Beleidsbrieven in het Vlaams Parlement

Deze en volgende weken worden de beleidsbrieven van de verschillende ministers, samen met de bijhorende begroting, besproken in de commissies van het Vlaams parlement. Ik kwam deze week tussen bij de bespreking van de beleidsbrief en de begroting landbouw.
In mijn tussenkomst wees ik op het grote belang van het VLIF (Vlaams landbouwinvesteringsfonds), het ILVO (Instituut voor Landbouw- en Visserijonderzoek ) en de VLAM (Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing) en wees ik op de recente beslissingen die minister-president Peeters hierover genomen had om de slagkracht van deze belangrijke beleidsinstellingen te kunnen behouden. Ik wees er ook op dat het belangrijk is dat op sociale instellingen en maatregelen niet bespaard wordt (Boeren op een kruispunt, zorgboerderijen, bedrijfs-begeleidingsdiensten). Volgende week houd ik een tussenkomst bij de beleidsnota en begroting onderwijs.

50% van bedrijfsleiders landbouwsector stoppen voor 55

Van de bedrijfsleiders in de landbouwsector die stoppen voor ze de pensioenleeftijd (65 jaar) bereikt hebben, stapt ruim 50% uit voor de leeftijd van 55 jaar. Op het totaal is 27% van de stoppers jonger dan 55. 4,6% van de landbouwbedrijven die actief waren in 2008 waren dat niet meer in 2009. Dit vernam Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer van minister van landbouw Kris Peeters.

Gemiddeld 2,2% van de bedrijfsleiders jonger dan 55 jaar is uit de sector gestapt in 2008. Bij de categorie tussen 55 en 65 is dit 4,9%. Bij diegenen ouder dan 65 is dit 10,5%. Het is logisch dat het vooral de oudere bedrijfsleiders zijn die stoppen.

De cijfers moeten wel genuanceerd worden, waarschuwde de minister, het is immers niet perse zo dat deze allen uit de landbouwsector verdwijnen. Ook door samensmelting van bedrijven, verdwijnen er immers uit de statistieken. Over de specifieke redenen van de stopzetting is het in het duister tasten.

Het aantal faillissementen in Vlaanderen van bedrijven die als activiteit (NACE code) landbouw, jacht en diensten in verband met deze activiteiten hebben, is de laatste jaren terug een stuk hoger.

Aantal faillissementen
– 2005: 66
– 2006: 69
– 2007: 88
– 2008: 69
– 2009: 83

Minister Muyters: Bouwvergunning voor De Bunt zal worden afgeleverd

Tegen het Ruimtelijke Uitvoeringsplan (RUP) dat recent werd goedgekeurd voor de herinrichting van het gebied De Bunt werd door de gemeente Hamme beroep aangetekend bij de Raad van State. Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer ondervroeg minister voor ruimtelijke ordening Muyters over de gevolgen van deze procedure. Deze laat er geen twijfel over bestaan: het RUP lijkt wettig en de vergunningverlenende overheid kan het dus als toetssteen gebruiken bij de beoordeling van een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag.

Moest de procedure voor de Raad van State toch tot de vaststelling van een onwettigheid en dus tot een vernietiging leiden dan lijkt het logisch dat de Vlaamse overheid de vaststelling van het RUP herneemt en het gebrek in de procedure herstelt, stelde de minister. In tussentijd zal het dossier echter niet worden vertraagd.

Over het argument dat het RUP niet zou samengaan met het eerder goedgekeurde “Voorstel Gewenste Ruimtelijke Structuur Waasland” sprak de minister ook duidelijke taal. In het eerste concept werd duidelijk verwezen naar de uitvoering van de beslissing van de Vlaamse Regering over het geactualiseerd Sigmaplan en de ontwikkeling van de meest waardevolle natuurkernen. De aangeduide hoofdfunctie in deze gebieden – natuur met klemtonen op het integraal waterbeheer en het natuurlijk watersysteem – is dus niet strijdig met het RUP.

De werken die in uitvoering van het RUP op terrein mogelijk worden, omvatten in een eerste fase de opbouw van dijken. Pas in een tweede fase zullen de werken die nodig zijn om het gebied (dagelijks) te laten overstromen uitgevoerd worden. Het is waarschijnlijk dat op het ogenblik dat de Raad van State een uitspraak doet, de werken op terrein nog niet verder gevorderd zullen zijn dan de voorbereidende dijkwerken. Het gaat om graaf- en grondwerken, die in principe omkeerbaar zijn. Indien de Raad van State het RUP zou vernietigen en indien de Vlaamse overheid zou afzien van haar voornemens voor de uitvoering van het Sigmaplan dan zijn de reeds uitgevoerde werken reversibel.

Droge zomers kunnen verzilting in de hand werken

De laatste jaren hoort men meer en meer onheilsberichten over de toenemende verzilting van onze polders. Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer vroeg minister van natuur Joke Schauvliege wat de stand van zaken is. Noch in het oppervlaktewater, noch in het grondwater is er een drastische verzilting waargenomen, benadrukte zij, wel zijn er in periodes van droogte uitzonderlijk hoge zoutgehaltes.

Het jaar 2009 werd gekenmerkt door de warme, droge maanden augustus, september en oktober. Een overgrote meerderheid van de meetresultaten scoorde in die maanden boven de norm van 500 mg chloride per liter. Door de Zwinpolder werd in augustus 2010 een eenmalige meetcampagne uitgevoerd op 96 locaties. Ook uit deze metingen bleek dat voor een meerderheid (74/96) van de waarnemingen 500 mg chloride per liter overschreden werd. Een maximum werd in deze campagne genoteerd van 16.000 mg/l. De hoogste waarden werden vooral bereikt in kleinere waterlopen.

