Nauwelijks fraude met EU-landbouwsubsidies in België

Uit het jaarrapport over de financiële belangen van de EU bleek dat vorig jaar meer onregelmatigheden gerapporteerd werden met EU-gelden voor landbouw, cohesiebeleid en steun voor kandidaat-lidstaten. Kris Peeters benadrukt in zijn antwoord aan Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer (CD&V) dat fraude met EU-landbouwsubsidies amper voorkomt in België en onvrijwillige fouten zo goed mogelijk vermeden worden.

Het Europees Bureau voor Fraudebestrijding OLAF meldde in het jaarrapport van 2009 dat eind vorig jaar 48 van de 354 onregelmatigheden met EU-gelden betrekking hadden op België. Dat werd toen voor een groot deel verklaard door de aanwezigheid van de Europese instellingen in Brussel. Minister-president Peeters bevestigt in zijn antwoord aan Jos De Meyer dat van de 48 lopende zaken in België geen enkele behoort tot de diensten van het beleidsdomein landbouw en visserij van de Vlaamse overheid.

Conform de Europese verordening melden de diensten van het beleidsdomein landbouw en visserij per kwartaal alle onregelmatigheden die betrekking hebben op EU-financieringen van minstens 10.000 euro. Deze meldingen hebben met andere woorden nog niet geleid tot de opening van een lopende zaak door OLAF. Effectieve fraudedossiers met een juridische procedure zijn er nauwelijks bij de diensten van het beleidsdomein. Indien dat toch het geval is, ligt een valse aangifte meestal aan de basis.

“Om ook onvrijwillige fouten te vermijden, wordt op verschillende niveaus informatie ter beschikking gesteld”, zegt Kris Peeters. Zo publiceert het agentschap voor landbouw en visserij bij de start van elke aanvraagcampagne voor een EU-landbouwmaatregel de belangrijkste aandachtspunten en informeert later in de campagne de landbouwers via persberichten over de belangrijkste tekortkomingen ten opzichte van de regelgeving.

Maandelijks wordt overleg gepleegd met de vertegenwoordigers van de landbouwsector en worden alle aspecten van de aanvragen en controles besproken. Daarnaast worden specifieke voorlichtingsmomenten georganiseerd, zoals de democontroles randvoorwaarden, waarbij de verschillende aspecten van een bedrijfscontrole worden toegelicht.

Peeters voegt daar nog aan toe dat landbouwers actief gestimuleerd worden om maximaal gebruik te maken van het elektronisch loket www.landbouwvlaanderen.be om steunaanvragen in te dienen. Dit e-loket helpt de landbouwer door zijn aanvraagprocedure en zoekt naar incoherenties in de aanvraag. Zo wordt de landbouwer van bij de aanvang al op onvolkomenheden in zijn aanvraagdossier gewezen. “Bijsturen van het beleid is dan ook onnodig”, besluit Peeters.

Werken op benedenschelde tussen Gentbrugge en Melle worden ook besproken binnen overlegstructuren van het Sigmaplan

Al enige tijd circuleert het plan om op de Benedenschelde ter hoogte van de Heusdenbrug een nieuwe sluis te plaatsen om de Schelde tussen Gent en Melle grotendeels tijonafhankelijk te maken. Tegelijk zou de vaargeul worden uitgediept en het omliggende gebied worden heringericht. Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer vroeg minister van openbare werken Crevits om meer uitleg.

De focus van het project ligt zeker niet alleen op het mogelijk maken van recreatievaart, benadrukte Crevits. Naast het verhogen van de veiligheid ter hoogte van de sluis van Merelbeke en op de Ringvaart waar beroepsvaart en pleziervaart samen komen, zal de plaatsing van de sluis ook een belangrijke kostenbesparing opleveren voor dijkverhogingen opwaarts van de sluis.

Recent werd afgesproken dat de verdere voorbereidingen voor de realisatie van het project binnen de bestaande overlegstructuren van het Sigmaplan zullen worden afgetoetst.

Een gekoppeld dossier, het inrichten van het gebied Bastenakkers als gecontroleerd overstromingsgebied, werd al eerder meegenomen in de maatschappelijke kostenbatenanalyse van het geactualiseerde Sigmaplan.

In samenwerking met onder meer de Vlaamse Landmaatschappij en de belangenorganisaties van de landbouw zal conform de werkwijze binnen het Sigmaplan, de beste locatie worden gezocht om een beperkte dijkverplaatsing te realiseren. Hierbij zal worden gestreefd naar een minimale impact op de landbouw worden vooropgesteld.

Tegelijk zal er ook een proefproject voor hergebruik van de gewonnen baggerspecie worden opgestart. Dit project bestaat in het verwerken van een deel van het sediment in geotextiele elementen die als waterkering kunnen worden gebruikt. Europa voorziet hiervoor subsidies in het kader van het TEN-programma (Trans Europese Transportnetwerken) en het INTERREG-programma (Europese Territoriale Samenwerking).

Binnenkort ecoscores voor gehele wagenpark Vlaamse Overheid

De Vlaamse Overheid heeft een wagenpark van maar liefst 2302* voertuigen. In 2009 werden er 197 nieuwe wagens aangekocht. Dat vernam Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer van minister voor bestuurzaken Geert Bourgeois. De vraag kwam er in opvolging van een eerdere bevraging over het wagenpark van de ministeriële kabinetten en hun aandacht voor de milieunormen.

Vlaamse administratie

De ecoscores van het Vlaamse wagenpark zijn echter nog niet beschikbaar. Al liet de minister wel weten dat het departement Leefmilieu, Natuur en Energie samen met het VITO gestart met een traject om voor alle dienstvoertuigen de correcte ecoscore vast te stellen. In elk geval, verzekerde Bourgeois, zal de bevraging vanaf nu elk jaar herhaald worden. Eens alle ecoscores bekend zijn, zal een grondige evaluatie worden gemaakt.

