Weldra hebben alle Vlaamse slachthuizen een ‘black box’

Twaalf varkensslachthuizen en evenveel runderslachthuizen hebben een afgeschermd registratiesysteem voor het meten van de karkasgewichten. Minister Joke Schauvliege laat aan volksvertegenwoordiger Peter Wouters (N-VA) weten dat er nog twee andere runderslachthuizen zijn waar de zogenaamde ‘black box’ binnenkort ingang vindt. Eén varkensslachthuis was hardleers en kreeg meerdere processen-verbaal en een geldboete alvorens het zich in orde stelde. Tegen de twee runderslachthuizen wordt niet opgetreden, kreeg Jos De Meyer (CD&V) te horen na een mondelinge vraag over hetzelfde onderwerp, omdat zij zich schikken naar de verplichting en reeds de nodige afspraken maakten met constructeurs.

In het transparantie-akkoord dat de slachthuizen via hun sectorfederatie FEBEV sloten met de landbouworganisaties beloven de Waalse leden dat ze voor de karkasweging een afgeschermd registratiesysteem zullen invoeren. In Vlaanderen is de ‘black box’ wettelijk verplicht voor slachthuizen sedert 2016. Niet alle slachthuizen stelden zich meteen in regel zodat zowel Peter Wouters (N-VA) als Jos De Meyer (CD&V) in de landbouwcommissie van het Vlaams Parlement informeerden naar de stand van zaken.
Blijkt dat een hardleers varkensslachthuis na enkele processen-verbaal en een bestuurlijke geldboete de black box eindelijk invoerde. Alleen twee runderslachthuizen moeten de stap nu nog zetten. “Daar is een reden voor”, verduidelijkt minister Joke Schauvliege. “Het ene is een klein slachthuis dat net boven de limiet zit van het aantal slachtingen per jaar vanaf wanneer je aan de verplichting moet voldoen. Het andere slachthuis is nieuw en pas vorig jaar opgestart en moet nog aanpassingen doen. Beiden hebben een verklaring, maar zijn wel in overtreding en werden dus officieel aangemaand. Intussen is men vergevorderd om dat in orde te brengen en zal de black box er snel komen. Verder uitstel zullen we zeker niet tolereren.”
Vertrouwen is goed, maar controle is af en toe ook nodig zodat minister Schauvliege in 2015 het initiatief nam om de wegingen die slachthuizen uitvoeren te laten registeren in een afgeschermd IT-systeem, de zogenaamde black box. Een juist karkasgewicht is nodig voor een correcte uitbetaling van veehouders. Ieder slachthuis wordt periodiek gecontroleerd. Ook het werk van de erkende classificeerders aan de slachtlijn wordt door de overheid geëvalueerd. (Vilt, beeld: Sopraco)

Behoedzaam omgaan met asbestverwijdering op scholen

Na de inventarisstudie in 2017 door OVAM (de Openbare Vlaamse afvalstoffenmaatschappij) zijn verschillende scholen gestart met asbestverwijdering. De studie was voorlopig beperkt tot 300 scholen, maar het is de bedoeling om er een ruimer vervolg aan te geven. Dat blijkt uit het antwoord dat Vlaams parlementslid Jos De Meyer kreeg op zijn vraag daarover aan minister Crevits van Onderwijs.

De minister antwoordde:

“Mijn onderwijsadministratie geeft aan dat de algemene regelgeving inzake de asbestproblematiek de volgende voorzorgsmaatregelen voorschrijft waaraan de school, de personeelsleden en firma’s zich moeten houden:
• Beschikken over een asbestinventaris en, als er asbest aanwezig is, een beheersplan (laten) opstellen.
• Het beheersprogramma geeft duidelijk aan wat er met het asbesthoudend materiaal gaat gebeuren (onberoerd laten, inkapselen, afschermen, verwijderen op termijn, e.a.) en hoe de blootstelling van werknemers zo laag mogelijk zal gehouden worden. Dit geldt zowel voor de eigen werknemers als voor de werknemers van derden.
• Werken aan asbest moeten gepaard gaan met hoge beschermingsmaatregelen en met de nodige voorlichting. De uitvoering moet gebeuren volgens de procedures voorzien in boek VI, titel 3 van de codex over Welzijn op het werk.