Als gevolg van de klimaatverandering, verwacht Schauvliege, zijn er mogelijkerwijs toenemende periodes van droogte te verwachten zijn. Het is dan ook belangrijk de verziltingsproblematiek nauwgezet te blijven opvolgen. Daarvoor zijn technische aanpassingen aan de installaties noodzakelijk en zal er ook nog bijkomend studiewerk worden uitgevoerd.

De Vlaamse Milieumaatschappij (VMM) bereidt daarom een nog verdergaande automatische sturing van de sluizen en pompinstallaties voor. Om verzilting van oppervlaktewater te voorkomen is het immers vooral belangrijk om voldoende zoet water vast te houden. Voor elk watersysteem zal een optimaal automatisch peilbeheer worden ontwikkeld op basis van meerdere peilmetingen in het gebied en op langere termijn ook op basis van neerslagmeting en voorspellingen via online-modellering. Zowel het voorkomen van wateroverlast als de verzilting worden zo tegelijk voorkomen.

Voor wat betreft grondwater zijn er momenteel studies lopende en nog andere gepland die de evolutie van het grondwaterreservoir in de polder m.b.t. verzilting verder zullen uitdiepen. Daarbij zal ook rekening worden gehouden met toekomstige klimaatsinvloeden en de stijging van de zeespiegel. Uit de resultaten van deze studies zal moeten blijken of maatregelen zich opdringen om toekomstige verzilting tegen te gaan.

Jos De Meyer volgt sinds jaren de werking van de Vlaams polders op en vraagt alertheid van de minister om verzilting te voorkomen!

Zomervakantie…

Het zand van de zomer. De linden.
Het woonhuis beschermd en beschaduwd.
De voordeur de poorten en blinden.
De hagen waarachter de hoving.
Je kan het elders ook vinden.

Wie komt, ondergaat de bekoring
van het dagelijkse doodgewone,
een vrede die niet meer wil vragen,
de morgen de middag de avond
bestaan zonder vrees voor verstoring.

De wind waait het zand op. De linden
verleggen de last van hun takken.
de poorten gesloten, de blinden
weer toe voor de nachttijd van slapen.
de tuin ruikt naar tijmkruid en rozen.

Uit: “En het dorp zal duren”

Anton van Wilderode

Vlaamse overheidscommunicatie mag onder de loep

In onze informatiemaatschappij is een goede en doeltreffende communicatie belangrijk. Door de interne en externe verzelfstandiging van heel wat entiteiten onder de algemene noemer Vlaamse overheid, is de (eind)verantwoordelijkheid over en de aansturing van het communicatiebeleid verspreid. Dat geldt dus ook voor de concrete aanpak, inhoud en timing van de campagnes. In de begroting 2009 werd vooropgesteld zwaar te besparen in de ingehuurde expertise op het vlak van externe communicatie.

Reden voor Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer om de zaken even op een rijtje te zetten. Hij bevroeg alle leden van de Vlaamse Regering over het aantal personeelsleden die binnen hun beleidsdomeinen met communicatie belast zijn en vroeg tegelijk in welke mate in 2009 op externe communicatiebureaus een beroep werd gedaan.

Kris Peeters, Minister-president van de Vlaamse Regering,
Vlaams minister van Economie, Buitenlands Beleid, Landbouw en Plattelandsbeleid:
– externe communicatieaanbestedingen 2009 in EUR: 14.475.214,46
– aantal externe opdrachten in 2009: 32
– aantal VTE** belast met communicatie binnen beleidsdomein: 81,5

Geert Bourgeois, Viceminister-president van de Vlaamse Regering,
Vlaams minister van Bestuurszaken, Binnenlands Bestuur, Inburgering, Toerisme en Vlaamse Rand:
– externe communicatieaanbestedingen 2009 in EUR: 13.563.860,24
– aantal externe opdrachten in 2009: 19
– aantal VTE** belast met communicatie binnen beleidsdomein: 20

Jo Vandeurzen,Vlaams minister van Welzijn, Volksgezondheid en Gezin:
– externe communicatieaanbestedingen 2009 in EUR: 448.553,17*
– aantal externe opdrachten in 2009: 8
– aantal VTE** belast met communicatie binnen beleidsdomein: 13,6

Hilde Crevits,Vlaams minister van Mobiliteit en Openbare Werken:
– externe communicatieaanbestedingen 2009 in EUR: 1.797.494,67
– aantal externe opdrachten in 2009: 10
– aantal VTE** belast met communicatie binnen beleidsdomein: 36,1

Freya Van den Bossche,Vlaams minister van Energie, Wonen, Steden en Sociale Economie:
– externe communicatieaanbestedingen 2009 in EUR: 182.913,95*
– aantal externe opdrachten in 2009: 4
– aantal VTE** belast met communicatie binnen beleidsdomein: 25,6

Philippe Muyters,Vlaams minister van Financiën, Begroting, Werk, Ruimtelijke Ordening en Sport:
– externe communicatieaanbestedingen 2009 in EUR: 1.733.795,85
– aantal externe opdrachten in 2009: 15
– aantal VTE** belast met communicatie binnen beleidsdomein: 25,3

Joke Schauvliege,Vlaams minister van Leefmilieu, Natuur en Cultuur:
– externe communicatieaanbestedingen 2009 in EUR: 1.146.556,99
– aantal externe opdrachten in 2009: 51
– aantal VTE** belast met communicatie binnen beleidsdomein: 58,7

Pascal Smet,Vlaams minister van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel:
– externe communicatieaanbestedingen 2009 in EUR: 148.842,03
– aantal externe opdrachten in 2009: 6
– aantal VTE** belast met communicatie binnen beleidsdomein: 57,4

Ingrid Lieten, Viceminister-president van de Vlaamse Regering,
Vlaams minister van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding:
– externe communicatieaanbestedingen 2009 in EUR: 237.159,11
– aantal externe opdrachten in 2009: 13
– aantal VTE** belast met communicatie binnen beleidsdomein: 7