De populairste modellen van het huidige wagenpark, dat maar liefst 34 verschillende merken bevat, blijken de Opel Astra en de Toyota RAV4 te zijn In 2009 springt voornamelijk de aankoop van 45 Renault Kangoo’s in het oog.

Ministeriële kabinetten

Nagenoeg alle dertien nieuwe kabinetswagens die sinds vorig jaar in dienst werden genomen hebben een hogere (dus betere) ecoscore**. Opmerkelijk is echter wel dat minister van Financiën Muyters zijn twee Toyota Priusssen (ecoscore 75) aan de kant schoof voor een Volvo S80 (ecoscore 65) en Ford Focus (ecoscore 70). De afgetekende rode lantaarn uit de vorige bevraging, minister van energie Vandenbossche, ruilde ondertussen haar Mercedes Viano (ecoscore 47) in voor een Honda Insight Hybride (ecoscore 76).

Jos De Meyer is zeer tevreden dat de minister, op zijn aangeven, vanaf nu jaarlijks een oplijsting zal laten opmaken. “Eens alle ecoscores gekend zijn, zal het veel gemakkelijker zijn om doelgerichter de meest vervuilende wagens te vervangen.” De Meyer kondigt aan de evoluties verder op te volgen en zal zijn vraag ook volgend jaar herhalen.

Minister Smet: sociale stage opnemen in hervorming secundair onderwijs

De begrippen ‘sociaal project’ of ‘sociale stage’ zijn in onderwijskringen niet onbekend. Onder de term ‘sociaal project’ kunnen we de projecten catalogiseren die de school in groep organiseert. Het begrip ‘sociale stage’ heeft dan weer betrekking op een zelfstandig uitgevoerd sociaal project. Beide worden beschouwd als extra-murosactiviteiten. In vele landen integreerde men de sociale stage in het lessenpakket, bijvoorbeeld in de Verenigde Staten, Denemarken en Duitsland.

In Nederland moet elke middelbare scholier vanaf het schooljaar 2011-2012 een sociale stage volbrengen van 72, 60 of 48 uur. Jos De Meyer wil dit onderwerp ook in ons land op de agenda zetten en vroeg minister voor onderwijs Pascal Smet naar zijn standpunt.

De minister staat achter het idee van een sociale stage. Momenteel is er voldoende ruimte binnen ons onderwijs om deze te realiseren, stelde hij. In de eerste oriëntatienota rond de hervorming van het secundair onderwijs werd reeds in de mogelijkheid voor werkplekleren voorzien. De sociale stage als dusdanig staat er niet uitdrukkelijk in, maar aldus de minister, deze kan nog aangevuld worden. Smet engageerde zich het idee mee te nemen naar de Vlaamse Regering binnen het kader van een eerste ontwerpnota.

Nog geen resultaten van de campagne ‘Zeg het hem zelf’

In de tweede helft van vorig schooljaar werd de campagne ‘Zeg het hem zelf’ gelanceerd. Door middel van een promotiecampagne, met onder meer enkele veelbesproken filmpjes, werd het publiek warm gemaakt voor de provinciale ontmoetingsdagen met de minister. In totaal werden 29 sessies georganiseerd. Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer vroeg de minister naar de concrete resultaten van zijn ronde. Want ondanks het opzet is daarvan op de bijhorende website niks van terug te vinden. Omwille van besparingen, verdedigde minister Smet zich, werden geen professionele rapporteurs ingeschakeld en vandaar het achterblijven van de website. Hij stelde dat het gedetailleerde rapport bijna klaar is. Van zodra het gereed is – zo beloofde hij -zou hij het bezorgen. Wordt vervolgd…

Studie naar voedselverspilling door de Vlamingen

Van de 4.340 euro die elk Belgisch gezin gemiddeld per jaar voor voeding uitgeeft, zou 174 euro helemaal nergens toe dienen volgens het Nationaal Instituut voor de Statistiek (NIS). Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer vroeg minister voor leefmilieu Joke Schauvliege of er voor Vlaanderen meer gedetailleerde gegevens voorhanden zijn. De minister erkent dat de problematiek van voedselverspilling een belangrijk probleem is maar op precieze cijfers voor Vlaanderen is het nog even wachten.

Er is heel wat buitenlands onderzoek, aldus de minister, maar die resultaten zijn echter niet altijd extrapoleerbaar naar Vlaanderen. Daarom werd in 2010 een onderzoek gestart om te achterhalen wat de precieze hoeveelheid verspild voedsel in het restafval in Vlaanderen is. Deze nulmeting loopt in 2010-2011 en de onderzoeksresultaten zullen medio 2011 bekend zijn.

Deze nieuwe studie zal moeten uitwijzen hoeveel vervallen en nog niet vervallen voedingsmiddelen in het restafval aanwezig zijn. Ook wordt ook nagegaan of de houdbaarheidsdata (TGT – “te gebruiken tot” en THT – “ten minste houdbaar tot”) al dan niet zijn overschreden. Deze informatie wordt immers door de consument niet altijd goed begrepen en een goed begrip ervan zou een belangrijk instrument kunnen zijn in de preventie van voedselverspilling.

Voortbouwend op de resultaten van de nulmeting zal in 2011 nog een vervolgstudie worden uitgevoerd die dat de voedselverspilling in ketenperspectief zal bekijken. In heel de keten is er immers sprake van voedselverlies: bij de teelt, oogst, verwerking, distributie, verkoop, consumptie en afvalverwijdering.

Schauvliege is het met Jos De Meyer eens dat het voeren van een sensibiliseringscampagne rond deze belangrijke problematiek zeker zinvol is. Op basis van de resultaten van de nulmeting en de andere onderzoeken zullen zeker sensibilisatie¬campagnes overwogen worden in overleg met de betrokken actoren, stelt ze nog.