Bij elk werk met een mogelijk risico op asbestblootstelling moet de school een kopie van de asbestinventaris overhandigen aan de aannemer en de werken melden aan de arbeidsinspectie en aan de arbeidsgeneesheer.
Bij het verwijderen van asbesthoudende toepassingen moet de school een beroep doen op een onderneming die door de minister van Werk erkend is voor asbestverwijdering.
Volgens de huidige reglementering is er nog geen verplichting om asbest te verwijderen, tenminste zo lang er geen gevaar voor blootstelling is.
Het zijn de scholen zelf die ervoor moeten zorgen dat men de regelgeving correct navolgt.
Ingeval er toch een asbestincident zou plaatsvinden, dan kan er gehandeld worden conform de leidraad van de OVAM (Leidraad asbestbranden en Leidraad bij asbestincidenten).
De scholen zijn autonoom om zelf te bepalen op welke wijze men over de asbestverwijdering op school communiceert naar de leerkrachten, leerlingen en ouders. De OVAM kan indien gewenst bij deze communicatie ondersteuning bieden.
Op de website van OVAM vindt men veel informatie over asbest, omgaan met asbest en asbestafbouwbeleid. Ook de website van AGION, onder het luik veiligheid, geeft duiding en relevante informatie m.b.t. de wetgeving en wat men dient te doen. Bovendien vinden onderwijsinstellingen op de website van de FOD WASO informatie over het correct omgaan met asbest.
In het najaar van 2017 werd ik door de OVAM in kennis gesteld van het ontwerp-onderzoeksrapport. Er werden toen nog een aantal bijkomende opmerkingen ter verduidelijking gesteld die ondertussen ook beantwoord zijn. De definitieve onderzoeksresultaten dienen nog gevalideerd te worden. Vervolgens is het de bedoeling om dit te bespreken met de verschillende onderwijskoepels en onderwijsnetten. Het is vooral van belang om te bepalen op welke wijze er een vervolg kan komen op deze asbestinventarisatiestudie (thans beperkt tot 300 scholen) en welke vervolgstappen mogelijk zijn. Die oefening loopt nog.”
De mogelijke aanwezigheid van leerlingen en personeelsleden maakt het verwijderen van asbest op scholen niet altijd eenvoudig; het is daarom belangrijk om dat er duidelijke regels gehanteerd worden, vindt De Meyer. (foto: CD&V-nationaal)

Eerste steenlegging nieuw KLJ-lokaal Sinaai

Als gewezen nationaal leider was ik met fierheid aanwezig op de “eerste steenlegging” van het nieuwe KLJ-lokaal in Sinaai.
Proficiat aan allen die hier hun schouders onder zetten en “hun steentje bijdragen”.
Veel succes!
(foto: Ivan Elegeert)

Dringend nood aan startersplatform en loopbaanpact!

Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer ondervroeg minister Crevits opnieuw over het loopbaanpact. Hij had vragen over de timing van het loopbaanpact in het algemeen, maar ook specifiek over een zgn. pool van niet-benoemde leraars om die een jaar werkzekerheid te bieden en om de scholen te helpen vervangingen sneller te regelen. Dat element zou namelijk losstaan van het lopende onderzoek naar taakbelasting van leraren.
Minister Crevits wilde inderdaad het poolthema (of alleszins toch maatregelen met het vermelde gewenste effect) integreren in die andere lopende onderhandelingen, nl. van cao XI inzake basis- en secundair onderwijs. Het startersthema en het thema van de schooldirecteurs waren nu de prioriteiten.