TOTAAL
– externe communicatieaanbestedingen 2009 in EUR: 33.102.923,35
– aantal externe opdrachten in 2009: 158
– aantal VTE** belast met communicatie binnen beleidsdomein: 325,2

*Voor meerjarencontracten werd het totaalbedrag uitgesplitst à rato van de looptijd
** Voltijds equivalenten

Jos De Meyer wijst erop dat een loutere vergelijking tussen de communicatiebudgetten van de administraties niet aan de orde is. Het enorme verschil in bevoegdheden van de verschillende ministers en de aard van de verschillende sectoren maken dat er logischerwijs grote verschillen zijn. Zo wordt een grote hap uit het budget van minister Bourgeois’ diensten verklaard door de promotie-acties van Toerisme Vlaanderen. Voor wat de bevoegdheden van de minister-president betreft, moet bijvoorbeeld rekening gehouden worden met het feit dat daarin de cijfers van de VLAM zijn verwerkt. De VLAM-acties worden niet met overheidsgelden, maar met bijdragen uit de diverse sectoren bekostigd. “Daarbovenop is de minister-president ook verantwoordelijk voor het algemene communicatiebeleid van de regering,” nuanceert Jos De Meyer, “het is dus evident dat zijn administraties over een ruimer personeelsbestand en de bijhorende budgetten voor communicatie beschikken.”

Toch neemt De Meyer ook een aantal opmerkelijke trends waar. Vooreerst het grote aantal verschillende dienstverleners die worden ingezet. Slechts in enkele gevallen worden er meerjarencontracten gebruikt. De Meyer: “Een overgroot deel van de opdrachten betreft éénmalige opdrachten, die zich weliswaar in een aantal gevallen wel herhalen. Ook de verscheidenheid aan gebruikte gunningsprocedures is opmerkelijk. Heel opvallend is het grote aantal onderhandse onderhandelingsprocedures zonder bekendmaking. Minister-president Peeters wees reeds in zijn beleidsnota op de noodzaak van een hogere efficiëntie voor overheidscommunicatie door bijvoorbeeld het werken met raamcontracten. Het is ongetwijfeld zinvol vanuit deze optiek dit dossier verder op te volgen.”

Verdere info:
– Het communicatiejaarverslag van de Vlaamse Regering http://www3.vlaanderen.be/jacom/
– De beleidsnota van de minister-president m.b.t. overheidscommunicatie: http://communicatie.vlaanderen.be/nlapps/docs/default.asp?fid=60

Veel engagement voor de jeugd!

Elk weekend zetten duizenden jonge mensen in Vlaanderen zich in voor de leiding van een jeugdbeweging. Chiro, KLJ, KSA, Scouting, …Veel respect voor dit engagement! Vorig weekend vierde de Chiro van Sinaai haar 65-jarig bestaan gedurende drie dagen: speels en enthousiast, ook een beetje academisch op het deelgemeentehuis, met grote betrokkenheid van de hele dorpsgemeenschap (meer dan 500 deelnemers aan het mosselsouper).
Ik ben tevreden dat ik er bij mocht zijn. Proficiat aan deze toffe ploeg vrijwilligers bij de Chiro van Sinaai.

Natuurcompensaties zijn zeer duur!

Heel wat infrastructuurwerken in de haven van Antwerpen (Scheldeverdieping, aanleg Deurganckdok, historisch passief van de haven, Liefkenshoekspoortunnel, logistiek park Waasland, ontwateringsinstallatie Amoras) gaan gepaard met bijbehorende natuurcompensaties die worden opgelegd door de Europese Commissie op basis van de Europese natuurbehoudwetgeving. Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer vroeg de minister van openbare werken Hilde Crevits een overzicht van de tot nu toe gerealiseerde natuurcompensaties en hun kostprijs. In totaal werd 138 326 974 euro uitgegeven voor bijna 1500 hectare.

Jos De Meyer: “Dit leert dat één hectare natuur om en bij de 100 000 euro kost voor verwerving en inrichting. Dit is zeer duur. Daarom dring ik dan ook aan op redelijkheid en om zeker niet meer te compenseren dan absoluut noodzakelijk is voor Europa.”

Project – Compensatie – Opp.(in ha) – aard – kostprijs

    verruiming vaargeul (Scheldeverdieping op Vlaams grondgebied)

  • natuurontwikkeling ter hoogte van de zone Noordkasteel tot Fort-Filip te Antwerpen 5 Slik en schor 6 500 000 euro
  • ontpoldering van de Hedwige-Prosperpolder 170 Getijdennatuur 25 800 000
  • aanleg van het Deurganckdok

  • gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke-Bazel-Rupelmonde 150 Weidevogelgebied 75 000 000*
  • Paardenschor 14,5 Slik en schor 11 506 510 euro
  • Doelpolder Noord & Kreek 107 Weidevogelgebied, ondiep water, slik en schor 5 776 026euro
  • Drijdijk 36,7 Plas en oevers 2 208 199euro
  • Putten West en Zoetwaterkreek 69,8 Zoetwaterkreek, weidevogelgebied 3 949 946euro
  • Steenlandpolder 10 Riet en water (tijdelijke compensatie) 230 072euro
  • inrichting van het spuitveld “gedempt Doeldok” 74 Strand en plasvlakte (tijdelijke compensatie) nvt
  • Tijdelijke inrichting van het spuitveld “Vlakte van Zwijndrecht” 53 Strand en plasvlakte (tijdelijke compensatie) 82 701euro
  • Tijdelijke inrichting van het spuitveld “MIDA” 77 Plasvlakte (tijdelijke compensatie) nvteuro
  • kunstmatige waterplassen in Z2-gebied – Plas en oevers 60 038euro
  • percelen in ZTA-gebied 45 Ecologisch waardevolle polder nvteuro
  • ‘historisch passief’ van de haven van Antwerpen

  • Haasop (voorheen Zuidelijke Groenzone) 101,5 Riet en water 108 923euro
  • Groot Rietveld 82,4 Riet en water 44 023euro
  • gecontroleerd overstromingsgebied Kruibeke-Bazel-Rupelmonde 300 Slikken en schorren – Liefkenshoekspoortunnel