Peeters: goedkeuring GGO’s zeker op Europees niveau behouden

Recent zette de Europese Commissie opnieuw het licht op groen voor de import van vijf nieuwe genetisch gemodificeerde maïssoorten. Omdat er bij de lidstaten geen gekwalificeerde meerderheid was, kan de Commissie op advies van de Europese Voedselautoriteit zelfstandig beslissen. Intussen werden er zo op Europees niveau 37 GGO’s goedgekeurd. Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer ondervroeg minister voor landbouw Kris Peeters over deze werkwijze. Peeters steunt de versterking van het wetenschappelijk beoordelingsproces voor de erkenning van GGO’s in het kader van volksgezondheid en leefmilieu en is er principieel voorstander van om dit blijvend op Europees niveau te houden.

Wanneer een GGO erkend wordt en dus veilig bevonden wordt voor mens, dier en zijn omgeving, dan moet deze GGO een eerlijke kans krijgen en ter beschikking zijn voor elke Europese landbouwer, verduidelijkt Kris Peeters. De Europese regelgeving vandaag is zo opgesteld dat goedkeuring enkel gebaseerd kan zijn op deze wetenschappelijke risicoanalyse naar volksgezondheid en leefmilieu.

Om deze reden blijft de Commissie consequent voorstellen tot beslissing voorleggen ter stemming, die gebaseerd zijn op de positieve adviezen van EFSA en bioveiligheidsraden. Bovendien finaliseert de Commissie (tegen eind 2010), in samenwerking met een extern (Brits) auditbureau, een evaluatierapport van het volledige Europese regelgevend kader m.b.t. GGO’s en werkt EFSA aan nieuwe richtlijnen voor een versterkte milieurisicobeoordeling van GGO’s.

Veldproeven en commerciële teelten

Dossiers die de teelt van de GGO op Europees grondgebied aangaan (veldproeven en commerciële teelten), volgen een goedkeuringsprocedure volgens Richtlijn 2001/18/EG. Dit is een “leefmilieu”-aangelegenheid, en wordt dus geagendeerd en behandeld in de Raad Leefmilieu. In de regel wordt hierbij uitgegaan van een (decentrale) wetenschappelijke risicoanalyse uitgevoerd door een nationale bioveiligheidsraad van de lidstaat.

EFSA doet hiervoor een oproep bij de lidstaten om kandidaat te zijn om deze risicobeoordeling uit te voeren. Voor België wordt deze in de praktijk uitgevoerd door de afdeling Bioveiligheid en Biotechnologie van het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (SBB-WIV), waarna EFSA het beoordelingsrapport finaliseert.

GGO’s in ingevoerde producten

Dossiers die te maken hebben met gebruik van (ingevoerde) GGO’s in producten voor menselijke en dierlijke voeding (de zogenaamde Food/Feed), volgen een zo goed als gelijklopende goedkeuringsprocedure volgens Verordening (EG) nr. 1829/2003.

Dit zijn dossiers die op de Raad Landbouw geagendeerd en behandeld worden. In principe is het hier het EFSA die de wetenschappelijke risicoanalyse uitvoert, en opnieuw insteek en opmerkingen vraagt aan alle nationale bioveiligheidsraden van alle lidstaten. De reikwijdte van de Food/Feed-verordening betreft ook aanvragen voor teelten van GGO’s, en wordt de laatste tijd door bedrijven meer en meer hiervoor gebruikt. Het is immers een vereenvoudigde procedure: één dossier voor alles.

Aanpak exoten in waterlopen 1e categorie: 2,4 miljoen euro

Een in de zomermaanden steeds terugkerend probleem is de verspreiding van invasieve exoten in de onbevaarbare waterlopen. Deze planten verlagen het waterafvoerend vermogen en verstikken andere inheemse planten. Ondanks eerdere campagnes lijkt het probleem nog steeds niet onder controle. Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer vroeg minister voor leefmilieu Schauvliege naar een stand van zaken. Deze stelde dat de bestrijdingsmaatregelen sinds 2009 met succes werden opgedreven.

Prioriteit wordt gegeven aan de invasieve exoten met de grootste negatieve impact op afvoer, waterkwaliteit en biodiversiteit: grote waternavel, waterteunisbloem en parelvederkruid. Voor deze drie soorten werd een intensieve bestrijding opgestart. Voorgaande jaren werd gekozen voor machinale bestrijding. Deze aanpak bleek echter inefficiënt, stelt minister Schauvliege.

De Vlaamse Milieumaatschappij startte daarom in de zomer van 2009 met een intensievere bestrijdingscampagne met een looptijd van drie jaar en met een resultaatsverbintenis: de aannemers worden pas betaald wanneer ze er effectief in slagen de hoeveelheid exoten in de waterlopen te beperken tot de minimumdrempel aangegeven in het bestek.

In Oost-Vlaanderen werd deze aanpak onder meer toegepast op de Caelene, Lieve, Brakeleiken, Klein Brakeleiken en Kalkense Vaart; in Antwerpen onder meer op de Kleine Nete, Aa en Marke; in Limburg onder meer op het Schulensmeer.

Uit de tussentijdse resultaten, stelt de minister, blijkt de aanpak succesvol: alle grote broeihaarden zijn verdwenen. Door ook de komende 2 jaar de intensieve bestrijding voort te zetten, verwacht men de eerste categorie waterlopen nagenoeg volledig vrij te krijgen van grote waternavel, waterteunisbloem en parelvederkruid.

Er hangt wel een prijskaartje aan vast: de vernieuwde intensieve bestrijdingscampagne zal over een periode van 3 werkingsjaren voor de onbevaarbare waterlopen eerste categorie afgerond 2,4 miljoen euro kosten. De kostprijs voor de oude methode (machinale verwijdering) bedroeg 200 000 euro per jaar.

Daarnaast wordt ook onderzocht of een handelsverbod of een bestrijdingsverplichting aangewezen is voor deze planten. Uit de eerste contacten met de sector (onder andere met het Algemeen Verbond van de Belgische Siertelers en Groenvoorzieners, het Proefcentrum voor Sierteelt, AVEVE en de Belgische Tuincentra Vereniging) bleek dat zij geen bezwaren hebben tegen het voorgestelde handelsverbod. Op dit moment wordt het advies ingewonnen van de Minaraad en de Raad van State over de voorgestelde maatregelen in het ontwerp van beheerregeling.