Vragensteller De Meyer was opgetogen over dat antwoord, maar, zonder in hun plaats te willen of kunnen treden, moedigde hij de sociale partners en de minister toch tot voldoende ernst en daadkracht aan. Hij was het ook volledig eens met de minister, toen die in haar slotrepliek kort inging op het fel gestegen aantal vervangingen van zieke leraren die niet gebeuren bij gebrek aan vervangers, waardoor het daarvoor voorziene budget niet wordt gebruikt. Daarmee zou zo’n regionale pool van vervangers kunnen worden bekostigd.
(Wilfried Van Rompaey, uit Nieuwsbrief Katholiek Onderwijs Vlaanderen)

Betere spreiding inkomenssteun in Vlaanderen dan in EU

Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer (CD&V) informeerde bij minister Schauvliege tweemaal kort na elkaar naar de Europese inkomenssteun die landbouwers ontvangen. Het valt hem op dat de verdeling hier veel minder scheef zit dan op EU-niveau. In Vlaanderen verkrijgt de overgrote meerderheid (99,2%) van de landbouwers samen 93,4 procent van de inkomenssteun. Je hebt hier geen megagrote boerderijen die duizenden hectaren bewerken zodat het subsidieplafond van 150.000 euro op geen enkel landbouwbedrijf van toepassing is. Over de ‘actieve landbouwer’ die steun verdient, en niemand anders, werd in de landbouwcommissie een boompje opgezet.

De contouren van het Europees landbouwbeleid voor de periode na 2020 gaan dit jaar verder vorm krijgen. Naast de vraag hoeveel budget beschikbaar zal zijn voor landbouw wil iedereen ook weten hoe de inkomenssteun aan landbouwers verdeeld zal worden. Momenteel is die steun areaalgebonden, wat er op EU-niveau toe leidt dat de 20 procent grootste bedrijven 80 procent van de inkomenssteun ontvangen. Daarop komt veel kritiek, al is die niet altijd terecht volgens Vlaams landbouwminister Joke Schauvliege. “Landbouwers krijgen geen subsidies om gewoon maar te boeren. Neen, ze krijgen een compensatie voor de productierandvoorwaarden die ze moeten naleven. Hoe groter een bedrijf, hoe hoger de kost om daaraan te voldoen, en hoe groter de compenserende betaling.”
In die zin vindt de minister het rechtvaardig dat een landbouwer met een groter areaal een hogere subsidie ontvangt. Op Vlaams niveau is dat contrast tussen grote en kleine steuntrekkers overigens veel minder scherp. Hier ontvangt 99,2 procent van de landbouwers samen 93,4 procent van de steun. Dat vernam Vlaams parlementslid Jos De Meyer van minister Schauvliege. Uit de cijfers die hij opvroeg, blijkt dat quasi alle actieve landbouwers in Vlaanderen inkomenssteun aanvragen. In 2016 waren er namelijk 21.358 begunstigden. Een kleine 20.000 daarvan ontvangen op jaarbasis tussen de 250 en 30.000 euro inkomenssteun (hectare-steun plus zoogkoeien- en kalverpremie).