  • Rietveld Kallo 47 Riet en water 5 665 472euro
  • Logistiek Park Waasland

  • Spaans Fort & Haasop 20 Riet en water 845 064euro
  • ontwateringsinstallatie AMORAS

  • Opstalvalleigebied Fase 1 75 Riet en water 550 000euro
  • TOTAAL 1437,9 ha – 138 326 974euro

Peeters betaalt 52 miljoen euro vervroegd uit

Op een vraag van Vlaams parlementslid Jos De Meyer heeft Minister-president Kris Peeters geantwoord dat de Europese Commissie dit jaar voor de sterkst getroffen gebieden de bedrijfstoeslagen en rundveepremies vervroegd zal uitbetalen. De uitbetalingen van 52 miljoen euro zullen kort na 16 oktober worden uitgevoerd.

Tijdens de commissie Landbouw van 23 september 2010 ondervroeg Jos De Meyer de Minister-president over de economische situatie in de landbouw in het algemeen en de bedrijfseconomische boekhouding in de Vlaamse landbouwondernemingen in het bijzonder.

Volgens de Minister-president zijn de economische ontwikkelingen in de meeste land- en tuinbouwsectoren op dit moment bevredigend te noemen. In het bijzonder gaat het om de groenten- en fruitsector en om de melksector waar substantieel hogere prijzen worden gerealiseerd dan de voorbije maanden. Ook in de akkerbouw trekt de prijsvorming aan, mede als gevolg van de stijging van de granen op de wereldmarkt.

Spijtige uitzondering is de varkenssector waar de prijsvorming ondermaats blijft en waar de sterk gestegen veevoederkosten doorwegen op de rendabiliteit.

Als gevolg van de droogte in het voorjaar werd de grasgroei echter sterk afgeremd. Daardoor moeten heel wat veehouders vervroegd hun wintervoorraden aanspreken, wat een pak extra kosten met zich heeft meebrengt. Om die reden vroeg de minister-president aan de Europese commissie om de vervroegde uitbetaling van de bedrijfstoeslagen en de rundveepremies goed te keuren.

Jos De Meyer waardeert de inspanning van de minister-president om de landbouwers waar mogelijk te ondersteunen en is dan ook uiterst tevreden dat de Europese Commissie op het verzoek tot vervroegde uitbetaling is ingegaan.

Dit betekent dat in gemeenten waar het areaal gras meer dan 50% van het totale landbouwareaal uitmaakt, de betrokken landbouwers 50% van de bedrijfstoeslag vervroegd uitbetaald krijgen. Daarnaast krijgen landbouwers die daarvoor in aanmerking komen een verhoogd voorschot (80% i.p.v. 60%) op hun zoogkoeienpremies.

Vernieuwde regelgeving slachten runderen en varkens in de loop van 2011

Vanuit de landbouworganisaties werden de afgelopen maanden klachten geformuleerd over de werkwijze van de slachthuizen. Reden voor Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer om minster-president Kris Peeters hierover te ondervragen. Deze erkende dat er sinds eind vorig jaar via het IVB signalen binnenkwamen dat er mogelijks zaken niet correct verlopen. Ondertussen, benadrukte hij, is er een overleg opgestart om puntsgewijs de probleempunten, zowel m.b.t. het slachten van varkers als van runderen, op te lossen.

Voor wat de runderen betreft worden drie grote sporen gevolgd: een betere communicatie met de sector over de opvolging van klachten, het vereenvoudigen en transparanter maken van de grote verscheidenheid aan aanbiedingsvormen van karkassen en striktere afspraken over het bepalen van het geslachte gewicht.

Bij dit laatste zijn echter wel diverse instanties betrokken, stelde de minister-president: de Vlaamse overheid stelt de aanbiedingsvormen vast, de Federale Overheidsdienst (FOD) Economie doet controle op het bepalen van de gewichten, de FOD Financiën legt de omzettingsregels van warm naar koud gewicht vast en doet controles vanuit fiscaal oogpunt, en het Federaal Agentschap voor de veiligheid van de voedselketen (FAVV) is belast met de keuring van de karkassen in functie van Volksgezondheid. Vanuit de Vlaamse administratie zijn dan ook gesprekken opgestart met als doel te komen tot betere afspraken over de uitwisseling van slachtgegevens en vaststellingen in de diverse slachthuizen.

Wat de varkens betreft waren er vragen gerezen over de correctheid van een van de toestellen die worden gebruikt om het aandeel mager vlees te bepalen. Ondanks grondige analyse was de oorzaak van de afwijking van echter niet eenduidig vast te stellen. Minister voor landbouw Peeters gaf wel de opdracht de vijf toestellen die daarvoor momenteel erkend zijn opnieuw te ijken. De vernieuwde erkenning moet met gestandaardiseerde procedures voor de metingen en met de verplichting tot het meedelen van die slachtgegevens, zorgen voor duidelijkheid.

Jos De Meyer is tevreden dat de minister-president zich engageerde om de acties die worden ondernomen op te nemen in een vernieuwde regelgeving die in de loop van 2011 zal worden gefinaliseerd.

Eén kwart van de Vlamingen koopt hoeveproducten

Een recent onderzoek van de Nederlandse Wageningen Universiteit (‘Food op de boerderij. Consumentenonderzoek naar bedrijfsbezoeken en koopgedrag in de boerderijwinkel’) ziet een toekomst weggelegd voor boerderijwinkels. Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer vroeg minister voor landbouw Kris Peeters of deze vaststelling ook opgaat voor de Vlaamse situatie. Het antwoord blijkt een duidelijk ja.