Kruispunt N41 – Biezestraat: wordt veiliger

In de loop van de voorbije jaren werden heel wat kruispunten op de N41 heringericht: Neerstraat, Broekstraat, Veldstraat en Noordstraat kregen veilige kruispunten met verkeerslichten, afslagstroken, verhoogde fietspaden en oversteekplaatsen voor voetgangers. Later volgden aan de kruispunten ook camera’s.

Maar de Biezestraat, het drukste kruispunt van de N41, bleef tot hiertoe jammer genoeg onveilig voor fietsers en voetgangers. Vandaar de vraag vanuit de gemeente om ook dit punt te herinrichten.

Op de vraag van Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer naar de plannen voor de herinrichting van het kruispunt N41 – Biezestraat te Hamme antwoordde de minister dat een Opgeblazen Fiets Opstel Strook (OFOS) zal worden bijgeplaatst aan de kant van de Bunt en dat de fietsvoorzieningen zullen worden aangepast.

Over de wenselijkheid en de juiste inplanting van de stopplaatsen van De Lijn op de N41 wordt momenteel nog overlegd.

Ook in “zevende zit” niet geslaagd

Naar goede gewoonte ondervroeg Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer minister van onderwijs Pascal Smet over de naleving van de resolutie van 28 mei 2003 over de ordentelijke start van het schooljaar. Deze resolutie vraagt de Vlaamse Regering om alle besluiten en omzendbrieven die in werking treden op 1 september aan de scholen uiterlijk op 25 juni mee te delen. Voor maar liefst 26 omzendbrieven ontbrak de formele wettelijke basis nog op het moment van de verzending, moest de minister toegeven.

Daarnaast werden 17 besluiten die hun uitwerking hadden vanaf 1 september 2010 pas genomen na 25 juni.

Ook 19 omzendbrieven die van toepassing zijn per 1 september werden nog na 25 juni 2010 verzonden aan de scholen.

De resolutie, die er op voorstel van De Meyer kwam, is sinds het schooljaar 2004-2005 nog geen enkele keer nageleefd.

“De doorlooptijd van de overlegprocedures is misschien complex maar een betere planning door de administratie en het kabinet zouden al veel soulaas kunnen brengen”, stelt Jos De Meyer. “Ik hou de minister aan het engagement dat hij uitsprak in de commissie onderwijs om volgend jaar de resolutie na te leven.”

Gunning communicatieopdrachten: elke entiteit voor zich

Bij de inhoudelijke beoordeling van communicatieopdrachten wordt door de Vlaamse overheid een veelheid aan procedures en criteria gehanteerd. Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer vroeg minister-president Kris Peeters om enige toelichting. Deze bevestigde dat binnen de entiteiten van de Vlaamse overheid voor alle overheidsopdrachten het principe geldt dat iedere delegatiehouder autonoom beslist over de wijze van gunning.

De keuze tussen de verschillende gunningsprocedures hangt, aldus de minister-president, samen met de aard en de omvang van het project en met het gewenste resultaat (afweging van het belang van verschillende criteria, in essentie de afweging van de beoogde verhouding prijs/kwaliteit). De mogelijke aanwending van deze of gene procedure is ook verbonden met de kwalificatie van de opdracht. Ook de keuze van de diverse gunningscriteria en hieraan het passende belang en gewicht toekennen is hun taak.

Om het uitbesteden van alle overheidsopdrachten zo vlot mogelijk te laten verlopen werd reeds in 2007 een algemeen kader vastgelegd. Dit voorziet in voldoende algemene en gespecialiseerde vorming voor ambtenaren enerzijds, en in het opzetten van een drietrapssysteem voor ondersteuning anderzijds. In de eerste plaats is er een ervaren begeleiding voor overheidsopdrachten binnen elke entiteit, ten tweede is er voorzien in een groepering van gespecialiseerde kennis per beleidsdomein en tenslotte is er ook nog de mogelijkheid tot advisering door de afdeling Overheidsopdrachten van het departement Bestuurszaken.

Natuurlijk, zo verzekerde Peeters, moet dit alles gebeuren mits naleving van de geldende toezichtsprocedures bvb. door de Inspectie van Financiën, audits door het agentschap Interne Audit voor de Vlaamse Administratie (of andere bevoegde auditdiensten) of door het Rekenhof.

Peeters concludeert dat er binnen de Vlaamse overheid dus geen centrale opvolging is voorzien m.b.t. de gunning van alle overheidsopdrachten, en dus ook niet specifiek wat betreft alle communicatieopdrachten.

Spanning op de arbeidsmarkt onderwijs neemt af

Het jaarlijks gepubliceerde Arbeidsmarktrapport van het Vlaams Ministerie van Onderwijs en Vorming waarschuwt al enkele jaren voor een dreigend tekort aan leerkrachten. Bij de start van het nieuwe schooljaar ondervroeg Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer minister van onderwijs Smet over de recentste evoluties. Zowel in het basis- als in het secundair onderwijs blijkt dat de spanning op de arbeidsmarkt terug is afgenomen. De afname van het aantal inschrijvingen voor de academische lerarenopleidingen zet zich echter verder.

Basis- en kleuteronderwijs

De spanning op de arbeidsmarkt in het basisonderwijs is de loop van schooljaar 2009-2010 duidelijk afgenomen. Het aantal openstaande vacatures is vanaf april zelfs afgenomen tegenover het schooljaar 2007-2008, stelde Smet. De daling van het aantal vacatures in september, oktober, november en december 2009 (respectievelijk 17%, 16%, 20 % en 8% tegenover dezelfde maanden van het voorgaande schooljaar) zet zich verder tot juni 2010 (resp. 15%, 19%, 33%, 36%, 26%, 10%). In juli en augustus 2010 is er terug sprake van een toename ten opzichte van dezelfde maanden in 2008-2009.