Er zijn slechts 49 landbouwbedrijven in Vlaanderen die ieder jaar meer dan 90.000 euro op hun rekening mogen bijschrijven. Tussen de twee uitersten zitten nog 1.226 landbouwers met een inkomenssteun op bedrijfsniveau van 30.000 tot 60.000 euro, en 122 anderen voor wie dat 60.000 à 90.000 euro van het bruto-bedrijfsinkomen uitmaakt. De verschillen zijn dus minder groot dan in Oost-Europa waar je enerzijds kleine ‘backyard farms’ hebt en anderzijds megaboerderijen die duizenden hectare landbouwgrond bewerken. Dat de kloof tussen grote en kleine begunstigden van inkomenssteun in ons land minder groot is, kan je ook afleiden uit het subsidieplafond van 150.000 euro dat op geen enkel landbouwbedrijf van toepassing is.
Of de steun in de toekomst areaalgebonden zal blijven, durft minister Schauvliege vandaag nog niet zeggen. De onderhandelingen over het nieuw gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) na 2020 moeten nog beginnen. Jos De Meyer drukt haar op het hart dat de inkomenssteun naar de ‘actieve boer’ moet gaan. De logische volgende vraag is wie zich ‘actieve boer’ mag noemen. Bij de vorige beleidshervorming (2014) werd onderzocht of pensioenboeren uitgesloten konden worden op basis van een leeftijdsgrens, maar juridisch bleek dat moeilijk hard te maken. Voor Groene Kring wordt dat ongetwijfeld opnieuw een strijdpunt. Ondervoorzitter Sam Magnus bevestigt dat in een telefoongesprek met VILT, waarover we later uitgebreid verslag uitbrengen. Bij het Algemeen Boerensyndicaat en Boerenbond is het nog lang geen uitgemaakte zaak wie ‘actief landbouwer’ is. De achterban wordt daarover momenteel geconsulteerd. Het uitsluiten van pensioenboeren zou voor hen wel eens een stuk moeilijker kunnen liggen gezien de hoge gemiddelde leeftijd (55 jaar) van de doorsnee Vlaamse landbouwer.
In de discussie die daarover gevoerd werd in de landbouwcommissie zei Groen-parlementslid Bart Caron het volgende: “Als we de landbouw een kans willen geven op een toekomst, dan gaat het echt over de activiteit die moet worden gesteund. Eigendom is een slecht principe, tenzij het gerelateerd is aan activiteit, maar dan om te meten en te weten. Het is dus niet wat je in eigendom hebt dat bepalend is, maar wat je ermee doet, welke inspanningen je ervoor doet, welke productie je kunt realiseren en dergelijke meer. Dat moet, zoals collega Sofie Joosen (N-VA) ook zegt (door er voor te pleiten dat kleine bedrijven nog voldoende kansen krijgen in de toekomst, nvdr.), de diversiteit aan landbouwbedrijven garanderen, waar we in Vlaanderen met zijn allen voor hebben gekozen.” Stefaan Sintobin van Vlaams Belang maakt zich in deze discussie vooral zorgen over het draagvlak voor het Europese landbouwbudget wanneer landbouwsubsidies terechtkomen bij begunstigden die de boerenstiel niet actief beoefenen.
Minister Schauvliege verwijst naar de impactanalyse waarmee de Europese Commissie het effect van beleidsbijsturingen van de inkomenssteun momenteel onderzoekt. “Het is niet omdat je een algemene Europese regel oplegt dat dat voor elke lidstaat hetzelfde effect heeft. We moeten daar heel erg voor opletten. Als we bijvoorbeeld inkomensgrenzen gaan leggen, dan zal bij ons in Vlaanderen nog maar een derde van de landbouwers steun krijgen. Wij zijn, als je het Europees bekijkt, geen land van reuzelandbouwers maar van kleine landbouwers. We moeten opletten dat we daar niet het slachtoffer van worden.” (Vilt, beeld: Jelle Goossens voor Rikolto )