In Vlaanderen wordt de verkoop van hoeveproducten via de kanalen “hoevewinkels” en “boerenmarkten” door het Vlaams Centrum voor Agro- en Visserijmarketing (VLAM) opgevolgd. Uit de cijfers blijkt inderdaad dat de hoeveverkoop in Vlaanderen sinds 2006 terug sterk in de lift zit. Dit met uitzondering van een kleine terugval (-7 %) in 2009 tengevolge van de economische crisis. Toch werd er ook in dat jaar nog voor ruim 82,5 miljoen euro besteed bij de hoevewinkel.

Drieëntwintig procent van de Vlaamse gezinnen koopt wel eens voedingsproducten op de hoeve – het gemiddeld besteed bedrag per kopend gezin op jaarbasis bedraagt 141 euro. De producten die het hoogste aantal kopers kennen zijn vooral aardappelen (14,3 % van de gezinnen), gevolgd door fruit (8%), groenten (6,7 %), eieren (5,6%), zuivel (4,1%) en vlees (4 %). Naar omzet gemeten zijn respectievelijk fruit (19,3 miljoen euro), groenten (15,3 miljoen euro), vlees (14,7 miljoen euro) en aardappelen (12,4 miljoen euro) de belangrijkste aangekochte producten.

In Vlaanderen zijn – afhankelijk van de gehanteerde definitie – tussen de 923 en 1411 hoeveproducenten als erkend. Met een duidelijk overwicht van de provincies Oost- en West-Vlaanderen. Er is ook het label ‘Erkend Verkooppunt Hoeveproducten’. Toetreden tot het label is mogelijk wanneer er meer dan 50% eigen producten worden aangeboden.

Ook hier zijn West- en Oost-Vlaanderen koplopers met 71 en 70 erkende verkooppunten – in Vlaams-Brabant zijn er 39 erkende verkooppunten, in Limburg 29 en in Antwerpen 28. Het aantal “erkende verkooppunten hoeveproducten” neemt jaarlijks ook toe: in 2006 telde men er 154; momenteel zijn er in Vlaanderen 237. De erkende hoeveverkooppunten zijn terug te vinden via www.hoeveproducten.be .

Ook opmerkelijk: van de erkende hoeveproducenten ligt slechts 35% in de gebiedscategorie ‘platteland’, de overige 65% ligt in stedelijke gebieden, stedelijke randen, overgangsgebieden of het stedelijk gebied rond Brussel. Hoeveproductie is dan ook een mooi voorbeeld, aldus de minister-president, van een strategie die de kansen van de nabijheid van de stad kan opleveren.

Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer vindt dit een duidelijk bewijs dat de steunmaatregelen voor de inrichting van een hoevewinkel die binnen het VLIF (Vlaams Landbouwinvesteringsfonds) voorzien zijn, de juiste impulsen geven. Een verbreding van de activiteiten geeft de landbouwer immers een stabielere inkomensbasis.

Blijvende stijging agro-milieusteun

De afdeling Monitoring en Studie (AMS) van het Departement Landbouw en Visserij stelde het jaarverslag 2009 voor van het Vlaams programma voor Plattelandsontwikkeling (PDPO 2007-2013). Dit verslag is in het kader van het EU-landbouwbeleid de officiële rapportering aan de Europese Commissie. Reden voor Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer om minister-president Peeters meer uitleg te vragen over de verschuivingen binnen het areaal agromilieumaatregelen.

Alhoewel het areaal agromilieu¬maatregelen sterk gedaald is, stelde de minister, werd in 2009 maar liefst 26,7 miljoen euro – het hoogste bedrag aan agro-milieusteun sinds de invoering ervan – uitbetaald. De afgelopen 3 jaar zijn de uitbetalingen jaar na jaar sterk toegenomen. De totale stijging ten opzichte van 2006 bedraagt 8,6 miljoen euro.

Het aangaan van een agromilieumaatregel gaat uit van een vrijwillig engagement van de landbouwer om de maatregel op te nemen in zijn bedrijfsvoering. Het is echter niet steeds zeker dat de landbouwsector ingaat op de tendens die de overheid wil nastreven. Hoe meer een maatregel aansluit bij de bedrijfsvoering, hoe meer succes de maatregel zal kennen, stelt Peeters.

Zo heeft de subsidie voor groenbedekking (een maatregel van PDPO I, en de eerste jaren van PDPO II) er toe geleid dat landbouwers zich bewust geworden zijn van de voordelen van groenbedekking. Uit de enquête blijkt dat 79% van de ondervraagde landbouwers nu ook groenbedekkers zouden inzaaien, zelfs ingeval de subsidie zou wegvallen. Het behoud of de verdere verhoging van het areaal agromilieumaatregelen is immers geen doel op zich, benadrukt de minister, de globale positieve milieueffecten van de agromileumaatregelen zijn dat wel.

Ook de invoering in 2010 van de nieuwe subsidiemaatregel “verwarringstechniek in de fruitteelt” is een succes. Meteen was duidelijk dat aansluiting bij de bedrijfsvoering en laagdrempeligheid vervuld waren. Het eerste jaar is er dan ook voor 7500 ha subsidie aangevraagd voor deze maatregel.

De minister sluit niet uit dat in de volgende programmaperiode wel aanpassingen en bijsturingen mogelijk zijn. Hiervoor zijn momenteel enkele studies lopende. Ondermeer een studie
om de impact van het PDPO II op de biodiversiteit in kaart te brengen. Daarnaast maakt men ook een studie waarin voorstellen geformuleerd worden voor nieuwe agromilieumaatregelen met een postitief effect op de agrobiodiversiteit.

Nauwelijks fraude met EU-landbouwsubsidies in België

Uit het jaarrapport over de financiële belangen van de EU bleek dat vorig jaar meer onregelmatigheden gerapporteerd werden met EU-gelden voor landbouw, cohesiebeleid en steun voor kandidaat-lidstaten. Kris Peeters benadrukt in zijn antwoord aan Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer (CD&V) dat fraude met EU-landbouwsubsidies amper voorkomt in België en onvrijwillige fouten zo goed mogelijk vermeden worden.