Secundair onderwijs

Ook in het secundair onderwijs is de spanning op de arbeidsmarkt afgenomen in de loop van schooljaar 2009-2010. Het aantal openstaande vacatures is afgelopen schooljaar in elke maand duidelijk gedaald tegenover het schooljaar 2008-2009. In augustus 2010 daalde het aantal openstaande vacatures nog met 19,81% ten opzichte van augustus 2009.

Aantrekkelijkheid beroep

De minister kondigde ook de start van het loopbaandebat, rond het aantrekken en behouden van goede leerkrachten in Vlaanderen, aan. Dit jaar wil hij al komen tot voorstellen over de werkpunten voor de beginnende leraar, de zij-instromers en de inzetbaarheid.

In de komende jaren komen dan de aantrekkelijkheid van de loopbaan, het eindeloopbaandebat, de ccompetentie-ontwikkeling (ook van de directeur en van het schoolbestuur), de inzetbaarheid van onderwijspersoneel (bv. het inzetten van masters in het basisonderwijs) en de lerarenopleiding aan bod. Tegen 2012 wil minister Smet uitmonden in een globaal loopbaanpact met de sociale partners.

Jos De Meyer benadrukt het belang van goed opgeleide, gemotiveerde leerkrachten voor het Vlaamse onderwijs. De basis daarvoor is het beperken van de – nog steeds – te grote uitstroom van beginnende leerkrachten en het verhogen van de aantrekkelijkheid van het beroep. De grote daling van het aantal inschrijvingen in de academische lerarenopleidingen moeten dringend grondig geëvalueerd worden, stelt hij.

Ruilverkavelingen en landinrichting: instrumenten met nog veel toekomst

Zowel ruilverkavelingsprojecten als landinrichtingsprojecten hebben over het algemeen een lange looptijd: de volledige procedure kan meer dan tien jaar in beslag nemen waardoor het overzicht op de kosten en de stand van zaken van de vele projecten soms zoek kan geraken. Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer vroeg minister voor leefmilieu en natuur Joke Schauvliege om een stand van zaken. In de afgelopen 10 jaar investeerde het Vlaams gewest 30 miljoen euro in landinrichtingsprojec­ten en 58 miljoen euro in ruilverkavelingsprojecten.

Momenteel zijn maar liefst 8 ruilverkavelingsprojecten in voorbereiding en 7 in uitvoering. Wat de landinrichtingsplannen betreft, aldus de minister, zijn er nog eens 38 inrichtingsplannen in voorbereiding en zijn er 28 in uitvoering.

Ruilverkaveling herschikt landbouwpercelen binnen een afgebakend gebied. Hierbij wordt gestreefd naar aaneengesloten, regelmatige en gemakkelijk toegankelijke kavels om zo de rendabele en duurzame landbouwuitbating te bevorderen. Het instrument ruilverkaveling werd in de naoorlogse periode gecreëerd voor de ontwikkeling van de landbouwsector en de verbetering van de externe landbouwstructuren. Einde ’88 werd de Vlaamse Landmaatschappij (VLM) belast met de uitvoering van ruilverkavelingsprojecten in Vlaanderen.

Landinrichting is dan weer van toepassing op de landelijke gebieden, recreatiegebieden, woongebieden met een landelijk karakter en ontginningsgebieden. Het is opgezet als een instrument voor de inrichting van de open ruimte. Landinrichtingsprojecten willen gebieden zodanig inrichten dat alle facetten die in het gebied aanwezig zijn (milieu, natuur, landbouw, recreatie, cultuurhistorie, …), zich volwaardig kunnen ontwikkelen.

Voor het verder uitvoeren van ruilverkavelingsprojecten is een draagvlak binnen de landbouw­sector een noodzakelijke voorwaarde, benadrukte Schauvliege. Bijna alle landbouwers zijn te vinden voor het concept van ruilverkaveling. Uit een recente bevraging blijkt dat globaal genomen ongeveer twee derden van de landbouwers tevreden is over de uitgevoerde ruilverkaveling. Eén vijfde van de landbouwers is eerder ontevreden.

De huidige realisaties van ruilverkave­ling tonen dan ook de sterkte van het instrument: Landbouw wordt nog steeds structureel ver­beterd, maar dit gebeurt nu binnen een steeds complexer wordende context én met winst voor ook andere sectoren zoals natuur en milieu, water, recreatie, erfgoed,… De laatste twee jaar werden maar liefst 4 ruilverkavelingen en 10 inrichtingsplannen definitief afgerond.

Het garanderen van voldoende landbouweconomische baten blijft echter essentieel voor het draagvlak bij de landbouwers voor de geïntegreerde aanpak van ruilverkavelingsprojecten, benadrukt Jos De Meyer. Want landbouwers hebben het – zeer begrijpelijk – moeilijk met het afstaan van gronden voor de realisaties voor andere sectoren.

Minister Smet: “Nog zeker drie jaar continuïteit voor scholengemeenschappen”

Om de samenwerking tussen de scholen uit het basis- en kleuteronderwijs te stimuleren bestaat sinds 1 september 2003 de structuur van de scholengemeenschappen. De huidige samenwerkingsakkoorden daarvan lopen nog tot 31 augustus 2011. Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer vroeg minister Pascal Smet welke veranderingen er in de nieuwe periode zullen worden doorgevoerd. Tijdens een overgangsperiode van drie jaar zal er echter niet veel veranderen. Er zijn nog maar 47 scholen in Vlaanderen die niet tot een scholengemeenschap behoren.

De minister ziet het dos­sier van de scholengemeenschappen niet geïsoleerd van andere geplande dos­siers zoals de hervorming van het secundair onderwijs en het geïntegreerd omkaderingssysteem. Ingrijpende vernieuwingen op deze terreinen, aldus Smet, vinden best gelijktijdig ingang. Zijn streefdatum is 1 sep­tember 2014.