Arbeidsongevallen op school vermijden door betere preventie en coördinatie!

Een val is de vaakst voorkomende oorzaak van ongevallen met personeelsleden op school. Dat blijkt uit de cijfers die Vlaams parlementslid Jos De Meyer opvroeg bij minister Crevits van Onderwijs.
In 2016 werden 5622 ongevallen met personeelsleden geregistreerd op de school of het centrum zelf, en 1818 op weg naar school of op een dienstverplaatsing.
De ernst van een arbeidsongeval is pas gekend na consolidatie (en afsluiten) van het dossier, dat is dus niet steeds in het zelfde kalenderjaar.

“Ongevallen en incidenten met personeelsleden worden besproken op de Comités voor Preventie en Bescherming op het Werk. Binnen het convenant Preventie en Bescherming in het Vlaams Onderwijs, afgesloten tussen het departement Onderwijs en Vorming, de onderwijsinspectie, de onderwijsverstrekkers en de federale overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid als Sociaal Overleg, worden verschillende initiatieven ontwikkeld ter bevordering van de veiligheid van onderwijspersoneel. Het uitwerken van het lokaal preventie- en veiligheidsbeleid behoort tot de autonomie en verantwoordelijkheid van de onderwijsinstelling zelf,” antwoordde de minister.

Veiligheid en preventie zijn een belangrijke opdracht voor de scholen, vindt De Meyer, die meteen het belang van de preventieadviseurs en hun inbreng onderstreept. Zij zijn het die de initiatieven van de overheid vertalen in praktische richtlijnen op de werkvloer. Bovendien moeten ook de gemeentebesturen blijvend aandacht besteden aan de specifieke verkeersveiligheid in de schoolbuurten, met hun typische piekmomenten.

Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits sluit zich hierbij aan: “een ongeval is jammer genoeg snel gebeurd, niet alleen thuis of in de sportclub, maar ook op weg naar/van of op het werk. Daarom heeft iedere school een interne dienst voor preventie en bescherming die het schoolbestuur bijstaat om het preventiebeleid verder vorm te geven en elk arbeidsongeval aangrijpt om het welzijnsbeleid voortdurend te verbeteren.”

“Noordelijk stadsrandbos spreiden over enkele locaties”

CD&V-gemeenteraadslid Jos De Meyer pleit ervoor om het noordelijk stadsrandbos te spreiden over verscheidene locaties.
“Dat kan ook een opportuniteit zijn voor de aanwezige jeugdbewegingen”, meent het gemeenteraadslid.
Als mogelijke locaties denkt hij onder meer aan de Clementwijk, de door het stadsbestuur geplande groene lobben, Puitvoet en de omgeving van De Ster.
De Meyer heeft het moeilijk met de geplande stadslobben, onder meer omdat volgens hem het woonaanbod momenteel volstaat om de woonbehoefte in de stad op te vangen voor de huidige planperiode. Jos De Meyer kant zich trouwens ook tegen de lintbebouwing in een aantal van de geplande lobben.
De huidige meerderheid wil van Sint-Niklaas tegen 2050 een lobbenstad maken, bestaande uit woonlobben en groene lobben. Nieuwe woningen zouden er dan moeten komen langs de bestaande invalswegen, terwijl de groene binnengebieden als open ruimte in de stad bewaard blijven.
De stad trekt met deze ideeën nog verder naar de bevolking, om te polsen naar de mening van de inwoners. (Het Nieuwsblad, gvh)

‘STEM is het nieuwe Latijn’

Het aantal leerlingen dat voor een STEM-richting kiest, neemt toe. Meer en meer scholen bieden bovendien opties aan voor wetenschap en techniek. ‘Het is een marketinginstrument geworden om leerlingen te lokken.’
Nieuw ingerichte STEM-richtingen (Science, Technology, Engineering and Mathematics) zijn niet altijd een succes, zo concludeerde Vlaams Parlementslid Jos De Meyer (CD&V) uit cijfers van het kabinet van partijgenoot Hilde Crevits. Dit schooljaar hebben scholen 17 nieuwe STEM-richtingen aangevraagd, maar uiteindelijk niet laten doorgaan door een gebrek aan geïnteresseerde leerlingen. Het gaat om specifieke opleidingen zoals houtbewerking of elektronica in de hogere jaren.