Het Europees Bureau voor Fraudebestrijding OLAF meldde in het jaarrapport van 2009 dat eind vorig jaar 48 van de 354 onregelmatigheden met EU-gelden betrekking hadden op België. Dat werd toen voor een groot deel verklaard door de aanwezigheid van de Europese instellingen in Brussel. Minister-president Peeters bevestigt in zijn antwoord aan Jos De Meyer dat van de 48 lopende zaken in België geen enkele behoort tot de diensten van het beleidsdomein landbouw en visserij van de Vlaamse overheid.

Conform de Europese verordening melden de diensten van het beleidsdomein landbouw en visserij per kwartaal alle onregelmatigheden die betrekking hebben op EU-financieringen van minstens 10.000 euro. Deze meldingen hebben met andere woorden nog niet geleid tot de opening van een lopende zaak door OLAF. Effectieve fraudedossiers met een juridische procedure zijn er nauwelijks bij de diensten van het beleidsdomein. Indien dat toch het geval is, ligt een valse aangifte meestal aan de basis.

“Om ook onvrijwillige fouten te vermijden, wordt op verschillende niveaus informatie ter beschikking gesteld”, zegt Kris Peeters. Zo publiceert het agentschap voor landbouw en visserij bij de start van elke aanvraagcampagne voor een EU-landbouwmaatregel de belangrijkste aandachtspunten en informeert later in de campagne de landbouwers via persberichten over de belangrijkste tekortkomingen ten opzichte van de regelgeving.

Maandelijks wordt overleg gepleegd met de vertegenwoordigers van de landbouwsector en worden alle aspecten van de aanvragen en controles besproken. Daarnaast worden specifieke voorlichtingsmomenten georganiseerd, zoals de democontroles randvoorwaarden, waarbij de verschillende aspecten van een bedrijfscontrole worden toegelicht.

Peeters voegt daar nog aan toe dat landbouwers actief gestimuleerd worden om maximaal gebruik te maken van het elektronisch loket www.landbouwvlaanderen.be om steunaanvragen in te dienen. Dit e-loket helpt de landbouwer door zijn aanvraagprocedure en zoekt naar incoherenties in de aanvraag. Zo wordt de landbouwer van bij de aanvang al op onvolkomenheden in zijn aanvraagdossier gewezen. “Bijsturen van het beleid is dan ook onnodig”, besluit Peeters.

Werken op benedenschelde tussen Gentbrugge en Melle worden ook besproken binnen overlegstructuren van het Sigmaplan

Al enige tijd circuleert het plan om op de Benedenschelde ter hoogte van de Heusdenbrug een nieuwe sluis te plaatsen om de Schelde tussen Gent en Melle grotendeels tijonafhankelijk te maken. Tegelijk zou de vaargeul worden uitgediept en het omliggende gebied worden heringericht. Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer vroeg minister van openbare werken Crevits om meer uitleg.

De focus van het project ligt zeker niet alleen op het mogelijk maken van recreatievaart, benadrukte Crevits. Naast het verhogen van de veiligheid ter hoogte van de sluis van Merelbeke en op de Ringvaart waar beroepsvaart en pleziervaart samen komen, zal de plaatsing van de sluis ook een belangrijke kostenbesparing opleveren voor dijkverhogingen opwaarts van de sluis.

Recent werd afgesproken dat de verdere voorbereidingen voor de realisatie van het project binnen de bestaande overlegstructuren van het Sigmaplan zullen worden afgetoetst.

Een gekoppeld dossier, het inrichten van het gebied Bastenakkers als gecontroleerd overstromingsgebied, werd al eerder meegenomen in de maatschappelijke kostenbatenanalyse van het geactualiseerde Sigmaplan.

In samenwerking met onder meer de Vlaamse Landmaatschappij en de belangenorganisaties van de landbouw zal conform de werkwijze binnen het Sigmaplan, de beste locatie worden gezocht om een beperkte dijkverplaatsing te realiseren. Hierbij zal worden gestreefd naar een minimale impact op de landbouw worden vooropgesteld.

Tegelijk zal er ook een proefproject voor hergebruik van de gewonnen baggerspecie worden opgestart. Dit project bestaat in het verwerken van een deel van het sediment in geotextiele elementen die als waterkering kunnen worden gebruikt. Europa voorziet hiervoor subsidies in het kader van het TEN-programma (Trans Europese Transportnetwerken) en het INTERREG-programma (Europese Territoriale Samenwerking).

Binnenkort ecoscores voor gehele wagenpark Vlaamse Overheid

De Vlaamse Overheid heeft een wagenpark van maar liefst 2302* voertuigen. In 2009 werden er 197 nieuwe wagens aangekocht. Dat vernam Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer van minister voor bestuurzaken Geert Bourgeois. De vraag kwam er in opvolging van een eerdere bevraging over het wagenpark van de ministeriële kabinetten en hun aandacht voor de milieunormen.

Vlaamse administratie

De ecoscores van het Vlaamse wagenpark zijn echter nog niet beschikbaar. Al liet de minister wel weten dat het departement Leefmilieu, Natuur en Energie samen met het VITO gestart met een traject om voor alle dienstvoertuigen de correcte ecoscore vast te stellen. In elk geval, verzekerde Bourgeois, zal de bevraging vanaf nu elk jaar herhaald worden. Eens alle ecoscores bekend zijn, zal een grondige evaluatie worden gemaakt.

De populairste modellen van het huidige wagenpark, dat maar liefst 34 verschillende merken bevat, blijken de Opel Astra en de Toyota RAV4 te zijn In 2009 springt voornamelijk de aankoop van 45 Renault Kangoo’s in het oog.