Daarom acht hij het nuttig voor scholengemeenschappen in twee fasen te werken: een driejarige overgangsperiode vanaf 1 september 2011 (startdatum voor een nieuwe periode van samenstelling van scholengemeenschappen) en pas opnieuw zesjarige periodes vanaf 1 september 2014. De bijsturingen aan het concept van de scholengemeenschappen blijven voor de over­gangsperiode zeer beperkt: het accent zal liggen op continuïteit, benadrukt hij.

Peeters zoekt projecten tegen armoede op platteland

Minister-president Peeters wil de armoedeproblematiek op het platteland meer onder de aandacht brengen met horizontale projectinitiatieven op Vlaams niveau. Dat antwoordde hij op een parlementaire vraag van Jos De Meyer (CD&V) die naar aanleiding van de Dag van de Armoede opperde dat er niet alleen in de steden armoede is, maar dat ook op het platteland de problematiek steeds nijpender wordt.

Volgens Peeters is plattelandsarmoede een complexe problematiek met vele dimensies en dus vraagt het een benadering die tot uiting moet komen in alle beleidsdomeinen. “Binnen het Programmeringsdocument voor Plattelandsontwikkeling (PDPO) wordt met het oog op de leefbaarheid van het platteland, heel wat aandacht besteed aan specifieke kwetsbare groepen op het platteland zoals kansarmen, bejaarden, minder mobielen, jeugd”, zegt de minister-president.

As 3 van het PDPO voorziet de mogelijkheid om projecten in te dienen die deze groepen kunnen ondersteunen. Zowel welzijnsorganisaties, lokale besturen als verenigingen zonder winstoogmerk kunnen hiervoor subsidies aanvragen bij de Europese, Vlaamse en provinciale overheden. Met subsidies tot 65 procent van de projectkost kunnen zij projecten financieren die de kansarmen ten goede komen.

Naar aanleiding van het ‘Europees Jaar van de bestrijding van armoede en sociale uitsluiting’ en in het kader van het Vlaams regeerakkoord, zal de ZORO-projectoproep verlengd worden. Tijdens de eerste projectperiode werden al 11 dorpsnetwerken voor zorg opgestart of uitgebreid. De inhoudelijke doelstellingen van die projecten moeten onder meer draaien om het professioneel ondersteunen van een dorpsnetwerk voor zorg, waarbij het accent moet gelegd worden op het bereiken en ondersteunen van mensen in armoede.

Daarnaast moeten ZORO-projecten ook werken aan de opbouw van sociaal kapitaal door vrijwilligers, verenigingen en lokale actoren te betrekken bij de werking van het dorpsnetwerk. Ze moeten ook garanderen dat alle relevante informatie de juiste doelgroepen bereikt en een antwoord bieden op de hulp- en zorgbehoeften van kwetsbaren of vervoersafhankelijken op het platteland.

Volgens Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer springt de armoedeproblematiek wellicht meer in het oog in de steden, maar is de problematiek ook op het platteland prangend. “Het platteland vraagt wel een specifieke aanpak, verschillend van die in de steden. Ik ben dan ook tevreden dat er stappen worden gezet om te komen tot een integrale aanpak die de verschillende beleidsdomeinen overschrijdt”, zegt De Meyer.

Probleem van plaatstekort op scholen breidt zich uit

In Asse, Grimbergen, Leuven en Mechelen doet zich volgens onderwijsminister Pascal Smet (sp.a) binnenkort een capaciteitsprobleem voor in de lokale scholen. Smet sommeert de vier nu om een ‘structurele taskforce’ op te richten om de toekomstige problemen aan te pakken. Na de grote steden dreigt nu ook in andere gemeenten gebrek aan klassen – Probleem van plaatstekort op scholen breidt zich uit.

Brussel l In Brussel wil minister-president Charles Picqué (PS) werk maken van het plan om leegstaande kantoorgebouwen in de hoofdstad om te vormen tot scholen. Smet heeft er oren naar en drong al aan op een ‘coördinatievergadering’.

Toen vorig schooljaar bleek dat er in Antwerpen, Brussel, Halle en Vilvoorde acute problemen waren om alle leerlingen een plek te geven en dat Gent dezelfde weg opging, besloot Pascal Smet om niet alleen de problemen op die plekken aan te pakken, maar schreef hij ook 24 andere gemeenten centrumsteden en gemeenten met een grote aangroei bij de kleuters aan om lokale gegevens naar hem door te spelen.

Op basis van onder meer gegevens over de evolutie van het leerlingenaantal, het aantal nul- tot tweejarigen, de huidige beschikbaarheid in scholen en het aantal weigeringen liet Smet vervolgens bepalen wie zich in de risicozone bevindt. In vier gemeenten, Asse, Grimbergen, Mechelen en Leuven, stelt zijn kabinet een probleem vast. Die gemeenten moeten nu een taskforce opstellen en op termijn met een masterplan komen.

De vier waren nog niet op de hoogte gebracht dat ze in de gevarenzone zitten, maar in Asse is hulp alvast welkom. “Ik denk niet dat er nu nog plekken vrij zijn in de eerste klasjes”, aldus schepen Micheline De Mol (CD&V-N-VA). “Her en der zijn er al drie eerste leerjaren, maar de ruimte heeft een limiet. We kunnen niet blijven uitbreiden. Er zijn middelen nodig en hopelijk krijgen we die.”

Ook Mechelen weet dat er vanaf 2012 een probleem aan zit te komen. “We zullen dan ook zeker ingaan op deze vraag”, aldus bevoegd schepen Caroline Gennez (sp.a). “Ik heb mijn diensten aangespoord om niet op de lauweren te rusten.