Uit OESO-cijfers blijkt al langer dat Vlaanderen wat dit betreft achterophinkt in Europa. Al is het aandeel leerlingen dat voor een STEM-specialisatie kiest in het derde jaar tussen 2010 en 2016 wel licht gestegen, van 33,5 procent naar 35,6 procent. De cijfers vertellen bovendien niet alles. Integendeel, misschien is het tij net wel gekeerd.
In de eerste graad van het secundair moeten leerlingen nog niet kiezen voor een specialisatie, maar toch bieden steeds meer aso-scholen ook een aparte Moderne richting aan met een focus op STEM. En die lijken veel succes te hebben. In veel steden schieten de richtingen als paddenstoelen uit de grond. Alleen zijn er geen aparte cijfers omdat de richtingen vaak in de statistieken als ‘moderne’ opgenomen worden.
Tso als tweede keuze
“We zien STEM zeker als een succes”, zegt Frederik Tack, directeur van de eerste graad in Spes Nostra in Kortrijk. “Deze leerlingen krijgen een uur extra ICT en wiskunde en twee uur om aan meer praktijkgerichte STEM-projecten te werken.
In het Spes Nostra-instituut volgen 35 leerlingen STEM in het eerste jaar, onder wie ook 19 meisjes. Een van de doelstellingen van het STEM-actieplan van de Vlaamse regering is om meer vrouwen naar technische of ingenieursjobs te leiden.
Aso-scholen zien zo’n focus op STEM als een manier om sterke leerlingen aan te trekken. Een directrice uit Sint-Niklaas noemt STEM ‘het nieuwe Latijn’. “Het is een marketinginstrument geworden om leerlingen te lokken”, zegt ook Frank Van Wolvelaer van Scholengemeenschap Sint-Nicolaas in Sint-Niklaas. “Technische scholen hebben daardoor problemen om die leerlingen aan te trekken, terwijl zij over de juiste infrastructuur beschikken.”
“Maar de samenleving beschouwt het tso nog altijd als een tweede keuze. Onterecht, denk maar aan de STEM-opleidingen industriële en biotechnische wetenschappen die voorbereiden op verdere studies. Er is daardoor een ernstig debat in onze scholengroep geweest over wie een STEM-richting mag oprichten.”
In Scholengemeenschap Sint-Nicolaas is daarom afgesproken dat aso-scholen enkel in de eerste graad het woord STEM mogen gebruiken in hun opleidingsaanbod. Daarna is het voorbehouden voor tso-scholen.
“Het ligt in de vrijheid van de scholen zelf om een aantal keuze-uren zo te bundelen”, zegt Raymonda Verdyck van het Gemeenschapsonderwijs (GO!). “Het geeft hen de kans om de jongeren te stimuleren en te laten proeven van de richting die ze vanaf het derde jaar kunnen volgen.”
Volgens Verdyck is de kentering wel degelijk ingezet, maar is het ook een kwestie van geduld. “We beginnen al met STEM-geletterdheid in de kleuterklas, maar de resultaten daarvan in het secundair onderwijs of op de arbeidsmarkt laten nog even op zich wachten.”
Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) wil technisch onderwijs volgend schooljaar in de kijker plaatsen. Op dit moment loopt er een bevraging bij alle betrokkenen in het tso en bso, maar ook bij de bedrijven, om te achterhalen hoe ze kunnen inzetten op innovatie binnen tso en bso. “Enerzijds omdat innovatie jongeren boeit, maar ook omdat de economie innovatief geschoolde technische krachten nodig heeft”, zegt minister Crevits. (De Morgen, Bruno Struys)

Nieuwe STEM-richtingen slaan niet altijd aan

Met informatie uit eerder OESO-rapport onderaan de tekst
Veel scholen die sinds dit schooljaar nieuwe technisch gerichte opleidingen aanbieden, trekken daar vaak maar weinig leerlingen mee aan. Dat blijkt uit cijfers die CD&V-parlementslid Jos De Meyer opvroeg bij Vlaams onderwijsminister en partijgenote Hilde Crevits. De STEM-richtingen (Science, Technology, Engineering and Mathematics, red.) zijn nuttig op de arbeidsmarkt, maar het aantal inschrijvingen volgt niet, zegt De Meyer.
De Vlaamse regering probeert STEM-richtingen als wetenschappen-wiskunde, mechanica, metaal of bouw al langer een duwtje in de rug te geven. De arbeidsmarkt kampt met een tekort aan technisch geschoolde werknemers, maar weinig leerlingen in het secundair onderwijs kiezen voor een technisch profiel.
Om daar een mouw aan te passen kunnen secundaire scholen nieuwe STEM-studierichtingen inrichten zonder daarvoor een andere richting in te leveren. Om met nieuwe opleidingen te starten die minder interessant zijn op de arbeidsmarkt, moeten scholen wel eerst een andere studierichting schrappen. Zo vermijd je dat het aanbod wel groter wordt, maar enkel in richtingen waar de arbeidsmarkt niet voor staat te springen, is de redenering.
Maar die nieuw ingerichte STEM-richtingen trekken in verhouding maar weinig nieuwe leerlingen aan, zo blijkt uit cijfers van het kabinet-Crevits. Vaak gaan het om slechts één of twee inschrijvingen. En omdat een nieuwe richting een zware hypotheek legt op het lesurenpakket van een school, beslissen de scholen soms om een nieuwe richting toch niet te laten starten. Dit schooljaar gebeurde dat met 17 aangevraagde en goedgekeurde nieuwe STEM-richtingen.
En dat terwijl andere nieuwe richtingen in bijvoorbeeld kunstonderwijs wél hoge inschrijvingscijfers halen, zegt De Meyer. “Zo start de derde graad Audiovisuele vorming in kunstschool Sint-Lucas al meteen met 28 leerlingen, terwijl de tweede graad Houttechnieken in Dendermonde het met één inschrijving moet doen”, meent hij. Volgens het CD&V-parlementslid maken de nieuwe opleidingen het aanbod toegankelijker, maar blijft het aantal inschrijvingen achter. “Maar los daarvan moet men zich ook afvragen of het zinvol is om een opleiding in te richten voor één of twee leerlingen, zeker als het gaat om richtingen in het algemeen secundair onderwijs (ASO), waar het aanbod meestal al bestaat in een andere school.
Een OESO-rapport van afgelopen najaar toont min of meer hetzelfde plaatje. Amper 19 procent van de nieuwe leerlingen kiest hier voor een STEM-richting, terwijl het OESO-gemiddelde op ruim een kwart ligt. Vooral het technisch- en beroepsonderwijs lopen achter, in het ASO is wel al een positieve trend merkbaar, zei onderwijsminister Crevits toen. (Belga)

