omkadering voor de leidinggevende functies, zeker in het basisonderwijs, wat De Meyer in zijn slotwoord ook bijtrad. Krekels maakte inzake financiering al een eerste denkoefening, waarbij ze een eventuele verschuiving in de huidige budgetten als vraag naar voor schoof.
Interveniënten Koen Daniëls en Ann Brusseel wilden beiden dat het onderzoek naar kleinere leerlingengroepen uit het Vlor-advies zou worden meegenomen. Daniëls betrok de zgn. educatieve masters (uit het hangende decretale werk inzake lerarenopleidingen) bij het thema van de masters basisonderwijs, waarbij minister Crevits heel terecht en heel accuraat het verschil uitlegde tussen de twee. Brusseel benadrukte de permanente en blijvende professionalisering van leraren en het belang van een goede directeursopleiding. Voorzitter Kathleen Helsen sloot zich bij dat idee van een levenslanglerencultuur aan. Terecht, maar soms maak ik bij mezelf weleens deze bedenking: in welke mate zouden parlementsleden, die blijkbaar meer sturend op dat vlak willen optreden t.a.v. anderen, zelf participeren aan welke permanente professionalisering dan ook? Maar dat terzijde… Helsen verwees nog, ook terecht, naar de ondersteuning door CLB en pedagogische begeleidingsdiensten, naar schoolleiderschap met de opleiding en de opdracht van de directeur basisonderwijs, en naar het innovatieproject inzake schoolorganisatie van Flanders Synergy.
Lees de bespreking van de “Vraag om uitleg over het advies van de Vlaamse Onderwijsraad (Vlor) betreffende het basisonderwijs van Caroline Gennez, over masters in het basisonderwijs van Jos De Meyer en over het basisonderwijs in de toekomst van Kathleen Krekels” aan Minister Hilde Crevits: https://www.vlaamsparlement.be/commissies/commissievergaderingen/1118976/verslag/1130785
(Nieuwsbrief Katholiek Onderwijs Vlaanderen, Wilfried Van Rompaey)

Eerste buurderij in Sint-Niklaas

Vorige week opening van de eerste buurderij in Sint-Niklaas. Knap initiatief!
Rechtstreeks kopen bij de producent van lekkere en gezonde producten aan faire prijzen!
__________

“Een buurderij kan de boerderij tot in de stad brengen”

Ilse Beirens, studente Agro- en biotechnologie optie Agro-industrie (voeding) van de Odisee hogeschool, voerde in de aanloop naar de opening van een buurderij in Sint-Niklaas een marktstudie uit waarin ze het aanbod van landbouwers en de wensen van de consumenten in het Waasland en Vlaanderen in kaart bracht. Ze verspreidde daarvoor een digitale enquête, die ingevuld werd door ruim 600 consumenten. In de enquête werd onder meer gepeild naar het aankoopgedrag voor voeding algemeen en de korte keten specifiek: welke producten zijn het meest gevraagd?, hoe ver wil de consument ervoor rijden?, en wat zijn de drempels voor aankoop via de korte keten?
“Uit de antwoorden blijkt dat consumenten in het Waasland en Vlaanderen wel degelijk geïnteresseerd zijn in hoeveproducten, omdat ze vers, smaak- en kwaliteitsvol zijn, de boer er een eerlijke prijs voor krijgt en het verhaal erachter hen interesseert”, legt Beirens uit. “Alleen zijn er nog een aantal knelpunten: (o.a.) gebrek aan tijd om de producten op te halen, gebrek aan kennis van verkooppunten, feit dat ze niet verkocht worden in de gewone supermarkt en feit dat het assortiment per verkooppunt beperkt is. Liefst willen consumenten immers maar 5 tot 10 km rijden om hun producten te verzamelen, en liefst doen ze aankopen in de supermarkt, buurtwinkel of op een plaats waar ze regelmatig komen.”
Nog in dezelfde studie werd ook het aanbod van hoeveproducten in het Waasland onderzocht, aan de hand van de online databanken Recht van bij de Boer en Lekker Oost-Vlaams. Dat aanbod blijkt vrij ruim te zijn. Zo zijn er 13 fruitbedrijven, 13 groentebedrijven, 12 bedrijven met aardappelen en een aantal vleesproducenten en zuivelverwerkers. Bovendien zijn vraag en aanbod redelijk goed in balans: de meest gevraagde producten zijn fruit, groenten en aardappelen en daarvan zijn er in het Waasland ook de meeste leveranciers. De prijs van aardappelen via de korte keten is daarenboven gemiddeld lager dan in de supermarkt en de prijzen van vlees, groenten, fruit en basiszuivel zijn ongeveer gelijk. De prijs van bereide zuivelproducten zoals ijs en kaas is iets hoger, vergelijkbaar met die van de speciaalzaak.
Tot slot blijkt uit het onderzoek dat consumenten vooral in contact komen met de korte keten via mond-aan-mond reclame. “Het belang daarvan mag dan ook niet onderschat worden”, besluit Beirens. Ze voerde haar onderzoek uit in samenwerking met het Steunpunt Hoeveproducten, dat nog in het Waasland betrokken is bij een Leaderproject rond introductie van hoeveproducten in de plaatselijke supermarkt, buurtwinkel, enzovoort.
“Veel consumenten zijn geïnteresseerd in producten recht van bij de boer. Alleen is de drempel om effectief naar de boerderij te gaan vaak groot, omwille van tijd, afstand, enzovoort. Initiatieven zoals buurderijen kunnen naast verkoop via courante winkels een oplossing bieden”, stelt Ann Detelder van het Steunpunt. “En een bijkomend voordeel van een buurderij is dat de consument net als op de boerderij zelf, de kans krijgt om een babbeltje te maken met de producent. In feite brengt een buurderij de boerderij tot in de stad”, besluit Detelder.
Dat er vraag is naar een initiatief zoals Boeren & Buren in het Waasland, zowel aan consumenten- als aan producentenzijde, wordt bevestigd door de grote opkomst tijdens de opening van de buurderij in Sint-Niklaas, waar de resultaten van het onderzoek werden voorgesteld. Buurderijverantwoordelijke Hilde Lambers zegt dat ze niet lang heeft moeten zoeken naar landbouwers die mee in het buurderijverhaal wilden stappen. Ook de locatie bood zich vrijwel spontaan aan, want Vormingplus Waas-en-Dender was net op zoek naar een geïnteresseerde om een buurderij te openen.
In Vlaanderen zijn momenteel bijna 30 buurderijen geopend. En het aantal stijgt voortdurend. (Vilt)