“Globaal bekeken zitten we nog vijf à tien jaar goed”, meent Leuvens onderwijsschepen Mohamed Ridouani (sp.a) dan weer, “maar in sommige wijken is er wel degelijk al een probleem.” Ridouani wil best een taskforce oprichten maar dan wel als hij op voorhand weet hoeveel geld daar tegenover staat. Grimbergen is als enige hoogst verbaasd over de conclusie van de minister. “Onze scholen laten weten dat er geen problemen zijn”, zo klinkt het daar.

Smet bracht gisteren in de commissie Onderwijs van het Vlaams Parlement verder verslag uit over de aanpak van de capaciteitsproblemen die dit schooljaar al rezen. Uit werkbezoeken van CD&V-parlementslid Jos De Meyer aan de zes nieuwe scholen blijkt dat vooral de bijkomende plekken in bestaande scholen een succes zijn. In de nieuwe scholen blijft het aantal ingeschreven leerlingen veeleer beperkt. In een geval ligt de bouw zelfs stil en werden de leerlingen elders in een school ondergebracht, in een ander geval zijn er amper veertien leerlingen ingeschreven.

Toch is Vlaanderen niet onverstandig omgesprongen met de middelen. “We konden moeilijk inschatten hoeveel kinderen naar de nieuwe scholen zouden komen”, aldus Smet. “De scholen stonden er nog niet, ouders waren wantrouwig en misschien zijn er velen uitgeweken naar de rand. In ieder geval is het geen overbodige luxe om nu wat capaciteit op overschot te hebben want het probleem is nog niet opgelost.”

Brussels plaatstekort

Ondertussen wordt ook in de hoofdstad naar oplossingen gezocht. Brussels minister-president Charles Picqué (PS) lanceerde het idee voor de ‘reconversie’ van kantoren naar scholen, als mogelijke oplossing voor het plaatstekort in de Brusselse scholen, vorig jaar al. In zijn beleidsverklaring kondigde Picqué gisteren aan dat dat idee dit werkjaar verder uitgewerkt zou worden. Hij had het daarbij over financiële tussenkomsten van de Franse en Vlaamse Gemeenschap, beide bevoegd voor het Brusselse onderwijs.

Smet gaf aan dat hij daar met Brussel graag wil over overleggen. Hij drong naar eigen zeggen bij Picqué al aan op een ‘coördinatievergadering’ tussen het Brussels gewest, de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) en de Franse Gemeenschapscommissie (Cocof). “Bilateraaltjes hebben geen zin, we moeten samen rond de tafel gaan”, aldus Smet. “Ik wacht op een initiatief van het Brussels Gewest.”

Ondertussen startte Smet samen met de VGC wel al een groot project op in het centrum van Brussel voor extra plaatsen in het Nederlandstalig onderwijs, waarover later nog gecommuniceerd zal worden.

minister van Onderwijs pascal Smet: Het probleem is nog niet opgelost.

(De Morgen, Kim Herbots)

Cultuurhistorische meerwaarde van oude Vlaamse grazersrassen in natuurgebieden

De mogelijkheden om oude Vlaamse grazersrassen in te zetten in natuurgebieden dienen zo veel mogelijk benut te worden door de natuurbeheerders, dat stelt minister-president Peeters op een vraag van Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer. Recent kwam het Steunpunt Levend Erfgoed immers tot de vaststelling dat in natuurreservaten eerder voor exoten wordt gekozen dan voor inheemse rassen.

In natuurreservaten is begrazing een geschikte maatregel om de vooropgestelde natuurdoelen te bereiken. Bij het opstarten van een begrazingsproject zijn er velerlei factoren die bepalen welk type grazer, of welke combinatie van grazers worden ingezet. Daarbij kiest de natuurbeheerder voor een ras, of combinatie van rassen met zo min mogelijk kosten en energie (manuren en voeder) voor een zo goed mogelijk resultaat.

In een aantal gevallen voldoen inheemse rassen aan de vooropgestelde criteria en worden ze al met succes ingezet bij het natuurbeheer: Mergellandschapen en Vlaamse geit in de kustduinen, Kempisch roodbonte runderen lopen in park Vordenstein, Kempens heideschaap in Tenhaagdoornheide en in de Zwarte beekvallei en diverse streekeigen veerassen op andere terreinen.

De administratieve lasten die gepaard gaan met de maatregel genetische diversiteit zijn nochtans beperkt tot het minimum, aldus de minister. Zodra de begunstigde een overeenkomst heeft afgesloten, moet hij alleen nog jaarlijks een aanvraag tot uitbetaling indienen. Deze aanvragen worden door de erkende verenigingen (Steunpunt Levend Erfgoed voor de overeenkomsten schapen, Vlaamse Rundveeteelt Vereniging voor de overeenkomsten runderen) al vooraf ingevuld met alle gekende gegevens. De subsidie voor het houden van de zeldzame rassen van landbouwhuisdieren kan aangevraagd worden bij het beleidsdomein Landbouw en Visserij.

Jos De Meyer is het volmondig eens met de minister-president Peeters: de oude Vlaamse grazersrassen geven een cultuurhistorische meerwaarde aan de ontwikkeling van natuurgebieden. Natuurbeheerders zouden nog meer oog moeten hebben voor deze opportuniteit.