Nooit eerder zo weinig leerlingen op vakscholen

‘Trek de kaart van de nieuwste industriële technieken. Maak de transitie.’ Dat advies krijgen vakscholen om de dalende inschrijvingen te counteren.

Waarom raakt de vakschool in Vlaanderen maar niet van haar negatief imago af? En waarom vinden jongeren zo moeilijk de weg naar de nijverheidstechnische opleidingen, die nochtans werkzekerheid bieden?
De kwestie verdient opnieuw alle aandacht, zeker nu uit nieuwe cijfers blijkt dat het aantal inschrijvingen is gezakt tot een historisch minimum, met 44.194 leerlingen in 2016. Twintig jaar geleden volgden nog 59.192 jongeren een opleiding die klaarstoomt voor de autosector, de bouw, de textielnijverheid, de industrie van de houtbewerking of de wereld van mechanica, elektriciteit en koeling – de zogenaamde nijverheidstechnische richtingen in de tweede en derde graad.
Directeurs van technische instituten en beroepsscholen zoeken al jaren naar een manier om het tij te keren, maar voorlopig met wisselend succes. Volgens ¬Michel Cardinaels van TISM, een technische instelling in Bree met een groeiende populatie, speelt vooral de lesinfrastructuur een rol bij het aantrekken van nieuwe leerlingen en het overtuigen van sceptische ouders, die vaak nog een verouderd, klassiek idee van de vakschool hebben.
‘Trek de kaart van de nieuwste industriële technieken’, geeft hij als advies. ‘Leer methodes aan zoals virtueel lassen, nodig voor het maken van de hardware van apps. Ontwikkel daarnaast een pedagogisch project dat een maatschappelijk verhaal vertelt, dat leerlingen prikkelt om creatief uit de hoek te komen en dat inspeelt op ecologie. Maak die transitie. ¬Creëer een moderne leeromgeving, met concrete uitdagingen.’
Echter: door de tanende inschrijvingscijfers dalen de inkomsten en blijven derhalve ook de broodnodige investeringen uit. Een straatje zonder eind. Daarom maakte de Vlaamse regering recent vijf miljoen euro vrij om de oudste infrastructuur te moderniseren. Maar volgens Vlaams Parlementslid Jos De Meyer (CD&V), die de inschrijvingscijfers opvroeg bij de onderwijsadministratie, mag dat bedrag niet symbolisch blijven. Waarmee hij wil zeggen: maak het terugkerend en dus structureel.
De Vlaamse regering beseft terdege dat nijverheidstechnische opleidingen met een negatief imago kampen: meer als gevolg van het watervalsysteem, met een rangorde tussen de schotten, dan door het verouderd lesmateriaal. Vandaar haar duur bevochten hervorming van het secundair onderwijs.
Een van de centrale ideeën in dat plan is de oprichting van domein- en campusscholen, waar abstracte aso-opleidingen in contact komen met de praktische tso- en bso-opleidingen. Maar critici zien te weinig praktische garanties om dat plan te doen slagen.
Ook dat andere paradepaardje, het zogenaamde STEM-actieplan uit 2012, waarmee de Vlaamse overheid inzet op wetenschap en techniek op scholen, zet niet de nodige zoden aan de dijk. ‘De grote verschuiving blijft uit’, aldus Willem Vansina van de VDAB¬studiedienst. Meer nog: doordat verschillende aso-opleidingen meer technische vaardigheden in de studie integreren, verscherpt de concurrentie met het nijverheidsonderwijs. (De Standaard, Maarten Goethals)
____________________