Ministeriële kabinetten

Nagenoeg alle dertien nieuwe kabinetswagens die sinds vorig jaar in dienst werden genomen hebben een hogere (dus betere) ecoscore**. Opmerkelijk is echter wel dat minister van Financiën Muyters zijn twee Toyota Priusssen (ecoscore 75) aan de kant schoof voor een Volvo S80 (ecoscore 65) en Ford Focus (ecoscore 70). De afgetekende rode lantaarn uit de vorige bevraging, minister van energie Vandenbossche, ruilde ondertussen haar Mercedes Viano (ecoscore 47) in voor een Honda Insight Hybride (ecoscore 76).

Jos De Meyer is zeer tevreden dat de minister, op zijn aangeven, vanaf nu jaarlijks een oplijsting zal laten opmaken. “Eens alle ecoscores gekend zijn, zal het veel gemakkelijker zijn om doelgerichter de meest vervuilende wagens te vervangen.” De Meyer kondigt aan de evoluties verder op te volgen en zal zijn vraag ook volgend jaar herhalen.

Minister Smet: sociale stage opnemen in hervorming secundair onderwijs

De begrippen ‘sociaal project’ of ‘sociale stage’ zijn in onderwijskringen niet onbekend. Onder de term ‘sociaal project’ kunnen we de projecten catalogiseren die de school in groep organiseert. Het begrip ‘sociale stage’ heeft dan weer betrekking op een zelfstandig uitgevoerd sociaal project. Beide worden beschouwd als extra-murosactiviteiten. In vele landen integreerde men de sociale stage in het lessenpakket, bijvoorbeeld in de Verenigde Staten, Denemarken en Duitsland.

In Nederland moet elke middelbare scholier vanaf het schooljaar 2011-2012 een sociale stage volbrengen van 72, 60 of 48 uur. Jos De Meyer wil dit onderwerp ook in ons land op de agenda zetten en vroeg minister voor onderwijs Pascal Smet naar zijn standpunt.

De minister staat achter het idee van een sociale stage. Momenteel is er voldoende ruimte binnen ons onderwijs om deze te realiseren, stelde hij. In de eerste oriëntatienota rond de hervorming van het secundair onderwijs werd reeds in de mogelijkheid voor werkplekleren voorzien. De sociale stage als dusdanig staat er niet uitdrukkelijk in, maar aldus de minister, deze kan nog aangevuld worden. Smet engageerde zich het idee mee te nemen naar de Vlaamse Regering binnen het kader van een eerste ontwerpnota.

Nog geen resultaten van de campagne ‘Zeg het hem zelf’

In de tweede helft van vorig schooljaar werd de campagne ‘Zeg het hem zelf’ gelanceerd. Door middel van een promotiecampagne, met onder meer enkele veelbesproken filmpjes, werd het publiek warm gemaakt voor de provinciale ontmoetingsdagen met de minister. In totaal werden 29 sessies georganiseerd. Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer vroeg de minister naar de concrete resultaten van zijn ronde. Want ondanks het opzet is daarvan op de bijhorende website niks van terug te vinden. Omwille van besparingen, verdedigde minister Smet zich, werden geen professionele rapporteurs ingeschakeld en vandaar het achterblijven van de website. Hij stelde dat het gedetailleerde rapport bijna klaar is. Van zodra het gereed is – zo beloofde hij -zou hij het bezorgen. Wordt vervolgd…

Studie naar voedselverspilling door de Vlamingen

Van de 4.340 euro die elk Belgisch gezin gemiddeld per jaar voor voeding uitgeeft, zou 174 euro helemaal nergens toe dienen volgens het Nationaal Instituut voor de Statistiek (NIS). Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer vroeg minister voor leefmilieu Joke Schauvliege of er voor Vlaanderen meer gedetailleerde gegevens voorhanden zijn. De minister erkent dat de problematiek van voedselverspilling een belangrijk probleem is maar op precieze cijfers voor Vlaanderen is het nog even wachten.

Er is heel wat buitenlands onderzoek, aldus de minister, maar die resultaten zijn echter niet altijd extrapoleerbaar naar Vlaanderen. Daarom werd in 2010 een onderzoek gestart om te achterhalen wat de precieze hoeveelheid verspild voedsel in het restafval in Vlaanderen is. Deze nulmeting loopt in 2010-2011 en de onderzoeksresultaten zullen medio 2011 bekend zijn.

Deze nieuwe studie zal moeten uitwijzen hoeveel vervallen en nog niet vervallen voedingsmiddelen in het restafval aanwezig zijn. Ook wordt ook nagegaan of de houdbaarheidsdata (TGT – “te gebruiken tot” en THT – “ten minste houdbaar tot”) al dan niet zijn overschreden. Deze informatie wordt immers door de consument niet altijd goed begrepen en een goed begrip ervan zou een belangrijk instrument kunnen zijn in de preventie van voedselverspilling.

Voortbouwend op de resultaten van de nulmeting zal in 2011 nog een vervolgstudie worden uitgevoerd die dat de voedselverspilling in ketenperspectief zal bekijken. In heel de keten is er immers sprake van voedselverlies: bij de teelt, oogst, verwerking, distributie, verkoop, consumptie en afvalverwijdering.

Schauvliege is het met Jos De Meyer eens dat het voeren van een sensibiliseringscampagne rond deze belangrijke problematiek zeker zinvol is. Op basis van de resultaten van de nulmeting en de andere onderzoeken zullen zeker sensibilisatie¬campagnes overwogen worden in overleg met de betrokken actoren, stelt ze nog.

Peeters: goedkeuring GGO’s zeker op Europees niveau behouden

Recent zette de Europese Commissie opnieuw het licht op groen voor de import van vijf nieuwe genetisch gemodificeerde maïssoorten. Omdat er bij de lidstaten geen gekwalificeerde meerderheid was, kan de Commissie op advies van de Europese Voedselautoriteit zelfstandig beslissen. Intussen werden er zo op Europees niveau 37 GGO’s goedgekeurd. Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer ondervroeg minister voor landbouw Kris Peeters over deze werkwijze. Peeters steunt de versterking van het wetenschappelijk beoordelingsproces voor de erkenning van GGO’s in het kader van volksgezondheid en leefmilieu en is er principieel voorstander van om dit blijvend op Europees niveau te houden.