Meer info? www.sle.be

Meer overheidsgeld voor bouw katholieke schoolgebouwen

Brussel – Onderwijsminister Pascal Smet (sp.a) verhoogt de tussenkomst van de overheid in de bouw van katholieke scholen via het DBFM-project (Design, Build, Finance, Maintenance) met 11,5 procent. De stijging komt er op aandringen van CD&V-parlementslid Jos De Meyer nadat eerder deze maand was gebleken dat het vrije net de geplande scholen onmogelijk kon betalen. Via DBFM worden er de komende jaren een 200-tal scholen gebouwd. Scholen zullen dertig jaar lang moeten betalen voor hun gebouw en uit de berekeningen bleek dat dat bedrag varieerde van 73 procent tot 120 procent van de werkingsmiddelen. Het katholieke net laat weten verheugd te zijn met de verhoging van de tussenkomst van de overheid. De betrokken scholen zullen in de komende tijd een nieuwe berekening ontvangen. Eind november moeten ze dan laten weten of het project haalbaar is. (Bron: KH – De Morgen)

Aanleg van oostelijke tangent begint later

De werken voor de aanleg van de oostelijke tangent in Sint-Niklaas zullen ten vroegste begin 2012 worden aanbesteed. Dat is later dan gepland.
Vermoedelijk zal de effectieve aanleg van de oostelijke tangent, de verbinding tussen de N70 en de nieuwe E17-afrit Sint-Niklaas-Oost, midden 2012 volgen. In Sint-Niklaas wordt reikhalzend uitgekeken naar dit belangrijke project, dat niet alleen de stadsring moet vervolledigen maar ook het dagelijkse fileleed op de gewestweg N70 fors moet verminderen.

Fietskoker

Vlaams parlementslid Jos De Meyer (CD&V) informeerde bij Vlaams minister Hilde Crevits (CD&V) naar de stand van zaken van nog een aantal andere projecten. “De aanleg van de westelijke tangent is nu bezig. De ophoging aan de zuidkant van het spoor is afgewerkt. Nu is de aannemer bezig aan de noordzijde.

Aan de toekomstige rotonde aan de Tuinlaan wordt de eerste fietskoker gebouwd”, aldus De Meyer.

Verder wordt het ontwerp voor de heraanleg van het wegvak tussen de Singel en de N16 momenteel afgewerkt. Voor het wegvak tussen De Ster en de Kwakkelhoekstraat werd het onteigeningsbesluit goedgekeurd, maar moeten de onteigeningen zelf nog gebeuren.
(Bron: Het Laatste Nieuws, JVS)

Korte ketenverkoop in de land- en tuinbouw in de lift

Recent verscheen een studie van WWF over de ecologische voetafdruk en vorige week werd een symposium georganiseerd over korte keten in Vlaanderen, een organisatie van het departement landbouw in samenwerking met voedselteams vzw, VLAM, het innovatiesteunpunt en het Steunpunt Hoeveproducten.
Dit was voor Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer de aanleiding om Minister-President Kris Peeters te ondervragen in de Commissie.

De Minister-President maakte van deze gelegenheid gebruik om mede te delen dat hij een aantal concrete beleidsvoorstellen wil uitwerken die – na overleg en in samenspraak met de betrokken stakeholders – moeten uitmonden in een “Strategisch Plan voor de lokale productie en lokale vermarkting in Vlaanderen”.

De Afdeling Duurzame ontwikkeling van het Departement Landbouw en Visserij heeft de opdracht gekregen om dit Strategisch Plan in samenspraak met de sector en met alle betrokkenen uit te werken tegen begin volgend jaar.

Volgende elementen zouden wat betreft Minister-President Peeters minstens in dit Strategisch Plan moeten worden opgenomen:

1/ het organiseren van een permanent structureel overleg met iedereen die betrokken is bij de ‘korte keten’ problematiek.

2/ verder onderzoek naar de rendabiliteit van hoeveproductie
Het starten met hoeveproductie of andere korte keten initiatieven, mag van de kant van de land- of tuinbouwer geen negatieve keuze zijn. Zoals voor elke professionele landbouwactiviteit geldt ook hier dat professioneel handelen een must is. Aan hoeveproductie doen, is niet zomaar iets wat je er bij neemt, dat moet een weloverwogen beslissing zijn. Vooral de extra arbeid die nodig is, wordt nogal eens onderschat.
In navolging van rapport van het Departement landbouw en visserij ‘Economische rendabiliteit van hoeveproductie: een verkenning op basis van het Landbouwmonitoringsnetwerk’ zullen bijkomende onderzoeksopdrachten worden opgestart om de rendabiliteit van korte keten initiatieven in kaart te brengen.
Ook binnen het ILVO zal de ‘korte keten’ versterkte aandacht krijgen binnen de onderzoeksprioriteiten.

3/ de naschoolse vorming van land- en tuinbouw inzetten om specifieke opleidingen te organiseren inzake korte keten aanpak.

De Vlaamse overheid zet jaarlijks een bedrag in van 4,5 miljoen euro voor de naschoolse vorming in land- en tuinbouw. Met deze middelen kunnen erkende centra vorming en opleiding organiseren voor landbouwers die willen meestappen in het ‘korte keten’ verhaal

4/ het uitwerken van een structurele financiële ondersteuning van het steunpunt hoeveproducten en steunpunt streekproducten vanaf 2012.
De financiële ondersteuning voor 2011 is alvast gegarandeerd.

5/ versterken van de promotie i.v.m. korte keten initiatieven
Binnen de schoot van VLAM en VILT (Vlaams Informatiecentrum voor Land- en tuinbouw) kan bekeken worden welke bijkomende initiatieven kunnen genomen worden. Ik denk aan de inzet van het magazine ‘Melk en Honing’, dat nu reeds in een oplage van 45.000 exemplaren ter beschikking wordt gesteld van de hoeveproducenten.

6/ bekijken welke nieuwe maatregelen kunnen ontwikkeld worden in het kader van een nieuw PDPO III.
Wat mij betreft zouden bijvoorbeeld de mogelijkheden van innovatiecheques kunnen onderzocht worden, waarbij initiatiefnemers een beperkte hoeveelheid middelen zouden kunnen bekomen om op bedrijfsniveau een nieuw korte keten project op te zetten.

Minister-President Peeters bevestigde naar aanleiding van de vraag van Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer i.v.m. het VLIF dat het verhoogd steunpercentage voor al wat met hoeveproducenten en thuisverwerking te maken heeft behouden blijft.

Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer besluit: “Beleidssteun aan gespecialiseerde bedrijven die produceren voor de wereldmarkt is belangrijk. Maar ook de verbreding moeten we steunen. De korte ketenverkoop heeft hierin zijn plaats.”