AANDEEL VROUWELIJKE STUDENTEN BLIJFT MINIMAAL IN NIJVERHEIDSTECHNISCHE RICHTINGEN;
LEERLINGENAANTAL DAALT VERDER

Het aandeel leerlingen in het nijverheidstechnisch onderwijs daalt verder, en het aandeel meisjes dat kiest voor een nijverheidstechnische opleiding blijft minimaal. Dat blijkt uit de cijfers die Vlaams parlementslid Jos De Meyer ophaalde bij de cijfers van de onderwijsadministratie bij de website Dataloep.

“Nijverheidstechnisch onderwijs” is geen aparte categorie in de tellingen, daarom werden de gegevens over de studiegebieden Auto, Bouw, Hout, Koeling en Warmte, Mechanica-elektriciteit en Textiel samengeteld. In 1996 waren in de tweede en derde graad van die studiegebieden 59.192 leerlingen ingeschreven, in schooljaar 2016-2017 was dat aantal teruggelopen tot 44.194. Het aandeel van de nijverheidstechnische richtingen is daarmee teruggelopen van 20,45 naar 15,7% van het totale aantal ingeschreven leerlingen van de 2e en 3e graad. Dat is zelfs nog een lichte daling tegenover vorig schooljaar (15,85%).
In 1996 was 1/3 van de leerlingen uit het technisch onderwijs nog ingeschreven in een nijverheidstechnische richting, in schooljaar 216-2017 was dat nog 22.8% (19.806 van de 86.845 tso-leerlingen).

Heel opvallend is daarbij het zeer kleine aandeel vrouwelijke studenten in de nijverheidstechnische richtingen. In alle studierichtingen technisch en beroepsonderwijs samen is het aandeel van de meisjes 43.3% (69.044 van de 159.197 inschrijvingen), in de nijverheidstechnische richtingen blijft dat minimaal: slechts 2.26% van de ingeschreven leerlingen zijn meisjesstudenten. (zie tabel).

Als de vraag naar technisch geschoolden verder stijgt, moet zeker ook het aandeel van de nijverheidstechnische studierichtingen op peil blijven, vindt De Meyer.
De minister wil daartoe verder inzetten op aandacht voor STEM (Science, technology, engineering & mechancis) in het onderwijs. Dit najaar start een marktbevraging bij allen die bij STEM betrokken zijn om te bepalen hoe STEM ook binnen de tso-en bso-opleidingen voldoende aandacht te geven.
In “onderwijskiezer” (een website met gegevens die leerlingen helpen bij keuzes in hun studieloopbaan) worden de verschillende studierichtingen neutraal voorgesteld en met relevante informatie over beroepen en de arbeidsmarkt. Zo probeert men te investeren in weloverwogen studiekeuze, die minder afhankelijk is van de toevallige sociaaleconomische of sociaal-culturele situatie van leerlingen.

Een van de doelstellingen van STEM was ook om het aandeel meisjesstudenten in de STEM-richtingen te verhogen. In de STEM-richtingen van het nijverheidsgericht onderwijs is daar duidelijk nog werk aan de winkel, merkt De Meyer op.