Wanneer een GGO erkend wordt en dus veilig bevonden wordt voor mens, dier en zijn omgeving, dan moet deze GGO een eerlijke kans krijgen en ter beschikking zijn voor elke Europese landbouwer, verduidelijkt Kris Peeters. De Europese regelgeving vandaag is zo opgesteld dat goedkeuring enkel gebaseerd kan zijn op deze wetenschappelijke risicoanalyse naar volksgezondheid en leefmilieu.

Om deze reden blijft de Commissie consequent voorstellen tot beslissing voorleggen ter stemming, die gebaseerd zijn op de positieve adviezen van EFSA en bioveiligheidsraden. Bovendien finaliseert de Commissie (tegen eind 2010), in samenwerking met een extern (Brits) auditbureau, een evaluatierapport van het volledige Europese regelgevend kader m.b.t. GGO’s en werkt EFSA aan nieuwe richtlijnen voor een versterkte milieurisicobeoordeling van GGO’s.

Veldproeven en commerciële teelten

Dossiers die de teelt van de GGO op Europees grondgebied aangaan (veldproeven en commerciële teelten), volgen een goedkeuringsprocedure volgens Richtlijn 2001/18/EG. Dit is een “leefmilieu”-aangelegenheid, en wordt dus geagendeerd en behandeld in de Raad Leefmilieu. In de regel wordt hierbij uitgegaan van een (decentrale) wetenschappelijke risicoanalyse uitgevoerd door een nationale bioveiligheidsraad van de lidstaat.

EFSA doet hiervoor een oproep bij de lidstaten om kandidaat te zijn om deze risicobeoordeling uit te voeren. Voor België wordt deze in de praktijk uitgevoerd door de afdeling Bioveiligheid en Biotechnologie van het Wetenschappelijk Instituut Volksgezondheid (SBB-WIV), waarna EFSA het beoordelingsrapport finaliseert.

GGO’s in ingevoerde producten

Dossiers die te maken hebben met gebruik van (ingevoerde) GGO’s in producten voor menselijke en dierlijke voeding (de zogenaamde Food/Feed), volgen een zo goed als gelijklopende goedkeuringsprocedure volgens Verordening (EG) nr. 1829/2003.

Dit zijn dossiers die op de Raad Landbouw geagendeerd en behandeld worden. In principe is het hier het EFSA die de wetenschappelijke risicoanalyse uitvoert, en opnieuw insteek en opmerkingen vraagt aan alle nationale bioveiligheidsraden van alle lidstaten. De reikwijdte van de Food/Feed-verordening betreft ook aanvragen voor teelten van GGO’s, en wordt de laatste tijd door bedrijven meer en meer hiervoor gebruikt. Het is immers een vereenvoudigde procedure: één dossier voor alles.

Aanpak exoten in waterlopen 1e categorie: 2,4 miljoen euro

Een in de zomermaanden steeds terugkerend probleem is de verspreiding van invasieve exoten in de onbevaarbare waterlopen. Deze planten verlagen het waterafvoerend vermogen en verstikken andere inheemse planten. Ondanks eerdere campagnes lijkt het probleem nog steeds niet onder controle. Vlaams volksvertegenwoordiger Jos De Meyer vroeg minister voor leefmilieu Schauvliege naar een stand van zaken. Deze stelde dat de bestrijdingsmaatregelen sinds 2009 met succes werden opgedreven.

Prioriteit wordt gegeven aan de invasieve exoten met de grootste negatieve impact op afvoer, waterkwaliteit en biodiversiteit: grote waternavel, waterteunisbloem en parelvederkruid. Voor deze drie soorten werd een intensieve bestrijding opgestart. Voorgaande jaren werd gekozen voor machinale bestrijding. Deze aanpak bleek echter inefficiënt, stelt minister Schauvliege.

De Vlaamse Milieumaatschappij startte daarom in de zomer van 2009 met een intensievere bestrijdingscampagne met een looptijd van drie jaar en met een resultaatsverbintenis: de aannemers worden pas betaald wanneer ze er effectief in slagen de hoeveelheid exoten in de waterlopen te beperken tot de minimumdrempel aangegeven in het bestek.

In Oost-Vlaanderen werd deze aanpak onder meer toegepast op de Caelene, Lieve, Brakeleiken, Klein Brakeleiken en Kalkense Vaart; in Antwerpen onder meer op de Kleine Nete, Aa en Marke; in Limburg onder meer op het Schulensmeer.

Uit de tussentijdse resultaten, stelt de minister, blijkt de aanpak succesvol: alle grote broeihaarden zijn verdwenen. Door ook de komende 2 jaar de intensieve bestrijding voort te zetten, verwacht men de eerste categorie waterlopen nagenoeg volledig vrij te krijgen van grote waternavel, waterteunisbloem en parelvederkruid.

Er hangt wel een prijskaartje aan vast: de vernieuwde intensieve bestrijdingscampagne zal over een periode van 3 werkingsjaren voor de onbevaarbare waterlopen eerste categorie afgerond 2,4 miljoen euro kosten. De kostprijs voor de oude methode (machinale verwijdering) bedroeg 200 000 euro per jaar.

Daarnaast wordt ook onderzocht of een handelsverbod of een bestrijdingsverplichting aangewezen is voor deze planten. Uit de eerste contacten met de sector (onder andere met het Algemeen Verbond van de Belgische Siertelers en Groenvoorzieners, het Proefcentrum voor Sierteelt, AVEVE en de Belgische Tuincentra Vereniging) bleek dat zij geen bezwaren hebben tegen het voorgestelde handelsverbod. Op dit moment wordt het advies ingewonnen van de Minaraad en de Raad van State over de voorgestelde maatregelen in het ontwerp van beheerregeling.